ECLI:NL:RBAMS:2025:7520

ECLI:NL:RBAMS:2025:7520, Rechtbank Amsterdam, 15-10-2025, C/13/769141 / HA ZA 25-1047

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 15-10-2025
Datum publicatie 09-12-2025
Zaaknummer C/13/769141 / HA ZA 25-1047
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 2 zaken
7 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 CELEX:31995L0046 CELEX:32012R1215 CELEX:32016R0679 EU:31995L0046 EU:32012R1215 EU:32016R0679

Samenvatting

Deponering van originelel van stukken waar eiser zich op beroept. Afgifte van bescheiden die geen rol spelen in deze procedure afgewezen. Vrijwaring derde partij toegestaan. Geeft geen aanleiding tot aanhouden hoofdzaak. Doorzoeken bewijsbeslag op elektronische media deels toegestaan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/769141 / HA ZA 25-1047

Vonnis in incident van 15 oktober 2025

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] , Verenigd Koninkrijk,

eiser in de hoofdzaak en in het incident ex artikel 194 jo. 195 Rv,

verweerder in de incidenten ex artikel 210, 224, 85 en 194 jo. 195 Rv,

advocaat mr. R.H.H. Vastmans te Gorinchem,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 1] B.V.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 2] B.V.,

beide gevestigd te [vestigingsplaats] ,

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagden in de hoofdzaak,

verweerders in het incident ex artikel 194 jo. 195 Rv,

eisers in de incidenten ex artikel 210, 224, 85 en 194 jo. 195 Rv,

advocaat mr. A.P. van Someren Gréve te Amsterdam,

4. niet langer betrokken bij deze procedure.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagden] worden genoemd.

1. Verloop van de procedure

Het verloop van de procedure tot op heden blijkt uit:

de dagvaarding, tevens houdende incidentele vordering ex artikel 194 jo. 195 Rv, van 24 april 2025, met producties,

de akte eiswijziging en indiening aanvullende producties, tevens houdende aanvullend bewijsaanbod van [eiser] ,

de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring ex art. 210 Rv, tevens incidentele conclusie houdende vordering tot zekerheidsstelling ex art. 224 Rv, tevens houdende incidentele vordering ex art. 85 lid 2 en 194 jo. 195 Rv, tevens voorwaardelijk verweer in het incident, met producties,

de conclusie van antwoord (in de incidenten, rechtbank), met producties, van [eiser] .

[eiser] heeft zijn eis tegen gedaagde sub 4 ingetrokken.

[eiser] heeft verzocht om een mondelinge behandeling in de incidenten ingesteld door [gedaagden] zodat [eisers' vader] aldaar fysiek zijn paspoort kan tonen. [gedaagden] hebben zich verzet tegen het bepalen van een mondelinge behandeling in de incidenten. Dit verzoek is afgewezen.

Vervolgens is vonnis in de incidenten bepaald.

2. De feiten voor zover in de incidenten van belang

[eiser] is de zoon van [eisers' vader] , een gepensioneerde vastgoedontwikkelaar en

-investeerder. [eisers' vader] en zijn holdingmaatschappij Needlebridge Proprietary Limited (hierna: Needlebridge), een rechtspersoon naar Australisch recht, hebben in de periode 15 september 2022 tot en met 26 september 2023 in totaal USD 307.180 overgemaakt op bankrekeningen van [gedaagde 1] B.V. (hierna: [gedaagde 1] ).

[gedaagde 2] B.V. (hierna: [gedaagde 2] ) is enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde 1] . [gedaagde 3] is enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde 2] .

In het handelsregister van de Kamer van Koophandel is opgenomen dat de handelsactiviteiten van [gedaagde 1] zijn:

groothandel in zuivelproducten en spijsoliën en -vetten,

groothandel in suiker, chocolade en suikerwerk,

groothandel in voedings- en genotmiddelen algemeen assortiment en

handel en distributie van grondstoffen en levensmiddelen.

[eiser] heeft tot zekerheid van zijn vorderingen in dit geschil conservatoir (derden)beslag gelegd ten laste van [gedaagden] onder verschillende banken en andere derden en op alle aandelen in het geplaatste kapitaal van [gedaagde 2] .

