RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/721751 / HA ZA 22-645
Vonnis van 13 augustus 2025
in de zaak van
de vereniging
[naam vereniging] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat mr. J.H. van Woudenberg te Amsterdam,
tegen
1. de naamloze vennootschap
ING BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde in conventie,
hierna te noemen: ING,
advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
2. [gedaagde 2],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
advocaat mr. N.C. van Steijn te Leiden.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit
- tussenvonnis van 31 januari 2024, waarbij het onderzoek door een deskundige is bevolen,
- rapport van onderzoek van arts Th. Trompetter van 31 oktober 2024,
- conclusies na deskundigenbericht van respectievelijk [eiseres] , ING en [gedaagde 2] , in het laatste geval met producties,
- brief van mr. Popma van 21 februari 2025, met daarin een bezwaar tegen alinea’s 15 tot en met 19 van de conclusie van ING, althans een verzoek om daarop te mogen reageren,
- akte uitlating producties van [eiseres] ,
- e-mailbericht van de rechtbank van 4 maart 2025, waarin een wisseling van rechter is meegedeeld en [eiseres] de gelegenheid heeft gekregen om bij antwoordakte op het aangewezen deel van de conclusie van ING te reageren,
- antwoordakte van [eiseres] .
2. Waar deze zaak over gaat en het eerdere procesverloop
Dit is het vervolg van de zaak waarin [eiseres] als enig erfgenaam van mevrouw [erflaatster] een schadevergoeding eist van ongeveer € 350.000 van ING, de bank van [erflaatster] , en van [gedaagde 2] , de dochter van [erflaatster] , die door [erflaatster] was onterfd. Volgens [eiseres] is dat bedrag onrechtmatig onttrokken van de rekening van [erflaatster] en zijn ING en [gedaagde 2] hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die [eiseres] daardoor lijdt.
[eiseres] doelt daarbij op het volgende. Aan [gedaagde 2] is via een in april 2017 ondertekend formulier een volmacht verstrekt voor de bankrekening van [erflaatster] bij ING. In de periode van de volmachtverlening tot na het overlijden van [erflaatster] op [overlijdensdatum] 2020 is een groot deel van haar vermogen aangewend voor pinbetalingen, opnames, betalingen in winkels en overschrijvingen. In januari 2018 heeft ING aan [erflaatster] bericht dat zij haar bankrekening ‘in reservering’ heeft gezet vanwege een opmerkelijk recent uitgavenpatroon. Als gevolg hiervan konden vanaf de bankrekening geen betalingen meer worden gedaan. Enkele dagen later is deze blokkering door ING weer opgeheven.
[eiseres] voert onder meer aan dat [erflaatster] ten tijde van de volmachtverlening en daarna niet beschikte over haar volledige geestvermogens en dat [gedaagde 2] daar misbruik van heeft gemaakt. ING heeft volgens [eiseres] haar zorgplicht geschonden, zowel met betrekking tot de volmachtverlening, als met betrekking tot de (de)blokkering van de bankrekening.
Tijdens de mondelinge behandeling van 1 juni 2023 heeft de rechtbank [eiseres] toegelaten om te bewijzen dat [erflaatster] wilsonbekwaam was toen zij op 14 april 2017 een volmacht verleende aan [gedaagde 2] .
Vervolgens heeft [eiseres] bij akte twee producties overgelegd en verzocht om de benoeming van een medisch deskundige.
De rechtbank heeft hierna – kort gezegd – een onderzoek door een medisch deskundige naar de wils(on)bekwaamheid van [erflaatster] nodig geacht, de onderzoeksvragen geformuleerd en arts Th. Trompetter (hierna: de deskundige) als deskundige benoemd (tussenvonnissen van 15 november 2023 en 31 januari 2024).
De deskundige heeft vervolgens een rapport van onderzoek opgesteld, en partijen hebben daarna geconcludeerd.
In dit vonnis waardeert de rechtbank de bevindingen van de deskundige in het kader van de gegeven bewijsopdracht en betrekt de rechtbank een en ander bij de verdere beoordeling van de vorderingen van [eiseres] tegen [gedaagde 2] respectievelijk ING.
