RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11621212 \ CV EXPL 25-5095
Vonnis van 24 oktober 2025
in de zaak van
[eiser] , handelend onder de naam [handelsnaam] ,
te [woonplaats] ,
eiser in conventie,
gedaagde in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M. Leung,
tegen
RODAAL MACHINEBOUW B.V.,
te Aalsmeer,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
hierna te noemen: Rodaal,
gemachtigde: mr. M.D. de Wit.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van [eiser] van 20 februari 2025, met producties 1 t/m 7;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van Rodaal van 27 mei 2025, met producties 1 t/m 8;
- het tussenvonnis van 10 juni 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de conclusie van antwoord in reconventie van [eiser] van 1 augustus 2025;
- het bij e-mail van Rodaal van 5 augustus 2025 ten behoeve van de mondelinge behandeling overgelegde aanvullende stuk; en
- de mondelinge behandeling van 12 augustus 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[eiser] drijft een eenmanszaak die zich onder meer bezighoudt met de aanleg en het onderhoud van (giet)vloeren, antislipvoorzieningen en afdichtingssystemen.
Rodaal drijft, in een bedrijfshal in Aalsmeer, een onderneming die zich bezighoudt met het fabriceren van (onderdelen van) machines en apparatuur.
Rodaal heeft op 23 oktober 2023 contact gehad met de heer [naam 1] (hierna: ‘ [naam 1] ’) – iemand waarmee [eiser] vaker samenwerkt – over het aanbrengen van een gietvloer in de bedrijfshal van Rodaal. [naam 1] heeft Rodaal via een WhatsApp-bericht van diezelfde dag laten weten dat zijn collega ‘s avonds nog een factuur aan Rodaal wilde sturen voor een aanbetaling omdat de materialen van de vloer al waren besteld.
[eiser] heeft Rodaal op 23 oktober 2023 een factuur gestuurd voor een bedrag van € 15.705,80 voor – in het kort – het aanbrengen van een 2 laags epoxy coating systeem (hierna: ‘de factuur’). Hierin staat daarnaast dat van het bedrag in de factuur 80% direct moet worden (aan)betaald en 20% na oplevering.
[naam 1] , [eiser] en een derde zijn op 23 oktober 2023 gestart met (werkzaamheden ter voorbereiding op) het aanbrengen van de gietvloer in de bedrijfshal van Rodaal. Op 25 oktober 2023 is de gietvloer opgeleverd. Rodaal heeft toen aangegeven dat op sommige plekken de oude vloerbedekking niet goed weggeschuurd leek.
Bij e-mails van 25 en 26 oktober 2023 zijn partijen een betalingsregeling voor de factuur overeengekomen. Hierin staat – in het kort – de afspraak dat Rodaal de factuur in termijnen zal voldoen, waarbij de eerste termijn van € 2.500,00 binnen twee weken wordt voldaan en de factuur uiterlijk op 20 december 2023 volledig is voldaan.
Bij WhatsApp bericht van 30 oktober 2023 heeft [eiser] Rodaal laten weten dat ze van de week even komen kijken. Ook heeft hij Rodaal daarin gevraagd wanneer hij de volgende termijn kan verwachten.
Bij WhatsApp bericht van 7 november 2023 heeft Rodaal een aantal foto’s van de vloer gestuurd aan [naam 1] met het verzoek deze foto’s ook aan [eiser] te laten zien. [naam 1] heeft hierop gereageerd dat zij de vloer goed zullen kaal schuren en vervolgens twee lagen erop zullen aanbrengen.
Uit de WhatsApp correspondentie tussen partijen van 10 november 2023 blijkt dat [eiser] diezelfde dag zou langkomen om een stuk van de vloer opnieuw te plakken.
Op 2 december 2023 heeft Rodaal telefonisch bij [eiser] geklaagd over gebreken aan de aangebrachte gietvloer. Bij WhatsApp bericht van 2 december 2023 heeft [eiser] het volgende laten weten aan Rodaal: “ik bel gewoon netjes om te vragen wanneer je he toezegging nakomt, waarom resgeer je zo?” en “plekken die toch loslaten door de zachte ondergrond kunnen we repareren totdat de gevoelige plekken eruit zijn. zakelijk oplossen”.