Voorts heeft [eiser] bewijsbeslag gelegd ten laste van [gedaagden]

De door de deurwaarder in beslag genomen bewijzen zijn in bewaring afgegeven aan DigiJuris B.V. te Nijkerk. Uit de overgelegde proces-verbalen van bewijsbeslaglegging volgt dat dit is gelegd op een iPhone 15 en een laptop MacBook Air van [gedaagde 3] , en verder dat een gegevensdrager aangetroffen op het kantoor van [gedaagde 1] door DigiJuris B.V. is gekopieerd.

3. Het geschil

In de hoofdzaak vordert [eiser] , na eiswijziging, hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van USD 307.180 en van een schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente. Kort samengevat stelt [eiser] in de hoofdzaak dat zijn vader [eisers' vader] en diens holdingmaatschappij Needlebridge voor ruim 2 miljoen Amerikaanse dollars hebben geïnvesteerd in goud uit Afrika, waarbij (een persoon die zich presenteerde als) [naam 1 voornaam - a] of [naam 1 voornaam - b] [naam 1] , advocaat te Ghana, een belangrijke contactpersoon was. [naam 1] heeft [eisers' vader] verteld dat betalingen aan [gedaagde 1] , gericht aan de personen [naam 2] en [naam 3] , noodzakelijk waren om een lading goud afgehandeld te krijgen door de Nederlandse douane. Achteraf is gebleken dat [eisers' vader] en Needlebridge slachtoffer zijn van een aanzienlijke wereldwijde zwendel en fraude in goudhandel. [gedaagden] heeft daarin een rol gespeeld. Het totaalbedrag dat Needlebridge en [eisers' vader] in privé hebben overgemaakt op de bankrekening(en) van (vooral) [gedaagde 1] dient te worden terugbetaald. Needlebridge en [eisers' vader] hebben hun vorderingen op [gedaagden] gecedeerd aan [eiser] , aldus [eiser] .

[eiser] vordert in het incident, na eiswijziging, [gedaagden] bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen:

primair

om toe te staan dat door de deurwaarder die het bewijsbeslag heeft gelegd, afschrift en inzage wordt verstrekt aan [eiser] van de bescheiden als vermeld in randnummer 5.7 (i) t/m (iv) van de dagvaarding;

subsidiair

om toe te staan en te gedogen dat een door de rechtbank aan te wijzen onafhankelijke deskundige al dan niet met hulp van een ICT-deskundige (i) inzage neemt in de door de deurwaarders uitgeselecteerde bescheiden waarop het beslag rust, (ii) bepaalt welke documenten aan de hiervoor onder randnummer 5.7 (i) t/m (iv) van de dagvaarding gegeven omschrijving voldoen en aldus ter zake doende documenten aan [eiser] ter beschikking stelt;

alles op straffe van een dwangsom van € 50.000 ineens, althans een in goede justitie te bepalen bedrag ineens, en € 10.000 voor iedere dag of deel daarvan dat deze verplichtingen niet volledig worden nagestreefd, te rekenen vanaf 7 dagen na betekening van dit vonnis, met een maximum van € 250.000;

met veroordeling van [gedaagden] in de kosten – inclusief de kosten van de inzage (kosten voor separatie van data) – van dit incident.

Randnummer 5.7 van de dagvaarding van [eiser] luidt:

“primair

i) De fysieke en/of digitale inkoop- en verkoopadministratie van [gedaagde 1] over de periode augustus 2022 (een maand voor eerste betaling, zie randnummer 2.84-2.86) tot en met oktober 2023 (een maand na de laatste betaling, zie randnummer 2.150-152) aangaande specifiek de door [gedaagde 1] van Needlebridge en [eiser] ontvangen betalingen en met name ook de boekhoudkundige verantwoording van die betalingen zoals blijkt uit de administratie (waaronder grootboekkaarten en relevante posten), met inbegrip van de bankafschriften van de ABN AMRO-rekening van [gedaagde 1] over voornoemde periode, als aangetroffen op de adressen [adres 1] en [adres 2] , dan wel als aangetroffen op de zaken (elektronische gegevensdragers) als hierna vermeld onder (ii);