3. De verdere beoordeling
in conventie
alle vorderingen (tegen zowel [gedaagde 2] als ING)
wilsonbekwaamheid: beoordeling na bewijsopdracht
Ter beoordeling staat allereerst of [eiseres] het hiervoor onder 2.4 bedoelde bewijs heeft geleverd. De rechtbank oordeelt dat [eiseres] dit met het rapport van de deskundige heeft gedaan. De deskundige komt in zijn rapport gemotiveerd en zonder voorbehoud tot de conclusie dat [erflaatster] in de periode tussen 14 april 2017 en haar overlijden wilsonbekwaam was en baseert zich daarbij op informatie uit het medisch dossier van [erflaatster] dat hij als deskundige heeft mogen inzien. Een en ander volgt uit de hierna weergegeven beantwoording van de onderzoeksvragen door de deskundige:
Onderzoeksvraag:
1. Kunt u aan de hand van het medisch dossier van [erflaatster] bepalen of en zo ja, in hoeverre, [erflaatster] wilsonbekwaam was:
a. op of omstreeks 14 april 2017;
b. in de periode vanaf 14 april 2017 tot aan 26 januari 2018;
c. in de periode vanaf 26 januari 2018 tot aan haar overlijden op [overlijdensdatum] 2020?
Antwoord deskundige:
“naar aanleiding van hetgeen onder ‘wilsonbekwaamheid’ staat beschreven (...) moet dit altijd in relatie tot een te nemen beslissing worden beoordeeld. (…) In het algemeen kan slechts worden gesteld dat mevrouw op grond van haar ziektebeeld in een kwetsbare en afhankelijke situatie verkeerde, zeker sinds haar cva [beroerte of herseninfarct, rb]. (...) Gelet op het herseninfarct van half maart 2017 en het delier (algehele onrust en verwardheid) met de reeds vastgestelde cognitieve beperkingen, was zij in algemene zin niet meer wilsbekwaam te noemen. Blijkens het vastgestelde en in de rapportage beschreven verdere beloop (mevrouw hád eventueel van dit ziektebeeld deels kunnen opklaren) is dit in het nazien met zekerheid bevestigd voor de periode april 2017 tot aan haar overlijden.”
Onderzoeksvraag:
2. Zo ja, was [erflaatster] wilsonbekwaam ter zake van het verlenen van een
volmacht aan [gedaagde 2] en de daarop gevolgde schenkingen:
a. op of omstreeks 14 april 2017;
b. in de periode vanaf 14 april 2017 tot aan 26 januari 2018;
c. in de periode vanaf 26 januari 2018 tot aan haar overlijden op [overlijdensdatum] 2020?
Antwoord deskundige:
“Ad 2
a Op 14 april 2017 was mevrouw nog herstellende van een beroerte, een herseninfarct met hersenletsel, waarbij ‘duidelijke cognitieve beperkingen’ en opstandig gedrag met ontbrekend ziekteinzicht zijn vastgesteld (dus in elk geval geheugendefecten en desoriëntatie in tijd, verward denkvermogen). Nu kan mevrouw niet wilsbekwaam worden geacht voor een algehele bankvolmacht (betekent met name: haar wil, de aard en reikwijdte en mogelijke gevolgen van haar beslissing overzien). (…)
b in de periode van 14 april 2017 tot eind 2018 is het objectief medisch gezien – gelet op de beschreven cognitieve beperkingen en het in de rapportage aangegeven ziektebeloop – niet onmogelijk dat mevrouw een bepaalde wil zou uiten, maar zij zal zeker niet meermaals zelfstandig initiatief en/of regie hebben kunnen voeren op het doen van contante geldopnames, concrete overboekingen of schenkingen. Desgevraagd is het niet onmogelijk dat mevrouw zegt ‘iets wel of niet goed te vinden’, maar dit betekent nog niet dat mevrouw dienaangaande wilsbekwaam kan worden geacht. Ten aanzien van financiële zaken en belangen acht ik haar met zekerheid wilsonbekwaam.
c na januari 2018 (…). Het is duidelijk dat mevrouw cognitief niet is verbeterd; ze is gedocumenteerd verslechterd. Hetgeen geheel past bij het allengs voortschrijdende ziekteproces (...). Zij blijft wilsonbekwaam.”
