RECHTBANK AMSTERDAM
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/13/771014 / JE RK 25-439
Datum uitspraak: 25 augustus 2025
Beschikking van de kinderrechter over een schriftelijke aanwijzing
in de zaak van
[de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] ,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
de gecertificeerde instelling JEUGDBESCHERMING REGIO [locatie], gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met drie produkties, ontvangen op 13 juni 2025;
een verweerschrift met vijf bijlagen, ontvangen op 6 augustus 2025.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat mr. F.R.G. Drenth uit Amersfoort;
- mevrouw [naam 1] , namens de GI.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 juli 2024 [minderjarige] onder toezicht gesteld en een machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] voor verblijf in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend. De ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing zijn nadien verlengd en lopen tot 11 juli 2026.
[minderjarige] verblijft in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Zij is begin mei 2025 overgeplaatst naar de [trajectgroep] ( [trajectgroep] ) van Levvel.
Op 2 mei 2025 heeft de GI een aankondiging tot schriftelijke aanwijzing aan de moeder gedaan, waarin het volgende is opgenomen:
- u geeft inzicht over de wachttijd van [zorginstelling 1] en werkt mee met forensische individuele behandeling voor uzelf.- u gaat in gesprek met Levvel om de samenwerking te verbeteren en u laat u niet meer negatief uit over de hulpverlening van [minderjarige] .- u werkt mee met een aanmelding voor intensieve behandeling aan huis zoals MST van [zorginstelling 2] .
Moeder heeft geen zienswijze over deze aankondiging ingediend.
Op 30 mei 2025 heeft de GI, in navolging van de aankondiging van 5 mei 2025, een schriftelijke aanwijzing aan moeder gegeven. Hierin is het volgende opgenomen:
- u geeft binnen twee weken inzicht over de wachttijd van [zorginstelling 1] , over het hulpverleningstraject en werkt u mee aan forensische individuele behandeling voor uzelf;- u neemt binnen vijf werkdagen contact op met Levvel om een afspraak te maken voor een herstelgesprek. Dit herstelgesprek wordt binnen twee weken gepland. Daarna werkt u mee aan het vervolgtraject vanuit de hulpverlening van Levvel;- u laat zich niet negatief uit over de hulpverlening in aanwezigheid van [minderjarige] .- u laat binnen de gestelde termijnen weten welke stappen u heeft ondernomen om aan bovenstaande te voldoen, dit doet u telefonisch of via de mail.
3. Het verzoek
De moeder verzoekt de schriftelijke aanwijzing van de GI geheel, dan wel gedeeltelijk vervallen te verklaren en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De moeder heeft haar verzoek als volgt onderbouwd.
De schriftelijke aanwijzing is niet zorgvuldig tot stand gekomen. In de vooraankondiging staan andere eisen dan in de aanwijzing zelf. Zo wordt in de vooraankondiging niet aangegeven dat moeder binnen vijf dagen met Levvel een afspraak moet maken. Er wordt niet aangegeven dat moeder zich niet negatief moet uiten over de hulp in het bijzijn van [minderjarige] en er wordt niet aangegeven dat ze binnen twee weken moet informeren over [zorginstelling 1] en dat dat via de e-mail moet. Wel staat er dat de moeder moet meewerken een intensieve MST behandeling van [zorginstelling 2] , maar dit staat niet in de uiteindelijke aanwijzing. Doordat er in de vooraankondiging iets anders staat dan in de aanwijzing, wordt niet voldaan aan het zorgvuldigheidscriterium. De aanwijzing dient daarom vervallen te worden verklaard. Ook is de motivering in de vooraankondiging anders dan in de uiteindelijke aanwijzing en er wordt niet uitgelegd waarom de aanwijzing en motivering zijn gewijzigd. Dit vormt een motiveringsgebrek. De moeder verzoekt daarom de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren. Inhoudelijk heeft moeder naar voren gebracht dat zij zich had aangemeld bij [zorginstelling 1] , maar dit niet bij haar vond passen; zij had geen klik met de behandelaars, zij voelde zich genegeerd en zonder diagnose weggezet als emotioneel instabiel. Samen met de praktijkondersteuner van de huisarts is besloten een ander hulptraject te zoeken. Moeder is daar nog mee bezig. Verder spreekt moeder niet negatief over de hulpverlening in het bijzijn van [minderjarige] . Dit is slecht een aanname van JBRA en een aanname is niet voldoende om tot een schriftelijke aanwijzing te komen. [minderjarige] heeft zich wel bij moeder negatief geuit over de medewerkers van Levvel. De moeder heeft dit aan Levvel doorgegeven en gaat met Levvel in gesprek. Het is moeders recht om voor [minderjarige] op te komen en zonodig een klacht in te dienen. Een schriftelijke aanwijzing gericht op een herstelgesprek met Levvel is overbodig, aangezien de moeder als in gesprek gaat.
