RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugdzaken
zaaknummer / rekestnummer: C/13/752909 / FA RK 24-4206
C/13/765227 / FA RK 25-1474
Beschikking van de meervoudige kamer van 21 augustus 2025 betreffende de echtscheiding met nevenvoorzieningen
in de zaak van:
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. L.A.M. Hartman,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. L. da Silva.
1. De verdere procedure
Bij beschikking van 22 januari 2025 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en heeft de rechtbank de behandeling ten aanzien van de nevenvoorzieningen aangehouden tot een nader te bepalen datum.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de beschikking van deze rechtbank van 22 januari 2025;
- een brief met bijlagen van de vrouw van 7 januari 2025;
- een brief met bijlagen van de man van 13 januari 2025;
- een F9-formulier met bijlagen van de man van 26 mei 2025;
- een brief met bijlagen van de vrouw van 26 mei 2025;
- een brief met bijlagen van de vrouw van 27 mei 2025;
- aanvullingen op het verweerschrift van de man, tevens aanvulling/wijziging van de zelfstandige verzoeken van de man, ingekomen op 27 mei 2025;
- aanvullend verzoekschrift van de vrouw tevens verweerschrift tegen de aanvullende verweren/zelfstandige verzoeken van de man, ingekomen op 2 juni 2025;
- een F9-formulier met bijlagen van de man van 3 juni 2025;
- een F9-formulier met bijlagen van de man van 4 juni 2025;
- een F9-formulier met bijlage van de man van 4 juni 2025;
- een F9-formulier van de man van 4 juni 2025, waarin de man bezwaar maakt tegen de nieuw ingediende verzoeken van de vrouw van 2 juni 2025;
- een F9-formulier met bijlagen van de man van 5 juni 2025.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 juni 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen met hun advocaten, de heer [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en een tolk Spaans voor de vrouw. Door beide partijen zijn pleitnotities voorgedragen en overgelegd.
2. De verdere beoordeling
De rechtbank verwijst naar en neemt over hetgeen is opgenomen in haar beschikking van 22 januari 2025.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op 18 april 2018 te Amstelveen . De vrouw heeft de Venezolaanse nationaliteit. De man heeft de Italiaanse en Venezolaanse nationaliteit.
Partijen hebben op 13 april 2018 huwelijkse voorwaarden opgesteld inhoudende dat er tussen de echtgenoten geen enkele huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap van goederen zal bestaan. Ook zijn partijen overeengekomen dat er geen verrekening bij ontbinding van het huwelijk zal zijn. Partijen hebben als toepasselijk recht voor de vermogensrechtelijke gevolgen van hun huwelijk gekozen voor het Nederlands recht.
De minderjarige kinderen van partijen zijn:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats] .
Bij beschikking van 29 mei 2024 heeft de rechtbank de volgende voorlopige voorzieningen getroffen:
het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning is aan de man toegekend;
de minderjarigen zijn toevertrouwd aan de man;
een voorlopige zorgregeling waarbij de minderjarigen van zondag tot en met dinsdag bij de man verblijven en van donderdag tot en met zaterdag bij de vrouw, waarbij de minderjarigen de ene woensdag bij de man en de andere woensdag bij de vrouw verblijven en waarbij de vakanties bij helfte tussen partijen worden verdeeld;
een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie van € 100,- per kind per maand.
Bij beschikking van 22 november 2024 is het verzoek tot wijziging van de voorlopige voorzieningen van 29 mei 2024 afgewezen.
Op 11 december 2024 heeft rechtbank Den Haag het verzoek behandeld van de man om de teruggeleiding van de minderjarigen naar Spanje te bevelen. De rechtbank heeft na afloop van de mondelinge behandeling ter zitting uitspraak gedaan en het verzoek van de man afgewezen. De reden hiervoor was dat naar het oordeel van de rechtbank de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op 31 juli 2024 niet was gewijzigd van Nederland naar Spanje.
De minderjarigen
De vrouw heeft verzocht de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij haar vast te stellen. Voorts heeft de vrouw verzocht te bepalen dat zij zal worden belast met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen.
Ook heeft de vrouw – na wijziging van haar verzoeken – primair verzocht te bepalen dat er een omgangsregeling zal gelden waarbij de man de minderjarigen alleen kan bezoeken op een neutrale locatie in aanwezigheid van een professional en subsidiair een omgangsregeling/zorgregeling te bepalen waarbij de minderjarigen om de week het weekend bij de man verblijven en de man te gebieden dat de omgang slechts in Nederland kan plaatsvinden.