ING heeft in haar conclusie na deskundigenbericht enkele kanttekeningen geplaatst bij de bevindingen van de deskundige. ING wijst erop (wat betreft de antwoorden op vragen 1a, b, en c) dat [erflaatster] volgens de deskundige in algemene zin niet meer wilsbekwaam te noemen was, maar dat de deskundige anderzijds (wat betreft de antwoorden op vragen 2a, b, en c) in absolute termen tot wilsonbekwaamheid concludeert. Ook lijkt de deskundige volgens ING een cesuur aan te brengen tussen de datum van volmachtverlening op 14 april 2017 (op welke datum hij [erflaatster] niet tot het overzien van haar wil in staat acht) en anderzijds de periode daarna van 14 april 2017 tot eind januari 2018 (in welke periode de deskundige het niet onmogelijk acht dat [erflaatster] wel een bepaalde wil kon uiten).
Naar het oordeel van de rechtbank doet dit commentaar van ING niet af aan de bevindingen en conclusies van het rapport. Anders dan ING ziet de rechtbank niet zozeer een tegenstrijdigheid of een verschil in de constateringen van de deskundige, maar eerder een genuanceerd antwoord op de verschillende aan hem voorgelegde vragen. Daarbij komt dat ING geen duidelijk gevolg aan haar commentaar verbindt. ING lijkt in haar conclusie na deskundigenbericht veeleer een ander, hier niet relevant, betoog te onderbouwen, namelijk dat ING niet heeft kunnen vermoeden dat [erflaatster] wilsonbekwaam was.
Ook hetgeen [gedaagde 2] nog tegen het rapport heeft ingebracht doet geen afbreuk aan de bevindingen van de deskundige. [gedaagde 2] weerlegt de bevindingen van de deskundige niet. Zij wijst alleen op de inschatting van de wilsbekwaamheid van [erflaatster] door andere betrokken personen. Hun inschatting is echter niet relevant omdat zij de vereiste deskundigheid missen, dan wel, wat betreft specialist ouderengeneeskunde [naam 1] , omdat de deskundige de verklaring van [naam 1] niet als een – bij het medische dossier – passende verklaring aanmerkt. Net als ING beoogt [gedaagde 2] met haar betoog kennelijk veeleer een ander standpunt te onderbouwen, namelijk dat [gedaagde 2] niet heeft kunnen vermoeden dat [erflaatster] wilsonbekwaam was. Dit betoog is hier niet relevant, maar komt hierna in dit vonnis aan de orde.
De conclusie van het voorgaande is dat [eiseres] het bewijs heeft geleverd dat [erflaatster] wilsonbekwaam was ten tijde van de volmachtverlening op 14 april 2017. Daarnaast volgt uit het deskundigenbericht dat [erflaatster] wilsonbekwaam is gebleven vanaf dat moment tot aan haar overlijden. Dit strekt dan ook bij de verdere beoordeling tot uitgangspunt.
vorderingen tegen [gedaagde 2]
onrechtmatig handelen / misbruik van omstandigheden
Tegen de hiervoor geschetste achtergrond van wilsonbekwaamheid van [erflaatster] is voldoende komen vast te staan dat [gedaagde 2] onrechtmatig heeft gehandeld bij de totstandkoming en het gebruik van de volmacht (zie hiervoor ook het tussenvonnis van 15 november 2023 onder 5.21.). [gedaagde 2] heeft misbruik gemaakt van de omstandigheden waarin [erflaatster] verkeerde en daarmee in gehandeld in strijd met hetgeen in het maatschappelijke verkeer betaamt. Daarvoor zijn de volgende omstandigheden mede redengevend.
[erflaatster] verkeerde ten tijde van de volmachtverlening in een kwetsbare, hulpbehoevende en afhankelijke positie. Op die datum (14 april 2017) was zij – zo blijkt uit het deskundigenrapport – nog in het ziekenhuis, herstellende van een herseninfarct met hersenletsel, waarbij ‘duidelijke cognitieve beperkingen’, waaronder in elk geval geheugendefecten en desoriëntatie in tijd, en verward denkvermogen waren vastgesteld. Vanwege haar medische gesteldheid was [erflaatster] dus niet goed in staat om haar eigen belangen te waarderen.