Op 31 januari 2024 zijn [eiser] en [naam 1] in de bedrijfshal van Rodaal langs geweest. Er heeft toen een aanvaring tussen [eiser] en (de indirect bestuurder en aandeelhouder van) Rodaal plaatsgevonden omdat zij het niet eens waren over – in het kort – de staat van de vloer en het uitblijven van betalingen door Rodaal.
Bij brief van 1 februari 2024 heeft het Incassocenter, namens [eiser] , Rodaal – in het kort – in gebreke gesteld en verzocht om een bedrag van € 13.072,91 (bestaande uit het openstaande bedrag van de factuur van € 11.039,06 (inclusief rente), incassokosten van € 1.605,87, dossierkosten van € 75,00 en btw van € 352,98) binnen een termijn van vijf dagen te voldoen. Het verzoek tot betaling is, met een termijn van drie dagen, herhaald bij brief namens [eiser] aan Rodaal van 6 februari 2024.
Bij brief van 6 februari 2024 heeft (de advocaat van) Rodaal [eiser] laten weten – in het kort – dat de door [eiser] aangebrachte gietvloer gebreken bevat, waar deze gebreken uit bestaan, dat [eiser] deze gebreken al meerdere keren heeft kunnen vaststellen en dat Rodaal niet wenst dat [eiser] zelf tot herstel overgaat gelet op de aanvaring van 31 januari 2024, maar dat hij wel een collega kan sturen. Ook staat hierin dat Rodaal zich op opschorting van haar betalingsverplichting heeft beroepen totdat de vloer is hersteld en dat, als herstel uitblijft, Rodaal kosten zal maken voor herstel door een derde. Tot slot staat in deze brief dat Rodaal deze kosten dan zal verrekenen met het openstaande bedrag van de factuur en het meerdere op [eiser] zal verhalen.
Bij brief van 12 februari 2024 heeft het Incassocenter, namens [eiser] , de boodschap uit de brief aan Rodaal van 6 februari 2024 nogmaals herhaald, zonder in te gaan op de inhoud van de brief die op 6 februari 2024 namens Rodaal was geschreven.
Omstreeks september/oktober 2024 heeft de heer [naam 2] , de eigenaar van [naam eenmanszaak] , (hierna: ‘ [naam 2] ’) een deel (van 50 m2) van de vloer van Rodaal hersteld. Op 9 oktober 2024 heeft [naam eenmanszaak] hiervoor een factuur gestuurd aan Rodaal van € 2.814,00. Rodaal heeft zelf de coating voor dit herstel van de vloer besteld bij betoncoatingonline voor een bedrag van € 455,00.
[naam 2] heeft op verzoek van Rodaal een (ongedateerde) verklaring opgesteld waarin hij – kort gezegd – verslag heeft gedaan van hoe hij de vloer van Rodaal heeft aangetroffen en wat nodig is (geweest) om de vloer te herstellen.
Op 21 mei 2025 heeft [naam eenmanszaak] een offerte gestuurd aan Rodaal van € 39.600,00 voor – in het kort – het kaal schuren en opnieuw coaten van het resterende deel (van 300 m2) van de vloer van Rodaal.
3. Het geschil
in conventie
[eiser] vordert – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeling van Rodaal tot betaling van € 14.789,33, vermeerderd met rente en kosten.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [eiser] heeft in opdracht van Rodaal een gietvloer aangebracht in de bedrijfsruimte van Rodaal voor een bedrag van € 15.705,80. Partijen hebben in dit verband een betalingsregeling afgesproken. Rodaal is deze betalingsregeling slechts gedeeltelijk nagekomen. Ondanks verschillende sommaties aan Rodaal, heeft hij in totaal € 10.705,80 onbetaald gelaten. Rodaal moet dit bedrag, vermeerderd met wettelijke rente, incassokosten en btw, aan [eiser] betalen op grond van de gemaakte afspraken.