ii) Alle op de adressen [adres 1] en [adres 2] aangetroffen (PGP-)Telefoons, laptops, desktops houdende: De digitale inkoop- en verkoopadministratie als voormeld onder (i) alsmede E-mail-, Telegram-, WhatsApp-, Signal- SMS- en/of PGP-berichten van [gedaagde 1] en/of [gedaagde 3] c.s., voor zover mogelijk in de status zoals deze waren omstreeks de data waarop de overboekingen door [eiser] zijn gedaan, houdende (zichtbare of verwijderde (onzichtbare)) communicatie met de trefwoorden: “Needlebridge”, “ [eisers' vader voornaam] ”, “ [eisers' vader] ” “ [naam 1 voornaam - a] ”, “ [naam 1 voornaam - b] ”, “ [naam 1] ”, “ [voornaam 1a] ”, “ [voornaam 1b] ”, “ [voornaam 2] ”, “ [voornaam 3] ”, “ [naam 4 voornaam] ”, “ [naam 4] ”, ‘ [voornaam 4] ”, “ [voornaam 5] ”, “ [voornaam 6] ”, “ [voornaam 7] ”, “ [voornaam 8] ”, “ [naam 5 voornaam] ”, “ [naam 5] ”, “Ghana’, “Sierra Leone”, “Australia”, “ [naam 2] ”, “ [naam 3] ”;

alsmede; althans (slechts) subsidiair:

iii) Enkel de bankafschriften van de ABN AMRO-rekening van [gedaagde 1] over de hierboven onder 5.7 (i) bedoelde periode waarin de twaalf betalingen zijn voldaan alsmede de wijze waarop de twaalf betalingen door [eiser] en Needlebridge aan [gedaagde 1] zijn geboekt zoals blijkt uit de verkoopadministratie, inclusief relevante (daaraan gekoppelde) facturen, bestellingen, orderbevestigingen, betaalbewijzen, pakbonnen en verzendbewijzen;

iv) Berichtenwisselingen op de (mobiele) telefoons van [gedaagde 3] met mevrouw [naam 6] , [voornaam 2] / [voornaam 1a] / [voornaam 1b] , [voornaam 7] , [naam 5] , [naam 1] of andere contactpersonen in diezelfde periode voor zover daarin de onder 5.7 (ii) bedoelde trefwoorden voorkomen.”

[gedaagden] is bereid een overzicht van haar administratie en de boekhoudkundige verantwoording van de door [eisers' vader] in deze periode verrichte betalingen in het geding te brengen en voert verweer tegen de inzage van de overige bescheiden.

[gedaagden] vordert in de incidenten, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. haar toe te staan SDTM GHANA LIMITED gevestigd te Accra, Ghana, te dagvaarden tegen een door uw rechtbank met inachtneming van de in artikel 115 lid 2 Rv bedoelde oproepingstermijn te bepalen terechtzitting, teneinde op de eis tot vrijwaring te antwoorden en voort te procederen, kosten rechtens;

II. [eiser] te gelasten om binnen een door de rechtbank te bepalen redelijke termijn en wijze de originele akten van cessie en de originele verklaring van de heer [eisers' vader] en de overeenkomsten ex productie 11 zijdens eiser ter inzage ter griffie te deponeren en te verstrekken aan [gedaagden] en voorts te bepalen dat [gedaagden] en een door haar aan te wijzen deskundige in de gelegenheid worden gesteld de echtheid van de handtekeningen op deze akten van cessie en verklaringen te onderzoeken;

III. [eiser] te gelasten om binnen een door de rechtbank te bepalen termijn en wijze inzage en/of afschrift en/of uittreksel te verstrekken aan [gedaagden] van de oprichtingsakte en/of gedeponeerde jaarstukken van Needlebridge en/of het paspoort van [eisers' vader] allen met handtekening van [eisers' vader] , en voorts te bepalen dat [gedaagden] en een door haar aan te wijzen deskundige in de gelegenheid worden gesteld de echtheid van de handtekeningen op deze akten van cessie en verklaringen te onderzoeken;

IV. [eiser] te veroordelen zekerheid te stellen voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan [gedaagden] veroordeeld zouden kunnen worden en het bedrag van die zekerheid te bepalen op de som van € 40.000,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, kosten rechtens.

[eiser] voert verweer.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4. De beoordeling

Rechtsmacht

Deze zaak heeft internationale aspecten, omdat partijen zijn gevestigd in verschillende landen, te weten het Verenigd Koninkrijk en Nederland. De rechtbank moet daarom ambtshalve beoordelen of de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is om van de vorderingen van [eiser] kennis te nemen. Die vraag moet worden beantwoord aan de hand van de Brussel I-bis Verordening(hierna: Brussel I-bis), omdat het geschil materieel, formeel en temporeel onder het toepassingsgebied van deze verordening valt (artikelen 1, 6 en 66 Brussel I-bis).