Verder heeft de vrouw – na wijziging van haar verzoeken – primair verzocht te bepalen dat de minderjarigen zullen worden ingeschreven op een school in Nederland naar keuze van de vrouw en subsidiair te bepalen dat de minderjarigen worden ingeschreven op een school in [plaats 1] .
De man heeft – na wijziging van zijn verzoeken – verzocht te bepalen dat de minderjarigen op het adres van de man in [plaats 2] , te weten [adres 1] , hun hoofdverblijfplaats hebben.
Voorts heeft de man verzocht een zorgregeling vast te leggen waarbij de man van zondag tot en met dinsdag zorgdraagt voor de minderjarigen en de vrouw van donderdag tot en met zaterdag, waarbij de woensdag na zwemles een wisseldag is.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Gelet op het internationale karakter van deze zaak dient ambtshalve onderzocht te worden of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en welk recht van toepassing is ten aanzien van voornoemde verzoeken van partijen.
De procedure is na 1 augustus 2022 aanhangig gemaakt, zodat op het voorliggende verzoek de Verordening (EU) 2019/1111 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid en betreffende internationale kinderontvoering (Brussel II-ter) van toepassing is.
Volgens artikel 7 van Brussel II-ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Wijziging van de gewone verblijfplaats tijdens de procedure heeft in beginsel geen invloed op de rechtsmacht.
Gaat het om een geheel nieuw – al dan niet gewijzigd – verzoek dat is gebaseerd op een feitelijk en juridische grondslag die niet is terug te voeren tot het inleidend verzoek, dan geldt in beginsel als peildatum voor het beoordelen van de rechtsmacht met betrekking tot dat verzoek het tijdstip waarop dit geheel nieuwe verzoek is gedaan (HR 8 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1594).
De Verordening Brussel II-ter definieert het begrip gewone verblijfplaats niet. Volgens jurisprudentie dient het begrip te worden ingekleurd door feitelijke omstandigheden. Daarbij moet rekening gehouden worden met de familiebanden en sociale contacten, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied van een lidstaat, de duur en regelmatigheid van het verblijf van het kind en de talenkennis. Ook andere factoren zijn van belang zoals de nationaliteit van het kind, de plaats van inschrijving en de bedoeling van de ouder met gezag om zich ergens anders permanent te vestigen. Bovendien kan de leeftijd van het kind van bijzonder belang zijn. Doorgaans is de omgeving van een jong kind in wezen een familiale omgeving. Voor deze omgeving is of zijn bepalend de persoon of personen bij wie het kind woont, die daadwerkelijk gezag over hem uitoefenen en voor hem zorgen. Daarbij kunnen criteria zoals de redenen voor de verhuizing van de ouders, hun talenkennis en hun geografische en familiale wortels relevant zijn.
Gebleken is dat partijen en de minderjarigen sinds februari 2025 in Spanje wonen. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij (onder druk van de man) had besloten naar Spanje te verhuizen met de intentie in ieder geval een jaar in [plaats 1] , Spanje) te blijven wonen. Op dit moment verblijven beide partijen en de minderjarigen in [plaats 2] en gaan de minderjarigen in [plaats 2] naar school. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen sinds februari 2025 is gewijzigd van Nederland naar Spanje. De vrouw heeft nog gesteld dat zij onder druk van de man haar medewerking heeft verleend aan de verhuizing van Nederland naar Spanje, maar dit doet niets af aan het feit dat de gewone verblijfplaats van de kinderen zich inmiddels in Spanje bevindt. Bovendien heeft de vrouw dit standpunt, gelet op de gemotiveerde betwisting hiervan door de man, onvoldoende onderbouwd.
De vrouw heeft op 2 juni 2025 gewijzigde verzoeken ingediend. De gewone verblijfplaats van de kinderen lag op dat moment in Spanje. De rechtbank leest in de aanvullende verzoeken van de vrouw ingediend op 2 juni 2025 geheel nieuwe verzoeken die niet terug te voeren zijn tot de inleidende verzoeken. De vrouw verzoekt (naar de rechtbank begrijpt) om vervangende toestemming tot verhuizing van Spanje naar Nederland, althans binnen Spanje (van [plaats 2] naar [plaats 1] ). Immers, de vrouw verzoekt vaststelling van een zorg- c.q. omgangsregeling hier in Nederland en vervangende toestemming tot inschrijving van de minderjarigen op een school in Nederland, dan wel in [plaats 1] .