Rodaal concludeert tot afwijzing van de vordering van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de proceskosten in conventie. Zij voert hiertoe het volgende aan. Rodaal heeft (alleen) met [naam 1] , en niet met [eiser] , een afspraak gemaakt over het door [naam 1] aanbrengen van de gietvloer voor een bedrag van € 7.600,00, te voldoen in drie termijnen. Rodaal is nooit akkoord gegaan met het bedrag van € 15.705,80 uit de factuur van [eiser] . Het aan [eiser] verschuldigde bedrag is dus in totaal € 7.600,00, waarvan al € 5.120,68, althans € 5.000,00, is betaald. Rodaal heeft gebreken aan de gietvloer geconstateerd en [eiser] meermaals verzocht deze te herstellen. Omdat [eiser] (of zijn samenwerkingspartner) daarop nooit tot afdoende herstel is overgegaan, heeft Rodaal haar overige betalingsverplichtingen opgeschort. Rodaal beroept zich daarnaast op verrekening van de door haar gemaakte en nog te maken herstelkosten.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
Rodaal vordert – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
te verklaren voor recht dat [eiser] aansprakelijk is voor de schade van Rodaal als gevolg van de ondeugdelijke prestatie van [eiser] ;
veroordeling van [eiser] tot vergoeding van de schade van Rodaal, nader op te maken bij staat; en
veroordeling van [eiser] tot betaling van een voorschot van € 12.000,00 op de schade aan Rodaal, vermeerderd met rente en kosten.
Rodaal legt aan de vordering, in aanvulling op hetgeen zij in conventie al naar voren heeft gebracht, het volgende ten grondslag. [eiser] heeft een gietvloer aangebracht in de bedrijfsruimte van Rodaal. De gietvloer is gebreken gaan vertonen. [eiser] is daarom tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst en aansprakelijk voor de schade die Rodaal als gevolg hiervan lijdt. Rodaal heeft [eiser] laten weten dat, als [eiser] niet tot herstel van de gietvloer zou overgaan, zij een derde hiertoe de opdracht zal geven. [eiser] heeft hier niet inhoudelijk op gereageerd. Rodaal heeft hieruit, en uit de eerdere opstelling van [eiser] , afgeleid dat [eiser] of een derde namens hem niet meer tot herstel zou overgaan. Rodaal heeft vervolgens een derde – [naam eenmanszaak] – ingeschakeld om de gietvloer te herstellen. Rodaal heeft intussen al € 3.269,00 betaald aan herstelkosten voor een (klein) deel van de vloer. Daarnaast is een bedrag van € 39.600,00 geoffreerd voor de resterende herstelwerkzaamheden. [eiser] dient de, nader bij staat op te maken, schade aan Rodaal te vergoeden.
[eiser] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Rodaal, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in proceskosten in reconventie. Hij voert hiertoe het volgende aan. Rodaal heeft onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. Daarnaast heeft Rodaal volgens [eiser] niet tijdig geklaagd, geen ingebrekestelling gestuurd aan [eiser] en zelfs aangegeven dat [eiser] niet welkom is om de gebreken aan de vloer te herstellen. Er is daarom geen sprake van verzuim. Dat betekent dat voor [eiser] ook geen verplichting tot schadevergoeding bestaat. Bovendien zijn de door Rodaal opgevoerde posten in hoge mate speculatief. Zo is onvoldoende onderbouwd dat het noodzakelijk is om de gehele vloer opnieuw te coaten en zware machines te verplaatsen. Daarnaast is de overgelegde offerte opgesteld door een bedrijf dat niet is gespecialiseerd in de gebruikte vloersystemen. Omdat geen aansprakelijkheid van [eiser] en aannemelijkheid van schade kan worden vastgesteld, dient ook het gevorderde voorschot te worden afgewezen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
in conventie en in reconventie
Omdat het verweer van Rodaal tegen de vordering van [eiser] in conventie gedeeltelijk de grondslag vormt voor haar vordering in reconventie zal de kantonrechter de conventie en reconventie gezamenlijk beoordelen.