Nu gedaagden ( [gedaagden] ) woonplaats hebben in Nederland, is deze rechtbank op grond van de hoofdregel van artikel 4 lid 1 Brussel I-bis bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen.

Partijen hebben over en weer incidentele vorderingen ingesteld. De rechtbank zal eerst de incidentele vordering van [gedaagden] tot veroordeling van [eiser] tot zekerheidsstelling voor de proceskosten behandelen.

Zekerheidsstellen eventuele proceskostenveroordeling

[gedaagden] heeft gevorderd dat [eiser] zekerheid dient te stellen voor de proceskosten tot betaling waarvan [eiser] in de hoofdzaak veroordeeld zou kunnen worden

(artikel 224 lid 1 Rv). Deze incidentele vordering wordt afgewezen.

In artikel 224 lid 2 Rv is bepaald dat geen verplichting tot het stellen van zekerheid bestaat indien, voor zover hier van belang:

dit voortvloeit uit een verdrag;

een veroordeling tot betaling van de proceskosten op grond van een verdrag ten uitvoer kan worden gelegd in de woonplaats van degene van wie zekerheid wordt gevorderd.

Tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk zijn in het verleden verschillende bilaterale verdragen gesloten over het voeren van rechtsgedingen in het andere land (het 1932-Verdrag en het daarop Aanvullend Verdrag), en over de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen uit het andere land (het Erkenningsverdrag).

Door toetreding van het Verenigd Koninkrijk tot de EEG op 1 januari 1973 is het Erkenningsverdrag buiten werking getreden omdat binnen de EEG eenvormige regelgeving bestond/bestaat over de erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen uit andere lidstaten. Het Erkenningsverdrag is daartoe expliciet opgenomen in een lijst van bilaterale verdragen die buiten werking treden door toetreding tot de EEG door het Verenigd Koninkrijk (een lijst waarnaar artikel 69 Brussel I-bis thans verwijst). Na de Brexit op 31 december 2020 (einde van de Overgangsperiode van die Brexit) is tot 1 juli 2025 geen verdrag van toepassing geweest tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk over het wederzijds erkennen en tenuitvoerleggen van vonnissen. Op 1 juli 2025 is het Haags Vonnissenverdrag in werking getreden voor het Verenigd Koninkrijk (dit verdrag is voor Nederland als lidstaat van de Europese Unie in werking getreden op 1 september 2023). De dagvaarding van [eiser] is ingesteld voordat het Haags Vonnissenverdrag in werking is getreden voor het Verenigd Koninkrijk zodat dit verdrag niet van toepassing is in deze procedure, zoals [gedaagden] terecht heeft betoogd.

De uitzondering van artikel 224 lid 2 onder b Rv is dus niet van toepassing.

In Artikel III van het Aanvullend Verdrag is bepaald dat onderdanen uit de ene Verdragsluitende staat niet verplicht kunnen worden tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten in een procedure in de andere Verdragsluitende staat indien een onderdaan van die andere Verdragsluitende staat daartoe onder gelijke omstandigheden niet verplicht zou zijn. Dit betreft dus een uitzondering als opgenomen in artikel 224 lid 2 onder a Rv.

Het Aanvullend Verdrag is niet opgenomen in de lijst van bilaterale verdragen met het Verenigd Koninkrijk die door de toetreding in 1973 van het Verenigd Koninkrijk tot de EEG buiten werking zouden treden.

[gedaagden] heeft betoogd dat het Aanvullend Verdrag een aanvulling is op het 1932-Verdrag, welk verdrag is vervangen door het Erkenningsverdrag en dus ook buiten werking is gekomen door de toetreding van het Verenigd Koninkrijk tot de EEG in 1973. Uit de wetsgeschiedenis van deze twee verdragen volgt dat dit betoog onjuist is.

Uit de wetsgeschiedenis van het Aanvullend Verdrag blijkt dat dit een aanvulling is op het 1932-Verdrag en dat dit verdrag bepalingen kent om het voeren van rechtsgedingen in burgerlijke en handelszaken voor burgers in de andere verdragsluitende staat te vergemakkelijken. Verder wordt in de wetsgeschiedenis gewezen op het Erkenningsverdrag waardoor het mogelijk is geworden dat een kostenveroordeling ten uitvoer kan worden gelegd in de andere verdragsstaat zodat zekerheidsstelling (geregeld in artikel III van het Aanvullend Verdrag) niet noodzakelijk is.