4. Het verweer
De GI verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek dan wel haar verzoek af te wijzen. De GI heeft aangevoerd dat de schriftelijke aanwijzing noodzakelijk was om de doelen van de ondertoezichtstelling te bereiken en dat deze schriftelijke aanwijzing voldoende zorgvuldig is voorbereid, zodat deze in stand zou moeten blijven. Er zijn geen wezenlijke, voor de moeder bezwaarlijke, verschillen tussen de inhoud van de vooraankondiging en die van de schriftelijke aanwijzing, zodat de aanwijzing niet om die reden vervallen zou moeten worden verklaard. In de aanwijzing is opgenomen dat de moeder moet laten weten hoe ze aan de aanwijzing uitvoering heeft gegeven. Dit staat niet in de aankondiging. Dit is een ondergeschikte uitbreiding. De schriftelijke aanwijzing kan op dit punt in stand blijven. In de vooraankondiging is ook aangegeven dat moeder moet meewerken aan een aanmelding voor intensieve behandeling aan huis zoals MST van [zorginstelling 2] . Dit komt in de uiteindelijke aanwijzing niet terug. Nadat de aankondiging was verzonden bleek namelijk dat [zorginstelling 2] niet bereid was deze hulp te bieden aan iemand die daarvoor niet gemotiveerd is. Het had dus geen zin om moeder op dit punt een schriftelijke aanwijzing te geven: bij gebrek aan motivatie aan de kant van moeder zou de hulp uiteindelijk immers toch niet zijn gestart. Om die reden is deze opdracht niet in de uiteindelijke SA opgenomen.
Er is sprake van serieuze problematiek bij de moeder. Zij heeft zich, toen [minderjarige] nog thuis woonde, regelmatig gewelddadig tegen [minderjarige] gedragen. [zorginstelling 3]
heeft ook zorgen over de emotionele en fysieke beschikbaarheid van moeder. In de beschikking van de rechtbank van 26 november 2024 wordt benoemd dat het van belang is dat de moeder individuele therapie krijgt en dat er vervolgens systeemtherapie wordt ingezet. Acht maanden later is die individuele therapie nog altijd niet van de grond gekomen ondanks dat de GI hierop aandringt en moeder heeft verwezen naar specialistische instanties. De GI maakt uit de houding van moeder op dat de moeder niet open staat voor hulpverlening om aan de problematiek te werken. Hierdoor komen de doelen van de ondertoezichtstelling in de knel.
Daarnaast moet bij Levvel een herstelgesprek plaatsvinden. De moeder stelt in haar verzoekschrift dat zij al in gesprek is met Levvel, maar geeft dit is enkel een klachtgesprek betreft. Dit gesprek is er dus op gericht dat de moeder haar ongenoegen kan uiten, en niet gericht op het tot stand brengen van een hulpverleningsrelatie.