[erflaatster] was nog geen maand eerder in het ziekenhuis opgenomen vanwege een delier. Vóór die ziekenhuisopname had [gedaagde 2] – die door haar moeder was onterfd – volgens haar eigen verklaring op de mondelinge behandeling 15 jaar (en volgens haar partner 25 jaar) lang geen contact met haar moeder gehad.
Aan [gedaagde 2] is, als gevolmachtigde, een tweede bankpas, met een eigen pasnummer [nummer] ), (hierna: de tweede bankpas) voor de bankrekening van [erflaatster] verstrekt. [gedaagde 2] moest zich bij het gebruik van de volmacht vanzelfsprekend laten leiden door de belangen van [erflaatster] . Vanaf het moment van de volmachtverlening is echter met behulp van de tweede bankpas een aanzienlijke hoeveelheid contante pinopnames en pinbetalingen gedaan. Ook zijn verschillende bedragen aan derden overgemaakt. Vast staat dat (in elk geval) een groot deel van deze opnames en betalingen (waarover hierna meer) niet ten goede van [erflaatster] , maar van [gedaagde 2] is gekomen. Als gevolg van al deze opnames en betalingen is in de loop van drie jaar – nadat de opbrengst van de verkoop van de woning op de bankrekening van [erflaatster] was uitgekeerd – het gehele saldo van de rekening verteerd.
Het uitgaven- en opnamepatroon van [erflaatster] week daarmee aanzienlijk af van dat in de voorgaande jaren. [eiseres] heeft aan de hand van de bankafschriften aangetoond dat [erflaatster] in de vier jaren voorafgaand aan 2017 ongeveer € 130.000 had uitgegeven, dit tegenover een nagenoeg gelijk bedrag aan inkomsten. In die periode deed [erflaatster] alleen uitgaven ten behoeve van haar levensonderhoud, voornamelijk van enkele tientallen euro’s. [erflaatster] maakte bij deze betalingen steeds gebruik van haar pinpas en nam dus niet of nauwelijks contante bedragen op bij pinautomaten. Slechts een enkele keer heeft zij in die periode een bedrag van € 1.000 aan een derde overgemaakt en nooit heeft zij een bedrag van meer dan € 1.000 ineens in contanten opgenomen.
Medio 2017 heeft [gedaagde 2] een notaris benaderd om te bewerkstelligen dat zij – naar eigen zeggen volgens de wens van [erflaatster] – in het testament van haar moeder zou worden opgenomen. Uit informatie verkregen van de notaris (productie 16 van [eiseres] ) is gebleken dat de notaris destijds heeft gevraagd om de wilsbekwaamheid van [erflaatster] te laten onderzoeken door een onafhankelijke (VIA-)arts, dit omdat [erflaatster] inconsistent was in het antwoorden op vragen van de notaris. Uiteindelijk is geen nieuw testament opgemaakt. Uit de e-mail van 23 november 2017 van de notaris aan [gedaagde 2] (zie het tussenvonnis van 23 november 2017 onder 2.8.) blijkt dat [gedaagde 2] op de hoogte is gesteld van het feit dat de notaris de wilsbekwaamheid van [erflaatster] wilde laten testen door een VIA-arts. [gedaagde 2] ontkent weliswaar dat zij deze mail heeft ontvangen, maar geeft hiervoor geen enkele onderbouwing. Dat de notaris [gedaagde 2] heeft gebeld met de mededeling dat de wijziging van het testament wel is doorgegaan, zoals [gedaagde 2] ter zitting heeft verklaard, kan gelet op de mail van de notaris hoe dan ook niet juist zijn. Voor [gedaagde 2] bestond al op deze grond wel degelijk aanleiding om aan de wilsbekwaamheid van [erflaatster] te twijfelen.