Partijen hebben een overeenkomst met elkaar gesloten
Partijen zijn het er allereerst over oneens of zij met elkaar een overeenkomst voor het aanbrengen van de gietvloer zijn overeengekomen en, zo ja, onder welke (betalings)voorwaarden. Rodaal stelt in het kort dat hij nooit met [eiser] maar alleen met [naam 1] een afspraak heeft gemaakt over het aanbrengen van een gietvloer voor een bedrag van € 7.600,00. [eiser] stelt dat, hoewel het contact eerder via [naam 1] is verlopen, hij uiteindelijk met Rodaal een overeenkomst voor het aanbrengen van de gietvloer voor een bedrag van € 15.705,80 heeft gesloten. De betaling van dit bedrag zou in termijnen plaatsvinden, aldus [eiser] .
Het antwoord op de vraag wat partijen met elkaar hebben afgesproken, is afhankelijk van wat zij tegenover elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mogen afleiden. Daarbij moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Ook gedragingen, verklaringen en andere omstandigheden, die hebben plaatsgevonden nadat de overeenkomst is gesloten, kunnen van belang zijn.
Uit de verklaringen en gedragingen van partijen leidt de kantonrechter af dat zij – uiteindelijk – een overeenkomst van aanneming en werk hebben gesloten voor het aanbrengen van de gietvloer door [eiser] (en/of zijn collega) in de bedrijfsruimte van Rodaal voor een bedrag van € 15.705,80 (hierna: ‘de overeenkomst’). Partijen zijn daarbij overeengekomen dat Rodaal dit bedrag in termijnen zou voldoen en dat het bedrag vóór 20 december 2023 volledig zou zijn betaald. De kantonrechter acht hiervoor onder meer relevant de e-mailwisseling van 26 oktober 2023 tussen [eiser] en Rodaal waarin Rodaal bevestigd akkoord te zijn met de betaling van de factuur overeenkomstig de voorgestelde betalingsregeling. Daarbij komt dat [eiser] samen met [naam 1] en een derde, na hiervoor een afspraak te hebben gemaakt, daadwerkelijk de gietvloer op 23 tot en met 25 oktober 2023 hebben aangebracht (zonder protest van Rodaal). Rodaal heeft tijdens de mondelinge behandeling bovendien bevestigd dat hij [eiser] (en zijn collega’s) de vloer destijds heeft laten aanbrengen, omdat hij zich kon vinden in de door [eiser] voorgestelde betalingsregeling voor het bedrag uit de factuur (van € 15.705,80). Het is met dit alles voldoende duidelijk geworden dat [eiser] en Rodaal een overeenkomst voor het aanbrengen van de gietvloer voor € 15.705,80 hebben gesloten. Hieraan doet niet af dat het contact over de gietvloer in het begin met name met [naam 1] verliep. [naam 1] heeft in zijn WhatsApp berichten aan Rodaal namelijk voldoende duidelijk gemaakt dat hij met een collega ( [eiser] ) samenwerkt en dat die onder meer de factuur zou toesturen. Hieruit had Rodaal (ook) al kunnen afleiden dat [eiser] de contracterende partij was. Rodaal heeft bovendien onvoldoende onderbouwd dat met [eiser] (of [naam 1] ) een (ander) bedrag van € 7.600,00 is afgesproken. De kantonrechter gaat hier daarom ook niet in mee.
Het voorgaande betekent dat Rodaal op grond van de overeenkomst in beginsel verplicht is om het overeengekomen bedrag van € 15.705,80 aan [eiser] te betalen. Deze betalingsverplichting is mogelijk slechts anders als het beroep op opschorting van Rodaal slaagt.
Rodaal heeft terecht haar betalingsverplichtingen opgeschort
[eiser] heeft (in conventie) betaling van de factuur gevorderd. Rodaal stelt echter dat zij de factuur niet hoeft te betalen, omdat [eiser] de werkzaamheden aan de vloer niet goed heeft uitgevoerd en weigert de vloer te (laten) herstellen. De kantonrechter begrijpt dit verweer aldus dat Rodaal een beroep op opschorting van haar betalingsverplichting doet. [eiser] voert aan dat juist hem (eerst) een beroep op opschorting tot nakoming van zijn verplichtingen onder de overeenkomst toekomt, omdat Rodaal de betalingsregeling niet (tijdig) is nagekomen en verder niet over de gietvloer heeft geklaagd. De kantonrechter oordeelt hierover als volgt.