Ook is in de schriftelijke aanwijzing opgenomen dat de moeder zich niet negatief over de hulpverlening moet uiten in het bijzijn van [minderjarige] , want door dergelijke uitlatingen wilde [minderjarige] niet meer in contact met haar eerdere trajectbegeleider [naam 2] . Het lukte Levvel niet om een bemiddelingsgesprek tussen [naam 2] en de moeder te organiseren, omdat de moeder steeds niet kon afspreken. Begin mei 2025 is [minderjarige] overgeplaatst naar de [trajectgroep] ( [trajectgroep] ). Een andere trajectbegeleider heeft de begeleiding overgenomen om stagnatie in het traject van [minderjarige] te voorkomen. Vervolgens heeft de moeder van [minderjarige] een klacht ingediend tegen de mentor van [minderjarige] . Hij zou een opmerking hebben gemaakt tegen [minderjarige] , die moeder grensoverschrijdend vond. Enige tijd later uit moeder opnieuw telefonisch haar onvrede bij de groep omdat de mentor een vervelende opmerking zou hebben gemaakt. De klachten worden door Levvel afgehandeld, maar duidelijk is voor de GI dat dit allemaal niet het belang van [minderjarige] dient. De medewerkers zijn er voor [minderjarige] en niet voor de moeder, maar door het gedrag van moeder stagneert de hulpverlening aan [minderjarige] .
Verder krijgt de GI van de moeder geen gehoor op verzoeken om inzicht te geven over haar behandeling, haar mening over de ondertoezichtstelling en andere zaken. Alleen wanneer er gezamenlijke overleggen zijn met andere hulpverlening sluit zij aan met de GI. Op andere verzoeken om met de GI in gesprek te gaan reageert zij niet. Ook wil de moeder niet meewerken met de hulpverlening die door zowel [zorginstelling 3] , Crisisgroep het Rijk en de GI zijn geadviseerd.
5. De standpunten
De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling gepersisteerd bij haar verzoek. Allereerst heeft mr. Drenth opgemerkt dat het contact tussen de moeder en [minderjarige] goed gaat. In overleg met de groep van [minderjarige] zijn afspraken gemaakt wanneer [minderjarige] en moeder elkaar bezoeken.
Vervolgens heeft mr. Drenth ter toelichting op het verzoek verklaard dat het traject van [zorginstelling 1] niet bij de moeder aansluit. Zij is bereid om hulp, ook voor haarzelf, te aanvaarden. Zij is sinds april 2025 in gesprek met de praktijkondersteuner van de huisarts over wat bij haar behoeften aansluit. Hier is nog niets concreets uitgekomen. De praktijkondersteuner heeft een aantal psychologen praktijken voor de moeder op een briefje geschreven. Het is de moeder nog niet gelukt om behandeling aan te gaan omdat zij zich in een hectische periode bevond. Zij heeft twee keer haar baan verloren, was werkzoekend en heeft al haar tijd aan haar [minderjarige] besteed. Het gaat nu heel goed met [minderjarige] . Daarom kan de moeder zich nu richten op werken, school en hulp voor haarzelf. De moeder erkent dat zij hulp nodig heeft.
De GI kan de moeder tegenwerpen dat zij meer moet aangeven wat zij wil, maar er is sprake van een slechte verstandhouding tussen de moeder en de GI. Op 4 september 2025 heeft de moeder een gesprek met de GI en [zorginstelling 4] (voorheen AKJ) om het vertrouwen tussen de moeder en de GI te kunnen herstellen.
Het is niet nodig om de moeder een schriftelijke aanwijzing te geven over dat zij zich niet negatief mag uitlaten over de hulpverlening in bijzijn van [minderjarige] , omdat [minderjarige] negatief is over de hulpverlening en de moeder alleen tegen de hulpverlening zegt wat [minderjarige] tegen haar heeft gezegd. Ook voor een herstelgesprek met Levvel is geen schriftelijke aanwijzing nodig. De moeder heeft op 20 juni 2025 een klachtgesprek met Levvel gehad dat ook als doel had om de relatie te herstellen. Als het nodig is, en moeder wordt daartoe uitgenodigd, wil de moeder meewerken aan verdere gesprekken met Levvel. Er zijn uitvoeringsoverleggen met Levvel waaraan de moeder deelneemt.