Uit dit alles komt naar voren dat [gedaagde 2] zich bij het gebruik van de volmacht niet heeft gericht naar de belangen van [erflaatster] , maar voor eigen gewin misbruik heeft gemaakt van de afhankelijke positie van haar moeder. [gedaagde 2] heeft hiertegenover onvoldoende gesteld om dit beeld weg te nemen. De enkele stelling dat haar moeder, verheugd over hun hereniging na vele jaren, haar veel heeft willen schenken volstaat in de gegeven omstandigheden niet. Ook voor [gedaagde 2] moet in de gegeven omstandigheden duidelijk zijn geweest dat haar moeder niet goed meer in staat was zelfstandig haar wil te bepalen. [gedaagde 2] stelt weliswaar dat voor haar niet kenbaar was dat [erflaatster] wilsonbekwaam was, maar onderbouwt dit onvoldoende. De door haar overgelegde verklaringen van arts ouderengeneeskunde [naam 1] van 20 september 2019, van de makelaar [naam 2] en van een vriendin van [erflaatster] , [naam 3] , overtuigen in dit verband niet. Voor al deze verklaringen geldt dat deze afkomstig zijn van personen die onvoldoende deskundig moeten worden geacht. Daarnaast zien de eerste twee verklaringen alleen op de verkoop van de woning en is de verklaring van de vriendin summier. Deze houdt (voor zover hier relevant) slechts in dat [erflaatster] ‘heel goed bij de tijd’ was. Deze verklaringen hebben bovendien geen betrekking op de vraag of de wijze waarop [gedaagde 2] met behulp van de volmacht het geld van [erflaatster] heeft besteed overeenkomstig de wens van [erflaatster] was. Dat de opnames en betalingen van de rekening van [erflaatster] , die verricht zijn op basis van de volmacht, overeenkomstig de wens van [erflaatster] waren kan bij deze stand van zaken niet worden aangenomen.
Omdat [gedaagde 2] misbruik van omstandigheden heeft gemaakt bij de totstandkoming en het gebruik van de volmacht van [erflaatster] voor diens bankrekening bij ING, wat onrechtmatig handelen oplevert, zal de daartoe strekkende verklaring voor recht, zoals primair onder I is gevorderd, worden toegewezen.
schade
Daarmee ligt de vraag voor wat de schade van het hiervoor vastgestelde onrechtmatige handelen van [gedaagde 2] is. Omdat is komen vast te staan dat [gedaagde 2] bij de totstandkoming en het gebruik van de volmacht onrechtmatig heeft gehandeld, zijn in beginsel alle uitgaven die via de volmacht zijn gedaan als schade van [eiseres] aan te merken. Dat is slechts anders voor zover blijkt dat deze uitgaven ten behoeve van [erflaatster] zijn gedaan of aan haar ten goede zijn gekomen. Van deze uitgaven kan immers worden aangenomen dat [erflaatster] daarmee zou hebben ingestemd en in elk geval is [gedaagde 2] door deze uitgaven niet verrijkt.
[eiseres] begroot het totaalbedrag aan schade wegens onrechtmatige onttrekkingen op € 349.975,14. Volgens haar is [gedaagde 2] als gevolg van haar handelen ongerechtvaardigd verrijkt ten koste van [eiseres] als erfgenaam en is [gedaagde 2] ook op die grond gehouden deze schade te vergoeden. Zij heeft de schade als volgt toegelicht:
Kort nadat [gedaagde 2] zich als gemachtigde van de bankrekening van [erflaatster] had laten registreren, is in de periode van 14 april 2017 tot 26 januari 2018 (de datum van de blokkering van de rekening door ING) steeds met de tweede bankpas in totaal een bedrag van € 312.600,72 afgeboekt of opgenomen. Het gaat concreet om de volgende bedragen:
- € 158.250 aan pinbetalingen en opnames bij een kantoor van ING;
- € 42.442,83 aan betalingen bij betaalautomaten in onder meer kledingwinkels, schoenenwinkels, woonwinkels, dierenwinkels, scooterzaken, autozaken, juweliers en supermarkten;
- € 111.907,89 aan overschrijvingen aan derden, waaronder een tweetal overschrijvingen van € 50.000 aan mevrouw [naam 4] .
Na de deblokkering van de rekening zijn er in de periode van 31 januari 2018 tot aan het overlijden van [erflaatster] op [overlijdensdatum] 2020 weer opnames en pinbetalingen met de tweede bankpas van de bankrekening van [erflaatster] verricht. Deze stroken ook niet met het uitgavenpatroon dat [erflaatster] voorafgaand aan de volmachtverlening had. Met deze transacties is in totaal een bedrag van € 32.671,34 gemoeid.
In de periode na het overlijden van [erflaatster] op [overlijdensdatum] 2020 zijn er weer opnames en pinbetalingen met de tweede bankpas van de bankrekening van [erflaatster] verricht, in totaal voor een bedrag van € 4.703,08.