Volgens artikel 6:262 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is, indien een der partijen haar verbintenis niet nakomt, de wederpartij bevoegd de nakoming van haar daartegenover staande verplichtingen op te schorten. Uit lid 2 volgt dat in geval van gedeeltelijke of niet behoorlijke nakoming, opschorting slechts is toegelaten voor zover de tekortkoming haar rechtvaardigt.
De kantonrechter is van oordeel dat Rodaal terecht een beroep op opschorting van haar betalingsverplichting heeft gedaan. Uit de door partijen overgelegde WhatsApp correspondentie volgt namelijk dat Rodaal meermaals bij [eiser] (al dan niet via zijn samenwerkingspartner [naam 1] ) heeft geklaagd over de door hem opgeleverde vloer. Zo heeft Rodaal, verder onweersproken, toegelicht dat zij bij de oplevering van de gietvloer op 25 oktober 2023 al aan [eiser] heeft laten weten dat de vloerbedekking op sommige plekken niet goed is weggeschuurd. Rodaal heeft bij WhatsApp bericht van 7 november 2023 ook foto’s van de vloer met loslatende stukken aan [naam 1] gestuurd, met het verzoek deze aan (samenwerkingspartner) [eiser] te laten zien. Uit de WhatsApp conversatie tussen [eiser] en Rodaal van 10 november 2023 volgt verder dat [eiser] aangeeft die dag langs te komen om een stuk (van de vloer) opnieuw te plakken. Uit (de toelichting van partijen op de mondelinge behandeling over een telefoongesprek op 2 december 2023 en over) de WhatsApp conversatie tussen partijen van 2 december 2023 leidt de kantonrechter bovendien af dat Rodaal [eiser] telefonisch heeft laten weten dat de vloer op plekken loslaat en dat zij dit graag hersteld wil hebben voordat zij de factuur van [eiser] betaalt.
Het voorgaande laat zien dat Rodaal op verschillende momenten, en in ieder geval op 25 oktober 2023, vóór het bezoek op 10 november 2023 en op 2 december 2023, aan [eiser] heeft laten weten dat de gietvloer gebreken vertoonde en dat Rodaal dit graag hersteld wilde zien. Rodaal heeft dus meermaals, vóórdat zij, volgens de betalingsregeling, de factuur volledig moest hebben voldaan, geklaagd bij [eiser] over gebreken aan de vloer. Dat de vloer daadwerkelijk gebreken vertoonde, en dat [eiser] tekort is geschoten in zijn verplichtingen uit de overeenkomst, volgt onder meer uit de door Rodaal overgelegde foto’s én de verklaring van [naam 2] (van [naam eenmanszaak] , een andere vloerenspecialist) over de door [eiser] aangebrachte vloer. Daaruit blijkt onder meer dat de vloer vele losse delen bevat, niet verzadigd was met de vereiste primer en niet (voldoende) is geschuurd voordat coating van de gietvloer werd aangebracht, en dat bij het aanbrengen geen rekening is gehouden met een aanwezige dilatatievoeg (die moet kunnen krimpen en uitzetten). [eiser] heeft tegen dit alles onvoldoende ingebracht. Zo heeft [eiser] geen verklaring gegeven voor de (op de foto’s zichtbaar) losgelaten stukken vloer en nagelaten toe te lichten waarom [naam 2] geen deskundige op het gebied van onderhavige gietvloer zou zijn. In de brief van de advocaat van Rodaal van 6 februari 2024 heeft deze bevestigd dat Rodaal zich – eerder – op opschorting heeft beroepen. Dit heeft (de rechtsbijstandverlener van) [eiser] niet betwist, hij hield slechts vast aan de betalingsverplichting. De kantonrechter komt daarom tot de conclusie dat [eiser] tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst. Rodaal mocht daarom de betaling van de factuur opschorten.
Voor zover [eiser] heeft willen betogen dat Rodaal haar betalingsverplichting niet had mogen opschorten, omdat hij niet in verzuim verkeerde wegens schuldeisersverzuim van Rodaal door het niet betalen van de factuur, slaagt dit verweer niet. [eiser] heeft miskend dat verzuim niet vereist is voor een geslaagd beroep op opschorting. Bovendien is geen sprake van (schuldeisers)verzuim van Rodaal. [eiser] is namelijk wel (en eerst) in verzuim geraakt (zie overweging 4.15 en verder).