Uit de wetsgeschiedenis van het Erkenningsverdrag blijkt dat dit verdrag in aansluiting op vergelijkbare verdragen met Italië, (toen nog West-)Duitsland en Oostenrijk is gesloten. In de memorie van toelichting bij dit verdrag wordt het oudere 1932-Verdrag en het Aanvullend Verdrag (van 17 november 1967) niet genoemd. Dat het 1932-Verdrag zou zijn vervangen door het Erkenningsverdrag (zoals [gedaagden] stelt) kan niet uit de wetsgeschiedenis of uit de teksten van de verdragen worden afgeleid.

Daaruit volgt dat het Aanvullend Verdrag evenmin is vervangen door het Erkenningsverdrag. De onderwerpen van deze twee verdragen zijn ook anders: het Aanvullend Verdrag gaat over het vergemakkelijken van het voeren van rechtsgedingen in burgerlijke en handelszaken, het Erkenningsverdrag gaat over het wederzijds erkennen en tenuitvoerleggen van vonnissen.

De stelling van [gedaagden] dat indertijd vergeten is het Aanvullend Verdrag op te nemen op de hiervoor in 4.9 genoemde lijst, houdt geen stand omdat het onderwerp en doel van dat verdrag anders zijn dan het onderwerp en doel van verdragen over de erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen uit een ander land en binnen de EU (of toen de EEG). Daarnaast kent de EU geen eenvormige regelgeving voor het voeren van (burgerlijke) rechtsgedingen in de lidstaten, zoals het Verenigd Koninkrijk en Nederland dat wel hebben geregeld voor hun onderdanen die in het andere land procederen (het 1932-Verdrag en het Aanvullend Verdrag).

Het Aanvullend Verdrag is dus van kracht gebleven tussen het Verenigd Koninkrijk en Nederland en is een verdrag als bedoeld in artikel 224 lid 2 onder a Rv. Uit artikel III van het Aanvullend Verdrag vloeit voort dat [eiser] geen zekerheid hoeft te stellen voor de proceskosten. De incidentele vordering van [gedaagden] tot het stellen van zekerheid voor een eventuele proceskostenveroordeling wordt daarom afgewezen.

Dit leidt er toe dat in dit vonnis ook over de andere ingestelde incidenten kan worden beslist.

Authenticiteit cessie, verklaringen en andere overeenkomsten

[gedaagden] heeft twijfels over de authenticiteit van de handtekeningen van [eisers' vader] op verschillende producties die [eiser] bij zijn dagvaarding heeft ingediend, en vordert daarom depot ter griffie van:

de originele akten van cessie van de vorderingen van [eisers' vader] en Needlebridge aan [eiser] (producties 1 en 3 bij dagvaarding),

de originele verklaring van [eisers' vader] (productie 9 bij dagvaarding),

de originele overeenkomsten (productie 11 bij dagvaarding).

In artikel 85 lid 2 Rv is bepaald dat een partij die zich beroept op een stuk verplicht is de wederpartij inzage te verschaffen in het stuk zelf als de wederpartij hierom vraagt. Dit geldt voor de cessieaktes, de verklaring van [eisers' vader] en de overeenkomsten als opgenomen in productie 11 bij dagvaarding.

[eiser] wordt daarom opgedragen de hiervoor genoemde oorspronkelijke stukken van de producties 1, 3, 9 en 11 bij dagvaarding in depot af te geven bij de griffier van de rechtbank voor de duur van deze procedure. Zijn verweer dat er geen originele versies van de cessieaktes met twee natte handtekeningen bestaan, baat hem niet. [eiser] heeft bij zijn incidenteel antwoord immers als productie 61 e-mail correspondentie tussen hem en zijn vader in het geding gebracht waaruit zou volgen dat zijn vader een natte handtekening heeft gezet op de cessieaktes, die getekende cessieaktes heeft ingescand en per e-mail heeft teruggestuurd aan [eiser] , waarna [eiser] de ingescande exemplaren heeft geprint en daarop zijn natte handtekening heeft gezet. De door [eisers' vader] getekende cessieaktes hebben dus een origineel. Nu de incidentele vordering ziet op ‘de originele cessieaktes’ en [gedaagden] nog geen gelegenheid gehad hebben om te reageren op (productie 61 bij) de incidentele conclusie van antwoord van [eiser] , wordt de incidentele vordering van [gedaagden] aldus uitgelegd dat zowel de exemplaren met een natte handtekening van [eisers' vader] als de exemplaren met een natte handtekening van [eiser] ter griffie dienen te worden gedeponeerd.