Dus naast dat de moeder stelt dat de schriftelijke aanwijzing niet voldoet aan het noodzakelijkheidsvereiste is de schriftelijke aanwijzing niet proportioneel. De moeder vindt dat de schriftelijke aanwijzing onnodig escalerend werkt.
De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling in aanvulling op haar verweerschrift naar voren gebracht dat de schriftelijke aanwijzing is bedoeld om de moeder aan te sporen om hulp voor zichzelf aan te gaan, waarna systeemgesprekken kunnen starten en kan worden toegewerkt naar een thuisplaatsing van [minderjarige] . De moeder wil niet in gesprek met de GI om het contact met [minderjarige] te bespreken. Het is fijn dat het contact tussen de moeder en [minderjarige] beter gaat, maar daarvóór was er geen contact en [minderjarige] verblijft nu al lange tijd op de groep. Afgesproken is dat de moeder [minderjarige] twee keer per week bezoekt en dat de instelling het verloop daarvan terugkoppelt aan de GI. Officieel zou het bezoek in een schriftelijke aanwijzing moeten worden vastgelegd. Mogelijk dat dat nog gebeurt.
Het is nu vooral noodzakelijk dat de moeder aan zichzelf werkt. De GI wil daarover op de hoogte gehouden worden. Het is van belang dat de moeder hulpverlening krijgt van een erkende instantie die gespecialiseerd is in agressie- en emotieregulatie. De GI heeft de moeder in het verleden hulp in de vorm van [zorginstelling 1] , [zorginstelling 5] en MST aangeboden, maar zij heeft daarop niet gereageerd of gaf aan geen tijd te hebben wegens werk en een opleiding.
Om te gaan praten over een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder is het nodig dat de moeder meewerkt met de GI en inzicht geeft in de thuis- en opvoedsituatie. Daar is de schriftelijke aanwijzing op gericht.
In het contact met Levvel verwacht de GI van de moeder dat zij geen negatieve dingen zegt over de groep in bijzijn van [minderjarige] om te voorkomen dat er stagnatie van de begeleiding en behandeling van [minderjarige] plaatsvindt. [minderjarige] moet van de moeder de ruimte krijgen om zich bij haar over de groep te uiten en dan is het aan de moeder om het daarbij te laten. De gedachte achter de aanwijzing is dat er samenwerking is tussen Levvel, [minderjarige] en de moeder en dat kan worden gewerkt aan haar terugplaatsing bij de moeder.
Het bemiddelingsgesprek tussen de GI, [zorginstelling 4] en de moeder op 4 september 2025 is gepland, omdat de moeder haar beklag over de werkwijze van de gezinsmanager heeft gedaan.
6. De beoordeling
Op grond van artikel 1:263 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de GI, ter uitvoering van haar taak, schriftelijk aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarigen. Zij kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder of de minderjarige niet instemmen met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 4.1.3 lid 1 Jeugdwet of indien dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen. Deze beslissing geldt als een schriftelijke aanwijzing. Op grond van artikel 1:264 BW kan een met het gezag belaste ouder verzoeken een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren.
De kinderrechter stelt vast dat de moeder het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing op tijd heeft ingediend. De moeder kan daarom in het verzoek worden ontvangen.
De GI is een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 aanhef onder a van de Algemene Wet Bestuursrecht (hierna: Awb), zodat de schriftelijke aanwijzing van de stichting een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb is. Dit betekent dat voldaan moet worden aan de eisen van een zorgvuldige voorbereiding en een deugdelijke motivering. Wat de inhoudelijke toets betreft, dient beoordeeld te worden of de GI in redelijkheid tot de schriftelijke aanwijzing heeft kunnen komen en of de schriftelijke aanwijzing in het belang van de minderjarige kan worden geacht.
