RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-137134-25
Datum uitspraak: 22 juli 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 6 mei 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 26 juli 2017 door de District Court in Zamość Second Panel Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 8 juli 2025, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.M. Hof, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van the District Court in Zamość van 14 december 2015 (kenmerk II K 52/14). Uit het EAB en de aanvullende informatie van 29 mei 2025 blijkt dat dit vonnis in stand is gehouden in een arrest van the Court of Appeal in Lublin van 1 december 2016 (referentie: II Aka 124/16).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 4 jaar en 5 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat de overlevering moet worden geweigerd omdat de opgeëiste persoon in zijn verdedigingsrechten is geschaad. Hij heeft namelijk geen advocaat gemachtigd om het hoger beroep namens hem te voeren. De opgeëiste persoon heeft tijdens de voorgeleiding de vragen niet goed begrepen en heeft daarom ten onrechte verklaard dat hij een advocaat heeft gemachtigd. Hij dacht dat de vragen van de rechter zagen op de procedure in eerste aanleg. De opgeëiste persoon heeft voor het hoger beroep geen advocaat gemachtigd en daarnaast is er geen adres-instructie gegeven.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich primair op het standpunt dat de overlevering kan worden toegestaan. De opgeëiste persoon heeft tijdens de voorgeleiding verklaard dat hij van het hoger beroep afwist en dit zelf heeft laten instellen. Ook heeft hij verklaard dat hij een advocaat heeft gemachtigd. Subsidiair stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat kan worden afgezien van de weigeringsgrond omdat de opgeëiste persoon stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht ofwel kennelijk onzorgvuldig is geweest. Het onderhouden van contact met de advocaat is namelijk de eigen verantwoordelijkheid van de opgeëiste persoon.
Oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Op grond van het EAB, gelezen in samenhang met het nagezonden onderdeel D) ten aanzien van het arrest van 1 december 2016 met kenmerk II Aka 124/16, stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces in hoger beroep, een advocaat heeft gemachtigd om zijn verdediging te voeren, en dat deze advocaat tijdens het proces zijn verdediging ook daadwerkelijk heeft gevoerd. De opgeëiste persoon heeft dit aanvankelijk ook bevestigd in zijn verklaring bij de voorgeleiding. De niet nader onderbouwde, andersluidende verklaringen van de opgeëiste persoon ter zitting leiden niet tot een ander oordeel en zijn evenmin aanleiding tot het stellen van nadere vragen op dit punt. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is dan ook niet van toepassing.
4. Strafbaarheid
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie,
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen;
racketeering en afpersing.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
6. Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
7. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Zamość (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. E. Biçer en D.L.S. Ceulen, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. M.J. Gauneau en M. C. Hooibrink, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 juli 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.