[gedaagden] erkent de echtheid van de ondertekening door [eisers' vader] van de cessieaktes niet (slotzin van artikel 159 lid 2 Rv). Daardoor kunnen de cessiesaktes niet als bewijs dienen van de door [eiser] gestelde cessies zolang niet is bewezen van wie die ondertekeningen op de cessieaktes afkomstig zijn (artikel 159 lid 2 Rv). In de hoofdzaak zal dus moeten worden beoordeeld of [eiser] een vorderingsrecht op [gedaagden] heeft en procesbevoegd is. Daarom wordt op grond van artikel 22 Rv [eiser] gelast tegelijkertijd een leeg document met slechts de natte handtekening van [eisers' vader] ter griffie te deponeren. Daarmee zijn alle stukken voor een eventueel deskundig onderzoek naar de echtheid van de handtekening van [eisers' vader] op de cessieaktes aanwezig.

[gedaagden] vordert voorts op grond van artikel 194 jo 195 Rv inzage en/of afschrift van:

de oprichtingsakte en/of gedeponeerde jaarstukken van Needlebridge,

het paspoort van [eisers' vader] .

Aan de hand van die stukken kan de handtekening van [eisers' vader] op de cessieaktes en zijn verklaring worden onderzocht, aldus [gedaagden]

Uit de stellingen van [gedaagden] kan niet worden afgeleid welk ander belang dan het betwisten van de procesbevoegdheid van [eiser] zij heeft bij inzage en/of afschrift van deze stukken. Gelet op hetgeen hiervoor in 4.18 is overwogen, heeft [gedaagden] deze stukken daartoe echter niet nodig.

Volgens [eiser] is er in het Australische recht geen verplichting tot het opmaken en publiceren van jaarrekeningen van een vennootschap. Daarnaast wordt [eisers' vader] zeer ernstig in zijn persoonlijke belangen geschaad door verstrekking van een afschrift van zijn paspoort.

Onder deze omstandigheden heeft [gedaagden] geen belang bij haar incidentele vordering tot inzage en/of afschrift van het paspoort van [eisers' vader] en de oprichtingsakte en jaarstukken van Needlebridge (artikel 194 lid 1 Rv). De rechtbank zal die incidentele vordering afwijzen.

De door [gedaagden] onder II ingestelde incidentele vordering wordt toegewezen in de zin dat [eiser] wordt gelast in depot bij de griffier van de rechtbank af te geven:

de originele door [eisers' vader] met een natte handtekening ondertekende cessieaktes (productie 61 bij incidenteel antwoord van [eiser] ),

de originele door [eiser] afgedrukte en met zijn natte handtekening ondertekende versies van de cessieaktes (producties 1 en 3 bij dagvaarding),

de originele verklaring van [eisers' vader] (productie 9 bij dagvaarding),

de originele versies van de overeenkomsten uit productie 11 bij dagvaarding.

Verder dient [eiser] op grond van artikel 22 Rv ter griffie te deponeren een leeg document waarop de natte handtekening van [eisers' vader] is gezet.

Vrijwaringsincident van [gedaagden]

[eiser] heeft zich gerefereerd aan de beslissing van de rechtbank over de incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring van SDTM Ghana Limited. [gedaagden] heeft voldoende uiteengezet dat tussen haar en SDTM Ghana Limited een rechtsverhouding bestaat op grond waarvan SDTM Ghana Limited haar dient te vrijwaren voor een eventuele toewijzing van de vorderingen van [eiser] op [gedaagden] De vordering tot oproeping van SDTM Ghana Limited in vrijwaring wordt daarom toegewezen.

Incident van [eiser] : inzage bewijsbeslag bescheiden

[eiser] vordert op grond van artikel 194 jo 195 Rv inzage in bescheiden die onder het bewijsbeslag vallen als omschreven in randnummer 5.7 (i) tot en met (iv) van zijn dagvaarding (in dit vonnis opgenomen onder 3.3). In die omschrijving in randnummer 5.7 is onderscheid gemaakt tussen “primair” (i) en (ii) en “alsmede, althans (slechts) subsidiair” (iii) en (iv). Begrepen wordt dat inzage wordt gevorderd in informatie onder het bewijsbeslag als genoemd primair onder (i) en (ii) en subsidiair onder (iii) en (iv).