Zorgvuldigheidstoets
Anders dan de advocaat heeft bepleit, ziet de kinderrechter geen onzorgvuldigheid in de totstandkoming van de schriftelijke aanwijzing. Dat in de uiteindelijke aanwijzing een enkel onderdeel is komen te vervallen, is -in het licht van de motivering van de GI ter zitting- eerder zorgvuldig dan onzorgvuldig. Ook is de moeder hierdoor niet in haar belangen geschaad. Dat de GI voor de volledigheid een reactietermijn heeft opgenomen in de uiteindelijke aanwijzing, acht de kinderrechter evenmin in strijd met de zorgvuldigheid. Daarbij geldt dat de moeder in het geheel niet had gereageerd op de aan haar verstuurde aankondiging van de schriftelijke aanwijzing.
Inhoudelijke toets De kinderrechter zal, gelet op de gronden van het verzoek van de moeder, hieronder voor elk onderdeel van de schriftelijke aanwijzing beoordelen of de GI in redelijkheid tot de schriftelijke aanwijzing heeft kunnen komen en of de schriftelijke aanwijzing in het belang van [minderjarige] kan worden geacht.
U geeft binnen twee weken inzicht over de wachttijd van [zorginstelling 1] , over het
hulpverleningstraject en werkt u mee aan forensische individuele behandeling voor
uzelf Uit de stukken in het dossier met betrekking tot de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing blijkt dat het noodzakelijk is dat de moeder aan haar emotie -en agressieregulatie gaat werken en een veilige thuissituatie voor [minderjarige] gaat creëren om zodoende toe te kunnen werken naar een thuisplaatsing van [minderjarige] . Uit signalen, verklaringen en meldingen in het verleden is gebleken dat de moeder geweld heeft gebruikt tegen [minderjarige] . Dit mag in de toekomst niet meer gebeuren. De GI heeft, op basis van adviezen van deskundigen, voldoende gemotiveerd dat noodzakelijk is dat de moeder in dit verband een (forensische) behandeling aangaat. Een dergelijke behandeling zal de moeder helpen haar emoties beter te reguleren. De kinderrechter verwacht dat zij hier baat bij zal hebben en dat is in het belang van een stabiele opvoeding van [minderjarige] .
De noodzaak van een individuele forensische behandeling van de moeder, heeft de GI van meet af aan met de moeder gecommuniceerd en de GI heeft daarbij veel geduld betracht; de moeder is maanden lang in de gelegenheid gesteld om een eigen therapeut te zoeken. De GI kon dan ook in redelijkheid overgaan tot een schriftelijke aanwijzing. Immers, zolang de moeder dit niet oppakt, kunnen de doelen van de ondertoezichtstelling onvoldoende worden gerealiseerd. Dit geldt niet alleen voor een mogelijke thuisplaatsing, maar het geldt ook voor de systeemtherapie. Deze therapie is in het belang van [minderjarige] omdat een dergelijke therapie zich richt op de interactie tussen de moeder en [minderjarige] en deze interactie gaat met pieken en dalen. De therapie zal echter niet kunnen worden opgestart, zolang [minderjarige] en haar moeder niet met zichzelf aan de slag zijn gegaan. Ook dat heeft de GI al bij aanvang van de uithuisplaatsing, na adviezen van Het Rijk en [zorginstelling 3] , in het kader van de ondertoezichtstelling aan de moeder kenbaar gemaakt.