Nu de gewone verblijfplaats van de kinderen op het moment dat deze verzoeken werden gedaan in Spanje was, is de rechtbank van oordeel dat zij niet bevoegd is ten aanzien van deze nieuwe verzoeken van de vrouw. Daarin betrekt de rechtbank dat de man verweer heeft gevoerd tegen de bevoegdheid van de rechtbank ten aanzien van deze verzoeken en dat hij de rechtsmacht ook niet uitdrukkelijk heeft aanvaard.
Wel is de Nederlandse rechtbank bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de verzoeken ten aanzien van de hoofdverblijfplaats (in Spanje), de zorgregeling (in Spanje) en het gezag, nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen op het tijdstip dat deze verzoeken werden gedaan in Nederland lag.
Inhoudelijke beoordeling
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Beide partijen hebben verzocht een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) vast te stellen.
Thans wordt de bij voorlopige voorzieningen vastgestelde co-ouderschapsregeling uitgevoerd. De rechtbank stelt voorop dat zij in haar beoordeling – gelet op het voorgaande – ervan uitgaat dat beide partijen in [plaats 2] wonen.
De man verzoekt de bij voorlopige voorzieningen vastgestelde regeling ook in de bodemprocedure vast te stellen. Hij stelt daartoe dat het in het belang van de minderjarigen is deze regeling voort te zetten omdat de minderjarigen hierdoor veel contact met beide ouders hebben. Voorts stelt de man dat het goed gaat met de minderjarigen in [plaats 2] . De man verzoekt – in afwijking van de beschikking voorlopige voorzieningen – te bepalen dat de wisseling van de kinderen op de woensdag naar de vrouw plaatsvindt na de zwemles.
De vrouw voert verweer en verzoekt een omgangsregeling vast te stellen waarbij de man de minderjarigen alleen kan bezoeken op een neutrale locatie in aanwezigheid van een professional. De vrouw stelt dat er diverse feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan zodat de vrouw van oordeel is dat de omgang tussen de man en de minderjarigen na de echtscheiding onder begeleiding dient plaats te vinden. Volgens de vrouw probeert de man de vrouw in zijn macht te krijgen en te houden. Zo heeft zij uit angst om haar kinderen te verliezen en onder druk van de man ingestemd met de verhuizing naar Spanje en is zij door toedoen van de man genoodzaakt geweest om van [plaats 1] naar [plaats 2] te verhuizen. De vrouw verblijft thans in een appartement dat de man voor haar heeft gehuurd in [plaats 2] ; de man beschikt over een sleutel, hij kan binnen komen wanneer hij wil en dit heeft ook al geleid tot huiselijk geweld.
De man heeft voornoemde stellingen van de vrouw betwist.
De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren gebracht. Voor de minderjarigen is voorspelbaarheid, continuïteit en fysieke en emotionele veiligheid van belang. De Raad acht het zorgelijk dat er zoveel wisselingen hebben plaatsgevonden qua school, verblijfplaats en verantwoordelijkheid voor hun zorg. Hoewel ouders andere uitgangspunten hebben, lijkt het co-ouderschap voor de minderjarigen nu relatief stabiel en is het positief dat beide ouders een grote rol spelen in het leven van de minderjarigen. Bij een verhuizing van de moeder met de minderjarigen naar Nederland zou dat weer een verandering voor de minderjarigen inhouden. Een Raadsonderzoek behoort, nu de minderjarigen in Spanje wonen, niet tot de mogelijkheden.
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank is van oordeel dat het in het belang is van de minderjarigen dat de huidige zorgregeling waarbij de zorg gelijk wordt gedeeld, wordt gehandhaafd. Na de vele wisselingen sinds het uiteengaan, is de rechtbank met de Raad van oordeel dat continuïteit in het belang van de minderjarigen is. De rechtbank ziet geen aanleiding een andere regeling dan in de beschikking voorlopige voorzieningen van 29 mei 2024 is vastgelegd, vast te stellen. Deze regeling loopt op zichzelf goed volgens beide partijen. De rechtbank acht het in het belang van de minderjarigen dat er gelijkwaardig contact is met beide ouders, zodat de rechtbank het verzoek van de man zal toewijzen, met uitzondering van de wisseling op woensdag na de zwemles naar de vrouw, onder afwijzing van het verzoek van de vrouw. Wat betreft de woensdag zal de rechtbank conform de voorlopige zorgregeling bepalen. Op die manier is ook voorzien in de verdeling van de zorg op de woensdag. De zwemlessen kunnen partijen in onderling overleg regelen.