Voorop wordt gesteld dat tussen partijen een rechtsbetrekking bestaat en dat [eiser] voldoende belang heeft bij zijn incidentele vorderingen (artikel 194 lid 1 Rv). Of de gevraagde inzage ziet op bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking wordt hierna beslist.

[gedaagden] heeft bij haar incidenteel antwoord een overzicht ingediend van de twaalf betalingen die Needlebridge of [eisers' vader] aan [gedaagde 1] hebben verricht en hoe die zijn geadministreerd (namelijk als betalingen door SDTM Ghana Limited voor leveringen van melkpoeder). Verder heeft [gedaagden] te kennen gegeven bereid te zijn (in de hoofdzaak) per betaling en levering de relevante achterliggende administratie gestructureerd en inzichtelijk te presenteren, inclusief de boekhoudkundige verantwoording. De incidentele vordering van [eiser] betreffende de onder (i) genoemde bescheiden en informatie is in zoverre dus toewijsbaar.

[eiser] heeft onder (i) gevraagd inzage in de volledige inkoop- en verkoopadministratie van [gedaagde 1] in de periode augustus 2022 tot en met oktober 2023. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, kan niet worden ingezien dat die administratie over die gehele periode gegevens over de rechtsbetrekking tussen [eiser] en [gedaagden] betreffen, zoals [gedaagden] heeft aangevoerd. Dit deel van de incidentele vordering van [eiser] wordt daarom afgewezen. Dit geldt ook voor het door [eiser] gevraagde doorzoeken van de digitale inkoop- en verkoopadministratie met de trefwoorden als opgenomen onder (ii) van randnummer 5.7 van zijn dagvaarding.

[gedaagden] heeft terecht aangevoerd dat het gevraagde doorzoeken van e-mail-, telegram-, whatsapp-, signal-, sms- en PGP-berichten met de onder (ii) omschreven trefwoorden buiten proportioneel is. [eiser] vraagt bijvoorbeeld om communicatie tussen [gedaagden] en personen met de voornaam [naam 1 voornaam - a] , [naam 1 voornaam - b] , [naam 5 voornaam] , [voornaam 1c] , [voornaam 3] of [voornaam 4] , en alle contactpersonen van [gedaagden] uit Ghana, Sierra Leone of Australië. Dit zijn geen “bepaalde gegevens” als bedoeld in artikel 194 lid 1 Rv, en in deze algemene zin als gevorderd mogelijk in strijd met de AVG.

Verder heeft [eiser] in zijn dagvaarding gesteld dat [naam 1 voornaam - a] of [naam 1] zijn vader (en dus Needlebridge) heeft aangezet tot het verrichten van betalingen aan [gedaagde 1] en dat er contact is geweest met [naam 1] en [naam 4] over het goudtransport waarvoor een betaling op de bankrekening van [gedaagde 1] noodzakelijk bleek te zijn. Daarbij is [eisers' vader] gevraagd het geld over te maken op de bankrekening van [gedaagde 1] ter attentie van de personen “ [naam 2] ” en “ [naam 3] ”. De rol van alle andere genoemde zoektermen bij die betalingen zijn vooralsnog onvoldoende toegelicht door [eiser] om een zo vergaande doorzoeking van de onder het bewijsbeslag liggende stukken op dit moment toe te wijzen.

Uit het bovenstaande volgt dat de incidentele vordering van [eiser] om de in beslag genomen communicatiemiddelen te mogen doorzoeken zal worden toegewezen voor de trefwoorden:

“ [naam 1] ” en

“ [naam 4] ” en

“ [naam 2] ” en

“ [naam 3] ” en

“Needlebridge” en

“ [eisers' vader] ”,

en in de periode van 15 augustus 2022 tot en met 26 oktober 2023. Het staat [eiser] vrij om dit onderzoek/deze doorzoeking uit te laten voeren door de deurwaarder die het bewijsbeslag heeft gelegd, dan wel door een onafhankelijke ICT-deskundige (zoals hij subsidiair heeft gevorderd). De kosten voor dit doorzoeken/onderzoek komen voor rekening van [eiser] (slotzin artikel 194 lid 1 Rv). [eiser] wordt gevraagd een verslag van de bevindingen uiterlijk woensdag 26 november 2025 in het geding te brengen, zodat [gedaagden] daarop kan reageren in haar conclusie van antwoord in de hoofdzaak (zie ook onder 4.34).