Dit alles betekent dat, nu niet gesteld of gebleken is dat het niet behoorlijk nakomen de opschorting van de verplichting tot betaling van de factuur niet rechtvaardigt, Rodaal zich vooralsnog terecht op haar opschortingsrecht heeft beroepen. Het gevolg is dat de verplichting van Rodaal tot betaling van de factuur nog niet opeisbaar is. Opschorting leidt echter niet tot bevrijding van de eigen opgeschorte verplichting. Het tast dus slechts de opeisbaarheid ervan aan en resulteert in een uitstel van de nakoming. De kantonrechter begrijpt het verweer van Rodaal aldus dat zij zich ook beroept op verrekening met hun vordering (vervangende schadevergoeding) in reconventie.
[eiser] is verplicht de schade van Rodaal, na verrekening met zijn factuur, te vergoeden
Rodaal heeft in reconventie betaling van een voorschot van € 12.000,00 aan herstelkosten (vervangende schadevergoeding), gevorderd voor de door haar gestelde gebreken aan de gietvloer, zoals nader omschreven in de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie. [eiser] heeft hiertegen aangevoerd dat geen sprake is van een tekortkoming en dat ook van verzuim geen sprake is, omdat een ingebrekestelling ontbreekt, zodat voor schadevergoeding geen plaats is. De kantonrechter overweegt hierover als volgt.
De bevoegdheid tot omzetting in een vordering tot vervangende schadevergoeding ontstaat pas als een schuldenaar in verzuim verkeert. Voor verzuim is in beginsel vereist dat de schuldenaar eerst in gebreke wordt gesteld, waarbij een redelijke termijn voor nakoming wordt gegeven via een schriftelijke aanmaning. Artikel 6:83 BW noemt daarnaast gevallen waarin het verzuim intreedt zonder ingebrekestelling. Zo kan een ingebrekestelling achterwege blijven als bijvoorbeeld de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten. Daarvan is pas sprake als de schuldeiser ‘redelijkerwijs niet anders kan’ dan afleiden dat de schuldenaar in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten.
Wat betreft het verweer van [eiser] dat geen sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst door [eiser] geldt dat hiervoor (in overweging 4.9) al is geoordeeld dat daarvan wél sprake is. Dit verweer kan [eiser] dus niet baten.
Het verweer van [eiser] dat geen sprake is van verzuim, omdat een ingebrekestelling ontbreekt, gaat om de volgende redenen ook niet op.
De kantonrechter stelt allereerst vast dat de e-mail van Rodaal aan [eiser] van 6 februari 2024 niet valt te kwalificeren als een ingebrekestelling. Rodaal heeft [eiser] hierin namelijk geen (redelijke) termijn voor nakoming gegeven, terwijl dat wel een wettelijk vereiste is. Ook uit andere door Rodaal overgelegde stukken volgt niet dat [eiser] op een andere wijze schriftelijk in gebreke is gesteld. Van verzuim op grond van artikel 6:82 BW is aldus geen sprake.
In het onderhavige geval is verzuim ingetreden zonder ingebrekestelling. Een ingebrekestelling kon gelet op het volgende namelijk achterwege blijven. [eiser] heeft nooit inhoudelijk gereageerd op de e-mail van Rodaal van 6 februari 2024. Wel heeft [eiser] bij e-mail van 12 februari 2024 aan Rodaal zijn standpunt, uit zijn eerdere e-mails aan Rodaal (van 1 en 6 februari 2024), herhaald dat – in het kort – Rodaal het openstaande bedrag van de factuur (plus bijkomende kosten) moest voldoen. Daarbij komt dat [eiser] tijdens de mondelinge behandeling heeft bevestigd dat hij de vloer na oplevering meermaals – tijdens koffiemomenten – heeft bekeken en steeds concludeerde (in het bijzijn van Rodaal) dat de vloer er prima bij lag en geen gebreken vertoonde. Rodaal kon gelet op de mededelingen van [eiser] (tijdens de koffiemomenten en bij e-mail van 12 februari 2024) redelijkerwijs niet anders dan daaruit afleiden dat [eiser] in de nakoming van de overeenkomst zou (blijven) tekortschieten door – in het kort – niet tot (het laten doen van) herstel van de vloer over te gaan. Dit maakt dat [eiser] op 12 februari 2024 van rechtswege in verzuim is geraakt.