De rechtbank overweegt ten overvloede dat de man tijdens de mondelinge behandeling uitdrukkelijk heeft toegezegd dat hij de woning van de vrouw in [plaats 2] niet zonder toestemming van de vrouw zal betreden. De rechtbank hecht sterk aan de toezegging van de man op dit punt en gaat hier bij haar beslissing van uit.
Hoofdverblijfplaats
De vrouw heeft verzocht de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij haar te bepalen. De vrouw heeft daartoe aangevoerd dat zij altijd de hoofdverzorger van de minderjarigen is geweest.
De man heeft verzocht de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij hem te bepalen. De man heeft daartoe aangevoerd dat hij de stabiele factor voor de minderjarigen is.
Zoals hiervoor overwogen is er tussen partijen sprake van een gelijke verdeling van de zorg. Nu hiervan sprake is, ziet de rechtbank geen aanleiding om te bepalen dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij één van hen. Dit doet immers geen recht aan de gelijkwaardige rol die de ouders in geval van co-ouderschap vervullen. Daarnaast zal de vaststelling van het hoofdverblijf, welke term voor ouders een emotionele lading kan hebben, tot conflicten tussen de ouders kunnen leiden. De rechtbank vindt het daarom niet in het belang van de minderjarigen om het hoofdverblijf bij één van de ouders vast te stellen. De verzoeken van partijen hiertoe zal de rechtbank dan ook afwijzen.
Gezag
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat het gezag over de minderjarigen na echtscheiding alleen aan haar toekomt. De vrouw stelt dat er diverse feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan waardoor het in het belang van de minderjarigen is dat de vrouw met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen wordt belast. De man heeft meermalen misbruik gemaakt van de situatie dat de kinderen – om praktische redenen – bij voorlopige voorzieningen aan hem zijn toevertrouwd. Door zijn handelen ontstaat het onaanvaardbare risico dat de minderjarigen klem of verloren zullen raken tussen hun ouders. Gezien de volhardende houding van de man verwacht de vrouw niet dat er binnen afzienbare tijd voldoende verbetering is te verwachten.
De man heeft daartegen als verweer gevoerd dat de minderjarigen niet klem en verloren raken of dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van hen is. Partijen spelen beiden een belangrijke rol in het leven van de minderjarigen en zijn voldoende in staat om gezamenlijke beslissingen te nemen rondom de minderjarigen.
De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt is dat ouders na echtscheiding het ouderlijk gezag gezamenlijk blijven uitoefenen. Op verzoek van één van de ouders kan de rechtbank bepalen dat het gezag slechts aan één van beiden toekomt, indien er een onaanvaardbaar risico bestaat dat bij behoud van gezamenlijk gezag een minderjarig kind klem of verloren raakt tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen, dan wel indien dat anderszins in het belang is van de minderjarige. Naar het oordeel van de rechtbank is niet voldaan aan de criteria om de moeder met het eenhoofdig gezag te belasten. Daarbij betrekt de rechtbank voorts dat het niet ongebruikelijk is dat de verstandhouding tussen partijen gedurende of vlak na de echtscheiding nog niet optimaal is. Bovendien bestaat er – zoals hiervoor overwogen – een co-ouderschapsregeling, zodat het voor de hand ligt dat beide ouders met het gezag belast blijven nu zij beiden een even belangrijke rol spelen in het leven van de minderjarigen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om haar met het eenhoofdig gezag te belasten dan ook afwijzen.
Kinderbijdrage
De vrouw heeft – na wijziging van haar verzoek – verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) vast te stellen van € 654,- per kind per maand (totaal € 1.308,- per maand).
De man heeft daartegen verweer gevoerd.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Ook hier zal de rechtbank ambtshalve onderzoeken of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en welk recht van toepassing is.
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen.
Op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Spaans recht toepassen.
Artikel 3 van het Protocol luidt als volgt:
Tenzij dit Protocol anders bepaalt, worden onderhoudsverplichtingen beheerst door het recht van de Staat waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft.