[gedaagde 2] heeft de gestelde opnames en betalingen als zodanig niet betwist. Wel betwist zij dat zij hierdoor ongerechtvaardigd is verrijkt. Hiertoe heeft zij onder meer aangevoerd dat (ook) uitgaven zijn gedaan ten behoeve van [erflaatster] zelf of ter afbetaling van haar schulden. Dit heeft zij – in reactie op de stellingen van [eiseres] – als volgt toegelicht.
Er is ter aflossing van een schuld van [erflaatster] aan een mevrouw uit België in verband met een lening voor een winkel in België in totaal een bedrag van € 175.000 contant opgenomen, onder andere via twee overboekingen van € 50.000 naar de rekening van [naam 4] . Om die reden zijn er in 2018 zoveel contante opnames geweest. Dit bedrag van € 175.000 is overhandigd aan deze Vlaamse mevrouw tijdens een afspraak die daartoe bij [gedaagde 2] thuis was gemaakt. De naam en het telefoonnummer van deze mevrouw stonden in een blauw boekje. [gedaagde 2] heeft de mevrouw een overeenkomst betreffende de ontvangst van betaling laten tekenen en deze heeft zij bij haar thuis in de kluis gelegd. Helaas is [gedaagde 2] op 4 oktober 2020 bij haar thuis gewapend overvallen, waarbij zij onder druk van overvallers de gehele inhoud van de kluis heeft moeten afstaan. Om die reden heeft [gedaagde 2] het blauwe boekje en de overeenkomst van ontvangst van betaling niet meer.
Het gepinde bedrag van € 796,99 (MM, 23 sub b dagvaarding) betreft kleding die [gedaagde 2] voor haar moeder heeft gekocht, net als alle overige onder 23 van de dagvaarding genoemde aankopen bij kledingzaken en schoenenzaken. Het gepinde bedrag van € 455 ( [naam GSM-winkel] , 23 sub c dagvaarding) betreft een telefoon voor [erflaatster] .
De bedragen die zijn overgemaakt aan een advocaat, incassobureaus, gerechtsdeurwaarders en het CJIB zijn ten behoeve van [erflaatster] verricht. De advocaat heeft [gedaagde 2] moeten inschakelen om ervoor te zorgen dat de koop van een appartement door haar moeder niet doorging. Er zijn kosten van incassobureaus en gerechtsdeurwaarders gemaakt, omdat [erflaatster] schulden had, te weten een telefoonrekening en niet-betaalde kleding. Ook had [erflaatster] bekeuringen gekregen van het CJIB omdat haar auto niet verzekerd was.
Wat betreft de overige bedragen die aan de rekening van [erflaatster] zijn onttrokken heeft [gedaagde 2] gesteld dat [erflaatster] schenkingen heeft gedaan aan [gedaagde 2] en haar familie. Zo mocht [gedaagde 2] van [erflaatster] mooie spullen voor zichzelf kopen, haar huis laten opknappen, nieuwe inboedelgoederen kopen, en mocht [gedaagde 2] dochter een scooter kopen en [gedaagde 2] partner een nieuwe auto.
bewijslevering
Voor deze ‘schenkingen’ staat vast die niet aan [erflaatster] ten goede zijn gekomen, maar aan [gedaagde 2] en of haar familieleden. Deze schenkingen moeten dan ook als schade worden aangemerkt en in de schadeberekening worden betrokken. [gedaagde 2] is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, door deze schenkingen (wat haarzelf aangaat) ongerechtvaardigd verrijkt.
Dan resteren nog de uitgaven die volgens [gedaagde 2] ten behoeve van [erflaatster] zelf of ter afbetaling van haar schulden zijn gedaan. Zoals ook in het tussenvonnis van 15 november 2023 onder 5.21. is overwogen, bevindt de informatie die nodig is om te bepalen in hoeverre deze opnames en betalingen aan [erflaatster] ten goede zijn gekomen, zich uitsluitend in het domein van [gedaagde 2] , aangezien zij de betalingen heeft uitgevoerd en als enige in staat is om daarop een toelichting te geven die aanknopingspunten geeft voor de bewijslevering. De rechtbank heeft overwogen dat om die reden op grond van eisen van redelijkheid en billijkheid de bewijslast moet worden omgekeerd, in die zin dat [gedaagde 2] haar stelling dient te bewijzen dat de opnames en betalingen die zijn verricht gedurende de periode dat [erflaatster] niet wilsbekwaam was ten goede zijn gekomen aan laatstgenoemde.