Rodaal heeft [eiser] bij e-mail van 6 februari 2024 ook laten weten – in het kort – dat zij, als [eiser] niet tot (het laten doen van) herstel overgaat, de herstelkosten die zij aan een derde moet betalen, met de factuur van [eiser] zal verrekenen en het meerdere op hem zal verhalen. Daarmee heeft Rodaal haar vordering tot nakoming van de overeenkomst schriftelijk (en bij voorbaat) omgezet tot een vordering tot vervangende schadevergoeding.
[eiser] is gelet op het voorgaande in beginsel gehouden om de schade, die Rodaal lijdt en heeft geleden vanwege de tekortkomingen, te vergoeden. De kantonrechter overweegt over de omvang van de schade van Rodaal als volgt.
De schade van Rodaal komt allereerst neer op de, als gevolg van de tekortkoming van [eiser] , door haar gemaakte herstelkosten (aan arbeid en materiaal) van € 3.269,00 voor een deel (van 50 m2) van de vloer. Rodaal heeft dit bedrag voldoende onderbouwd met twee overgelegde facturen. Hier heeft [eiser] onvoldoende tegenin gebracht. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat [eiser] in ieder geval de schade van € 3.269,00 aan Rodaal moet vergoeden.
Rodaal heeft daarnaast toegelicht schade te lijden als gevolg van de tekortkoming van [eiser] in verband met – onder meer – nog te maken kosten voor het herstel van de rest (van circa 300 m2) van de vloer. In dit verband heeft Rodaal een offerte van [naam eenmanszaak] van € 39.600,00 overgelegd. [eiser] heeft in dit kader aangevoerd dat het genoemde bedrag in hoge mate speculatief is, onder meer omdat niet duidelijk is waarom de vloer opnieuw moet worden gecoat en zware machines verplaatst moeten worden. Uit de verklaring van de heer [naam 2] van [naam eenmanszaak] blijkt onder meer dat hij de hele vloer heeft moeten schoonkrabben, schuren, primen en coaten en de dilatatievoeg heeft moeten openzagen, repareren en vullen met kit. Uit de factuur voor de herstelkosten blijkt dat dit 50 m2 van de vloer betrof. Het partijdebat over de schade is hiermee voldoende afgerond. De door partijen aangevoerde stukken bieden echter onvoldoende duidelijkheid om de schade nauwkeurig te kunnen vaststellen. De kantonrechter zal daarom gebruiken maken van zijn bevoegdheid om de schade te schatten. In dit kader wordt het volgende relevant geacht. Rodaal heeft met de door haar overgelegde stukken onvoldoende toegelicht waarom de gehele vloer – dus ook de goede delen – moeten worden vervangen. Ook heeft Rodaal onvoldoende toegelicht dat stofvrij schuren enkel mogelijk is met behulp van het (kennelijk vrij kostbare) afzuigsysteem. Dit leidt ertoe – mede gelet op de kosten die [eiser] , [naam eenmanszaak] en betoncoatingonline (eerder) in rekening hebben gebracht – dat de kantonrechter de arbeids- en materiaalkosten die [naam eenmanszaak] voor het herstel van de vloer heeft geoffreerd buitenproportioneel hoog acht. De kantonrechter stelt de schade van Rodaal in verband met nog te maken herstelkosten voor de vloer, gelet op het voorgaande, vast op een (aanzienlijk lager) bedrag van € 14.000,00.