In geval van verandering van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde, is het recht van de Staat van de nieuwe gewone verblijfplaats van toepassing vanaf het tijdstip waarop de verandering intreedt.
Ingevolge lid 2 van voornoemd artikel verandert het toepasselijk recht als de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde verandert. Nu de gewone verblijfsplaats van de minderjarigen inmiddels in Spanje is gelegen, is Spaans recht van toepassing op dit verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
Beide partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling verzocht – indien het Spaanse recht van toepassing is – hen in de gelegenheid te stellen zich daarover nader uit te laten. De rechtbank zal hen daartoe in de gelegenheid stellen en de verdere behandeling van de zaak op dit onderdeel aanhouden.
Partnerbijdrage
De vrouw heeft op 2 juni 2025 verzocht een door de man te betalen bijdrage in haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) vast te stellen van € 1.385,- per maand met ingang van de datum waarop de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven, dan wel een door de rechtbank in redelijkheid te bepalen bijdrage.
De man heeft bezwaar gemaakt tegen het late verzoek van de vrouw en stelt dat het buiten de wettelijke termijn is verzocht, waardoor geen termijn is geboden om schriftelijk te kunnen reageren.
De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 283 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) een verzoeker bevoegd is, zolang de rechter nog geen eindbeschikking heeft gegeven, het verzoek of de gronden daarvan te verminderen, dan wel schriftelijk te veranderen of te vermeerderen. In het geval van verandering of vermeerdering is artikel 130 Rv van overeenkomstige toepassing. Toepassing van artikel 130 Rv brengt met zich mee dat een verandering of vermeerdering buiten beschouwing kan worden gelaten op de grond dat deze in strijd is met de eisen van een goede procesorde.
De rechtbank stelt vast dat de vrouw niet eerder dan op 2 juni 2025 (drie dagen voor de mondelinge behandeling) voor het eerst om een partnerbijdrage verzocht. De man is door deze gang van zaken geschaad in zijn mogelijkheden om verweer te voeren. Met de man is de rechtbank van oordeel dat dit verzoek als tardief en derhalve in strijd met de goede procesorde moet worden aangemerkt. Gesteld noch gebleken is bovendien dat het voor de vrouw niet mogelijk is geweest om dit verzoek op een eerder moment in te dienen. De rechtbank zal dit verzoek dan ook buiten beschouwing laten.
Verdeling eenvoudige gemeenschap
De vrouw heeft de wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschap, te weten de woning aan de [adres 2] , verzocht. De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man binnen twee weken na datum van de te wijzen beschikking dient mee te werken aan de verkoop van de woning aan een derde en dat de verkoopopbrengst na aftrek van kosten tussen partijen bij helfte wordt gedeeld.
De man voert verweer. De man wil de woning graag onverdeeld laten. Hij voert daartoe aan dat de opbrengst bij verkoop beperkt is, aangezien de woning is verhuurd, en partijen daarnaast de vruchten kunnen plukken van de huuropbrengsten. Daarnaast vindt de man het onredelijk om te bepalen dat de woning verkocht dient te worden, aangezien de man wellicht de woning kan overnemen als de vrouw haar deel van de schuld aan de B.V. terugbetaalt en hij dan vervolgens kan leven van een deel van de huuropbrengsten.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Ook hier zal de rechtbank ambtshalve onderzoeken of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en welk recht van toepassing is.
Dit geschil valt niet onder de Verordening Huwelijksvermogensstelsel nu de woning van partijen een eenvoudige gemeenschap betreft en niet ziet op een vermogensrechtelijke betrekking die ten gevolge van het huwelijk of de ontbinding daarvan, tussen de echtgenoten onderling of tussen de echtgenoten en derden is ontstaan.
Geschillen over de verdeling van een woning die een eenvoudige gemeenschap vormt (vaststelling van de verdeling en vaststelling van de wijze van verdeling), vallen onder het materiële werkingsbereik van de Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PbEU 2012, L 351, zoals laatstelijk gewijzigd op 26 november 2014, PbEU 2015, L 54 (hierna aangeduid als Brussel Ibis). Dergelijke geschillen zijn immers aan te merken als burgerlijke en handelszaken als bedoeld in artikel 1 lid 1 Brussel 1bis omdat deze geschillen hun oorsprong vinden in het algemene vermogensrecht.