De incidentele vorderingen worden aldus toegewezen dat de in randnummer 5.7 van de dagvaarding opgesomde informatie onder primair (deels) worden toegewezen. Daarom wordt niet toegekomen aan de beoordeling van de gevorderde inzage in de subsidiair opgesomde informatie in dat randnummer.

Proceskosten in de incidenten over en weer

De incidentele vorderingen van beide partijen worden deels toegewezen en deels afgewezen. Onder deze omstandigheden worden de proceskosten in het door [eiser] ingestelde incident gecompenseerd zodat ieder de eigen kosten draagt. Hetzelfde geldt voor de door [gedaagden] ingestelde incidenten.

In de hoofdzaak

De hoofdzaak zal worden verwezen naar de rol van woensdag 26 november 2025 voor akte aan de zijde van [eiser] met de bevindingen van het doorzoeken van de stukken onder het bewijsbeslag en het ter griffie deponeren van de originele stukken als overwogen onder 4.23. [gedaagden] kan dan in haar conclusie van antwoord in de hoofdzaak op dit alles reageren (naast haar verweer in de hoofdzaak). Die conclusie van antwoord dient daarom op de rol van woensdag 21 januari 2026 (een termijn van acht weken) te worden genomen. Anders dan [gedaagden] heeft verzocht geeft de door haar gewenste vrijwaring geen aanleiding om de procedure in de hoofdzaak verder aan te houden. De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol van woensdag 26 november 2025 voor akte aan de zijde van [eiser] en deponering, en vervolgens naar de rol van woensdag 21 januari 2026 voor conclusie van antwoord.

5. De beslissing

in het incident ingesteld door [eiser]

gelast [gedaagden] bij haar conclusie van antwoord per betaling van Needlebridge of [eisers' vader] aan [gedaagde 1] de relevante achterliggende administratie (waaronder de koopovereenkomsten met SDTM Ghana Limited, de leveringen aan SDTM Ghana Limited en de facturen als opgesomd in randnummer 22 van de incidentele conclusie van [gedaagden] ) en de boekhoudkundige verantwoording van de betalingen door Needlebridge of [eisers' vader] in het geding te brengen,

staat toe dat [eiser] het door de deurwaarder gelegde bewijsbeslag op communicatiemiddelen van [gedaagden] te (laten) doorzoeken met de trefwoorden:

“ [naam 1] ” en

“ [naam 4] ” en

“ [naam 2] ” en

“ [naam 3] ” en

“Needlebridge” en

“ [eisers' vader] ”,

in de periode van 15 augustus 2022 tot en met 26 oktober 2023,

compenseert de proceskosten aldus dat ieder de eigen kosten draagt,

wijst het meer of anders gevorderde af,

in de incidenten ingesteld door [gedaagden]

gelast [eiser] om in depot bij de griffier van de rechtbank af te geven:

de originele door [eisers' vader] met een natte handtekening ondertekende cessieaktes (productie 61 bij incidenteel antwoord van [eiser] ),

de originele door [eiser] afgedrukte en met zijn natte handtekening ondertekende versies van de cessieaktes (producties 1 en 3 bij dagvaarding),

de originele verklaring van [eisers' vader] (productie 9 bij dagvaarding),

de originele versies van de overeenkomsten uit productie 11 bij dagvaarding,

een (verder) leeg document met de natte handtekening van [eisers' vader] .

bepaalt dat [eiser] de onder 5.5 bedoelde stukken uiterlijk 26 november 2026 ter griffie zal deponeren,

staat [gedaagden] toe SDTM GHANA LIMITED gevestigd te Accra, Ghana, in vrijwaring te dagvaarden tegen de roldatum van woensdag 25 februari 2026,

compenseert de proceskosten aldus dat ieder de eigen kosten draagt,

wijst het meer of anders gevorderde af,

in de hoofdzaak

gelast [eiser] het verslag van de bevindingen (als bedoeld onder 4.31) uiterlijk op de rol van woensdag 26 november 2025 in het geding te brengen,

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 26 november 2025 voor akte aan de zijde van [eiser] (als bedoeld onder 5.10) en afgifte in depot van de originele stukken door [eiser] (zie onder 5.5 en 5.6) en vervolgens naar de rol van woensdag 21 januari 2026 voor conclusie van antwoord in de hoofdzaak en reactie op het verslag van de bevindingen en op het depot van originele stukken.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.M. James-Pater, rechter, bijgestaan door mr. R.E.R. Verloo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2025.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.E.M. James-Pater

Griffier

  • mr. R.E.R. Verloo

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?