Het is de kinderrechter helder dat de moeder van goede wil is, maar het lukt haar tot nu toe om persoonlijke en praktische redenen niet om de behandeling voor zichzelf aan te gaan. In het belang van [minderjarige] is het belangrijk dat zij hier spoedig wel toe overgaat. De kinderrechter heeft daarbij begrip voor de lastige persoonlijke situatie van de moeder en de trauma’s die zij zelf heeft. Mogelijk maakt dat ook dat de moeder het lastig vindt om een behandeling aan te gaan. Het is echter evident dat er nu geen tijd meer verloren mag gaan. [minderjarige] is inmiddels ruim een jaar uithuisgeplaatst. Zij is 16,5 jaar oud. De moeder is een van de belangrijkste personen in het leven van [minderjarige] en het ligt mede in haar handen welke route [minderjarige] in de toekomst opgaat. Daarom is het zo belangrijk dat de moeder op zeer korte termijn de voorgeschreven individuele behandeling aangaat bij een erkende behandelinstelling gespecialiseerd in agressie- en emotieregulatie. De GI mag daarbij van haar verwachten dat zij met de GI communiceert bij welke instelling zij het behandeltraject aangaat, zodat de GI dit kan betrekken bij het behalen van de doelen van de ondertoezichtstelling. Welke instelling dit wordt, is nu nog onduidelijk. De moeder staat op advies van de GI bij [zorginstelling 1] aangemeld. Daarnaast heeft de GI, vanwege wachtlijsten bij [zorginstelling 1] , de moeder reeds in maart 2025 gewezen op beschikbaarheid van behandeltrajecten bij [zorginstelling 5] . Hier heeft de moeder niets mee gedaan. Als zij niet naar [zorginstelling 1] wil, omdat zij daar geen klik voelt, geeft de kinderrechter haar mee om het advies voor een behandeling door [zorginstelling 5] ter harte te nemen en zich daar aan te melden. Ter zitting heeft de GI aanvullend naar voren heeft gebracht dat de moeder ook een behandeling bij een andere erkende instelling of therapeut kan ondergaan (zoals van het lijstje van de praktijkondersteuner), maar dat die behandelend therapeut wel gespecialiseerd moet zijn in agressie- en emotieregulatie.
Op grond van het voorgaande zal de kinderrechter de schriftelijke aanwijzing vervallen verklaren voor wat betreft het inzicht geven ‘in de wachtlijst bij [zorginstelling 1]’. Duidelijk is dat de moeder in het belang van [minderjarige] een individuele behandeling zal moeten aangaan, maar dit hoeft niet per se bij [zorginstelling 1] , maar kan ook bij een andere erkende, in emotie- en agressieregulatie gespecialiseerde, hulpverlener. Daarmee blijft de schriftelijke aanwijzing wel in stand voor wat betreft de aanwijzing dat moeder binnen twee weken inzicht zal geven in het hulpverleningstraject en meewerkt aan forensische individuele behandeling voor haar zelf. De termijn van twee weken is, gezien de ruime tijd die de moeder al heeft gekregen om een behandeltraject te starten, niet onredelijk. De kinderrechter ziet de schriftelijke aanwijzing als noodzakelijk duwtje in de rug voor de moeder om, in het belang van [minderjarige] , haar eigen individuele behandeltraject daadwerkelijk te gaan opstarten.
U neemt binnen 5 werkdagen contact op met Levvel om een afspraak te maken
voor een herstelgesprek. Dit herstelgesprek wordt binnen twee weken gepland.
Daarna werkt u mee aan het vervolgtraject vanuit de hulpverlening van Levvel.