Rodaal heeft ook aangevoerd schade te lijden als gevolg van de noodzakelijke verplaatsing van de zware metaalbewerkingsmachines voorafgaand aan het herstel van de vloer. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Rodaal echter toegelicht dat herstel van de vloer kan door ofwel stofvrij te werken ofwel door verplaatsing van de machines. Omdat in voornoemde schadevergoeding al rekening wordt gehouden met een stofvrije oplossing, bestaat geen grond voor een separate vergoeding van de kosten voor de verplaatsing van machines. Verplaatsing van de machines is in dat geval volgens Rodaal namelijk niet meer nodig is. Tot slot heeft Rodaal schadevergoeding gevorderd wegens omzetderving, omdat het bedrijf van Rodaal tijdens het herstel niet door zou kunnen gaan. Rodaal heeft echter onvoldoende toegelicht dat en waarom het bedrijf tijdens het herstel van de vloer niet door kan gaan wanneer de machines niet hoeven te worden verplaatst, laat staan wat de (mogelijke) omzetderving in dat geval zou zijn. De kantonrechter zal daarom ook geen schadevergoeding wegens omzetderving toewijzen.
Het voorgaande brengt de totale schadevergoeding op een bedrag van € 17.269,00 (de som van € 3.269,00 + € 14.000,00). Deze schadevergoeding komt in de plaats voor nakoming door [eiser] . Het recht op opschorting eindigt op het moment dat een gebrek niet langer aanwezig is. Dat is ook het geval als een vordering tot nakoming wordt omgezet in schadevergoeding. In het onderhavige geval is een deel van de gebreken al hersteld door een derde en komt de schadevergoeding in de plaats voor de (rest van de) nakoming door [eiser] . Er is in beide gevallen geen sprake meer van een prikkel voor [eiser] om zijn verplichtingen jegens Rodaal (alsnog) na te komen. Rodaal kan zich daarom thans niet meer beroepen op opschorting van de betaling van het nog aan [eiser] verschuldigde bedrag.
Het voorgaande leidt ertoe dat Rodaal een (opeisbare) vordering tot schadevergoeding heeft op [eiser] van € 17.269,00. Deze vordering kan [eiser] verrekenen met de (intussen ook opeisbare) vordering van € 10.705,80. Dit is de som van het bedrag uit de factuur van € 15.705,80 verminderd met het reeds betaalde bedrag van € 5.000,00. Het is namelijk niet (voldoende) gesteld of gebleken dat Rodaal een hoger bedrag dan € 5.000,00 aan [eiser] heeft betaald. Dit betekent dat de vordering in conventie van [eiser] wordt afgewezen en dat de vordering in reconventie van Rodaal voor een bedrag van € 6.563,20 (€ 17.269,00 -/- € 10.705,80) wordt toegewezen.
Wettelijke rente
De over de hoofdsom in reconventie gevorderde wettelijke rente is onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze wordt daarom toegewezen met ingang van 27 mei 2025 – de datum van de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van Rodaal – tot de dag van volledige betaling.
Afwijzing verklaring voor recht
De gevorderde verklaring voor recht dat [eiser] aansprakelijk is voor de schade van Rodaal als gevolg van de ondeugdelijke prestatie van [eiser] wijst de kantonrechter af. Het is namelijk niet gebleken dat Rodaal hierbij na veroordeling van [eiser] tot schadevergoeding een (afzonderlijk) belang heeft.
Buitengerechtelijke incassokosten
Rodaal vordert een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De toewijsbaarheid van deze vordering zal worden beoordeeld aan de hand van art. 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit bik). Niet gesteld is dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De vordering is dan ook niet toewijsbaar. Ook [eiser] heeft rente en buitengerechtelijke incassokosten gevorderd, maar die is Rodaal niet verschuldigd, omdat [eiser] in verzuim was.
Proceskosten in conventie
[eiser] is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Rodaal worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
406,00
(1 punt × € 406,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
541,00
Proceskosten in reconventie
[eiser] is ook in reconventie (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van Rodaal worden begroot op € 203,00 aan salaris gemachtigde (1 punt x factor 0,5 x € 406,00).
5. De beslissing
De kantonrechter
in conventie
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 541,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in reconventie
veroordeelt [eiser] om aan Rodaal te betalen een bedrag van € 6.563,20 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, vanaf 27 mei 2025 tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 203,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
veroordeelt [eiser] tot betaling van de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2, 5.3, 5.4 en 5.5 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.A.L. Wiersinga en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2025.