Dat betekent dat deze bewijslevering door [gedaagde 2] nu aan de orde is. [gedaagde 2] zal dan ook in de gelegenheid worden gesteld om bewijs te leveren van haar stelling dat de opnames en betalingen bedoeld in 3.11.1 tot en met 3.11.3 hiervoor, die zijn verricht gedurende de periode dat [erflaatster] niet wilsbekwaam was, ten goede zijn gekomen aan laatstgenoemde. Daarbij zal zij, voor zover zij dat nog niet heeft gedaan, ook moeten specificeren tot welk bedrag betalingen aan [erflaatster] ten goede zijn gekomen.
Na de bewijslevering zal worden beoordeeld in hoeverre bepaalde bedragen op het gestelde schadebedrag van € 349.975,14 in mindering moeten worden gebracht. Daarnaast moeten partijen zich na de bewijslevering ook nog uitlaten over hetgeen de rechtbank onder 5.22. van het tussenvonnis van 15 november 2023 heeft overwogen, te weten dat het de rechtbank voorkomt dat te zijner tijd bij berekening van de schade rekening zal moeten worden gehouden met de legitieme portie van [gedaagde 2] en met het effect van de erfbelasting op de aanspraken van [eiseres] .
In het tussenvonnis van 15 november 2023 heeft de rechtbank al geoordeeld dat de opnames en betalingen die [gedaagde 2] van de bankrekening van [erflaatster] in de periode na haar overlijden heeft gedaan, onrechtmatig waren, en dat het daarmee gemoeide bedrag van € 4.703,08, in ieder geval toewijsbaar is jegens [gedaagde 2] . De rechtbank merkt daarbij op dat ook bij deze schadepost nog rekening zal moeten worden gehouden met hetgeen hiervoor onder 3.16 is overwogen.
vorderingen tegen ING
toetsingskader / zorgplicht
Op banken rust een bijzondere zorgplicht vanwege hun maatschappelijke functie en omdat zij bij uitstek beschikken over deskundigheid die anderen missen. Hoever die zorgplicht in een specifieke situatie reikt, is afhankelijk van alle omstandigheden van het geval. In dit geval gaat het om de rol van de bank als betaaldienstverlener, waarbij de bank erop toeziet dat er op de bij haar aangehouden bankrekeningen geen activiteiten plaatsvinden die een financieel gevaar vormen voor rekeninghouders (zoals [erflaatster] ) of derden. Als ING wetenschap heeft van of serieuze aanwijzingen voor onregelmatigheden, zal zij tot actie moeten overgaan. De bank moet dan onderzoek doen en adequate maatregelen treffen. Dit wordt het subjectief gevaarsbewustzijn genoemd, wat wil zeggen dat het enkel ‘behoren te weten’ niet genoeg is om in te moeten grijpen.
opnames voor blokkering rekening
De rechtbank oordeelt dat ING niet toerekenbaar tekort is geschoten in haar zorgplicht jegens [erflaatster] bij het verlenen van de volmacht door [erflaatster] aan [gedaagde 2] . In het tussenvonnis van 15 november 2023 heeft de rechtbank al (voorlopig) geoordeeld dat ING onvoldoende reden had om aan de geldigheid van de volmacht te twijfelen voordat zij de rekening van [erflaatster] op 26 januari 2018 blokkeerde. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“De enkele omstandigheid dat ING [erflaatster] bij afgifte van de volmacht in april 2017 niet bij haar op kantoor heeft uitgenodigd rechtvaardigt niet het aannemen van een schadevergoedingsplicht wegens schending van de zorgplicht, alleen al omdat gesteld noch gebleken is dat een leek gedurende een kort onderhoud op kantoor al had kunnen vaststellen dat sprake was van wilsonbekwaamheid.”