De moeder wil heel graag dat [minderjarige] weer thuis komt wonen. De GI heeft aangegeven dat de ondertoezichtstelling nog steeds (mede) als doel heeft om een thuisplaatsing te kunnen realiseren. Het doel wat de moeder en de GI voor ogen hebben is dus hetzelfde. De kinderrechter hoopt dat de moeder de kracht bij zichzelf kan vinden om met de GI samen te werken om dat doel te bereiken. Daarnaast is een goede samenwerking tussen moeder de Levvel belangrijk. Door vanuit negatieve emotie en wantrouwen op hulpverlening van Levvel te reageren, worden de samenwerking bemoeilijkt en de verhoudingen op scherp gezet. Alhoewel de kinderrechter het standpunt van de GI begrijpt dat het indienen van klachten door de moeder niet bijdraagt aan een werkbare situatie, kan de moeder dat recht niet worden ontzegd. Het is voorstelbaar dat zij voor haar dochter wil opkomen en dat zij in een lastige positie wordt gebracht als [minderjarige] zich bij haar beklaagt. De kinderrechter hoopt wel dat de moeder inziet dat het niet in het belang is van [minderjarige] als zij steeds in de clinch ligt met de groepsleiding, de trajectbegeleider of de mentor van Levvel. Als er continu brandjes moeten worden geblust, kost dat alleen maar tijd en negatieve energie. Het zou mooi zijn als het de moeder lukt om de krachten met de GI en Levvel te bundelen, zodat er resultaat geboekt kan worden voor [minderjarige] . Een herstelgesprek met Levvel vindt de kinderrechter dan ook erg belangrijk. De moeder en Levvel moeten aan [minderjarige] laten zien dat zij kunnen samenwerken om onder regie van de GI voor [minderjarige] een mooi toekomstpad uit te stippelen. De schriftelijke aanwijzing blijft voor wat betreft het plannen van het herstelgesprek dan ook in stand.
De kinderrechter zal de schriftelijke aanwijzing wel vervallen verklaren voor het onderdeel dat de moeder moet meewerken aan het vervolgtraject vanuit de hulpverlening van Levvel, nu de schriftelijke aanwijzing op dit punt onvoldoende is gemotiveerd en niet duidelijk is wat wel en niet van moeder wordt verwacht en waarop zij aangesproken kan worden.
U laat zich niet negatief uit over de hulpverlening in aanwezigheid van [minderjarige] .
De kinderrechter zal dit onderdeel vervallen verklaren, omdat dit onderdeel niet deugdelijk is gemotiveerd en onduidelijk is wat de GI hier precies onder verstaat, nu concrete en verifieerbare voorbeelden (anders dan ingediende klachten) ontbreken. De kinderrechter geeft de moeder wel mee dat het weliswaar begrijpelijk is dat zij [minderjarige] steunt, maar dat zij daarbij steeds haar eigen emoties onder controle zal moeten houden en voor ogen moet houden of haar reactie [minderjarige] verder helpt in haar behandeling en vertrouwensrelatie met hulpverleners. De geadviseerde individuele therapie zal de moeder hier naar verwachting ook bij kunnen helpen en haar hiervoor handvatten kunnen aanreiken.
U laat binnen de gestelde termijnen weten welke stappen u heeft ondernomen
om aan bovenstaande te voldoen, dit doet u telefonisch of via de mail
( [e-mailadres] - [telefoonnummer] ).
Gelet op de andere onderdelen van de aanwijzing, kan de GI dit onderdeel van de schriftelijke aanwijzing in alle redelijkheid aan de moeder opleggen.
Concluderend zal de kinderrechter het verzoek van de moeder tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing gedeeltelijk toewijzen en voor het overige afwijzen.
7. De beslissing
De kinderrechter:
wijst het verzoek gedeeltelijk toe en verklaart de schriftelijke aanwijzing vervallen voor wat betreft de onderdelen zoals onder rechtsoverweging 6 benoemd, waarmee de schriftelijke aanwijzing nu als volgt luidt:
- U geeft binnen twee weken inzicht over het hulpverleningstraject en werkt u mee aan forensische individuele behandeling voor uzelf;
- U neemt binnen 5 werkdagen contact op met Levvel om een afspraak te maken
voor een herstelgesprek. Dit herstelgesprek wordt binnen twee weken gepland.
- U laat binnen de gestelde termijnen weten welke stappen u heeft ondernomen
om aan bovenstaande te voldoen, dit doet u telefonisch of via de mail
( [e-mailadres] - [telefoonnummer] ).
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2025 door mr. A. van Luijck, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. W.J.A. van der Velde als griffier.