In hetgeen [eiseres] heeft aangevoerd, ook in haar conclusie na deskundigenbericht, ziet de rechtbank geen aanleiding om hierover anders te oordelen. Het feit dat ING mogelijk haar eigen interne werkinstructie niet volledig heeft gevolgd, althans nu niet meer kan aantonen dat zij dit wel heeft gedaan, maakt dat niet anders.
opnames na blokkering rekening
De rechtbank oordeelt dat ING ook niet toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar zorgplicht jegens [erflaatster] wat betreft de (de)blokkering van de rekening van [erflaatster] . ING heeft na het constateren van het opmerkelijke recente uitgavenpatroon van [erflaatster] namelijk een passende maatregel genomen, door de rekening van [erflaatster] (tijdelijk) te blokkeren en haar per brief van haar constatering op de hoogte te stellen. Daarbij heeft ING [erflaatster] uitgenodigd langs te komen op kantoor om de recente uitgaven met haar te bespreken en na te gaan of deze bij haar bekend zijn, met de mededeling dat, als zij daartoe niet in staat is, zij ING ook telefonisch hierover kon bereiken. Vervolgens heeft ING na verloop van vijf dagen de blokkering weer opgeheven.
Hoewel ING niet meer uit haar dossier kan afleiden of, en zo ja hoe, [erflaatster] op deze brief heeft gereageerd, kan niet worden gezegd dat ING met het opheffen van de blokkade onzorgvuldig heeft gehandeld. ING acht het (het meest) waarschijnlijk dat [erflaatster] heeft laten weten dat blokkering niet nodig was. Dit vermoeden wordt bevestigd door [gedaagde 2] , die – onweersproken – heeft gesteld dat [erflaatster] telefonisch contact met ING heeft opgenomen, waarna de vraagtekens bij ING weg waren en de blokkering niet langer nodig was. Ook al zou een reactie van de kant van [erflaatster] echter zijn uitgebleven, dan nog blijft overeind dat ING aan haar waarschuwingsplicht had voldaan en geen aanleiding had om te veronderstellen dat die waarschuwing niet was ontvangen. Dat ING de rekening na enkele dagen weer heeft gedeblokkeerd kan haar dan ook niet worden tegengeworpen.
Met een en ander heeft ING voldoende zorgvuldig en in het belang van haar rekeninghouder gehandeld. Zij heeft [erflaatster] als rekeninghouder geïnformeerd over de ongebruikelijke betalingen en haar daarmee in staat gesteld om zo nodig maatregelen te nemen. Daarmee heeft ING aan haar informerings- en waarschuwingsplicht voldaan. Verder strekte de zorgplicht van ING niet. Voor ING bestond geen aanleiding om aan de wilsbekwaamheid van [erflaatster] te twijfelen. Van een weigeringsplicht van ING, in die zin dat zij niet zonder nadere maatregelen te treffen de rekening mocht deblokkeren, was geen sprake. De opmerkelijke betalingen waren immers niet van dien aard dat ING zonder meer moest aannemen dat misbruik van de rekening werd gemaakt, en van ING kon geen verdergaande analyse of onderzoek naar de rekening worden gevergd.
De slotsom van het voorgaande is dat ING niet haar zorgplicht heeft geschonden, zodat de vorderingen tegen ING bij eindvonnis zullen worden afgewezen.
Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
4. De beslissing
De rechtbank
in conventie
laat [gedaagde 2] toe te bewijzen dat en voor welk bedrag de opnames en betalingen bedoeld in 3.11.1 tot en met 3.11.3 hiervoor, die zijn verricht gedurende de periode dat [erflaatster] niet wilsbekwaam was, ten goede zijn gekomen aan [erflaatster] ,
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 10 september 2025 voor uitlating door [gedaagde 2] of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
bepaalt dat, als [gedaagde 2] geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, [gedaagde 2] die stukken dan direct in het geding moet brengen,
bepaalt dat, als [gedaagde 2] getuigen wil laten horen, zij de getuigen en de verhinderdata van de partijen en hun advocaten (en, zo mogelijk, de getuigen) in de maanden oktober 2025 tot en met december 2025 dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. S.P. Pompe in het gerechtsgebouw te Amsterdam, Parnassusweg 280,
bepaalt dat [gedaagde 2] uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moet toesturen,
in conventie en in reconventie
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.P. Pompe rechter, en in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op 13 augustus 2025.