Het verzoek van de vrouw strekkende tot de vaststelling van de wijze van verdeling van de woning is gebaseerd op een persoonlijk recht. Immers, toewijzing van dit verzoek heeft geen goederenrechtelijke werking, maar bindt uitsluitend partijen. Daarmee valt dit verzoek niet onder de reikwijdte van artikel 24 lid 1 Brussel Ibis (zakelijke rechten op onroerende goederen). Aangezien geschillen over persoonlijke rechten niet onder de werking van artikel 24 lid 1 Brussel Ibis vallen, vallen deze geschillen ook niet onder de uitzondering op de in artikel 4 Brussel Ibis verankerde hoofdregel van het formeel toepassingsgebied. Dit betekent dat deze geschillen conform deze hoofdregel alleen onder de werking van de Brussel Ibis vallen indien de gedaagde woonplaats heeft op het grondgebied van een EU-lidstaat. De Nederlandse rechter is in dit geval alleen bevoegd indien de gedaagde woonplaats heeft binnen Nederland ongeacht de ligging van de desbetreffende woning. De man had ten tijde van het indienen van het verzoek woonplaats binnen Nederland. Wijzigt de woonplaats van de verweerder in de loop van de procedure – zoals hier het geval is – dan heeft dat geen invloed op de internationale bevoegdheid van de aangezochte rechter (perpetuatio fori); vgl. HR 19 maart 2004, ECLI:NLHR:2004:AO2786).
De Nederlandse rechter komt derhalve rechtsmacht toe.
De rechtbank dient vervolgens vast te stellen welk recht van toepassing is. Er is geen internationale regeling die het toepasselijk recht aanwijst. Boek 10 BW betreffende Internationaal Privaatrecht geeft geen rechtstreeks uitsluitsel over het toepasselijke recht voor wat betreft de vorderingen gebaseerd op persoonlijke rechten. Er zal daarom in zoverre zoveel als mogelijk aansluiting moeten worden gevonden bij het wetsartikel dat daarvoor het meest in aanmerking komt. Voor wat betreft de vordering strekkende tot veroordeling van de man om mee te werken aan de verkoop van de woning waarmee de vrouw de wijze van verdeling wil bewerkstelligen, sluit de rechtbank aan bij artikel 10:3 BW. Dit artikel bepaalt dat Nederlands recht altijd van toepassing is op Nederlandse rechterlijke procedures. Weliswaar heeft voornoemde vordering niet te maken met procesrechtelijke kwesties, maar heeft die wel betrekking op procesmatige handelingen. Bijkomend voordeel hiervan is dat als – en dat komt in zaken vergelijkbaar aan deze regelmatig voor – in plaats van, of naast, deze vordering vaststelling van de verdeling zou zijn gevorderd op grond van artikel 10:127 lid 1 BW op die vordering (ook) Nederlands recht van toepassing zou zijn. Een en ander bevordert de rechtszekerheid.
Inhoudelijke beoordeling
Op grond van artikel 3:178 lid 1 BW is het uitgangspunt dat ieder der deelgenoten te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed kan vorderen. De rechter die de verdeling vaststelt, geniet een mate van vrijheid en is niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben verzocht (Hoge Raad 17 april 1998, NJ 1999, 550). Uit artikel 3:178 lid 3 BW volgt verder dat de rechter voor wie een vordering tot verdeling aanhangig is, op verlangen van een deelgenoot een of meermalen, telkens voor ten hoogste drie jaren, een vordering tot verdeling kan uitsluiten indien de door een onmiddellijke verdeling getroffen belangen van een of meer deelgenoten aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door de verdeling worden gediend. De rechtbank moet in dit geval dus beoordelen of het belang van de man bij het onverdeeld laten van de woning aanmerkelijk groter is dan het belang van de vrouw bij verdeling van de woning. De rechtbank is van oordeel dat dat niet zo is.
De rechtbank is van oordeel dat de belangen van de man bij het onverdeeld laten van de woning niet aanmerkelijk groter zijn dan de belangen van de vrouw bij de verdeling hiervan. Immers heeft de vrouw een groot financieel belang bij de verdeling van de woning. De vrouw geniet op dit moment geen inkomsten en heeft ook geen beschikking over vermogen. Dat de woning op dit moment is verhuurd en daardoor een lagere verkoopopbrengst is te verwachten dan dat de woning in onverhuurde staat zal worden verkocht mag zo zijn, maar ter zitting is gebleken dat de woning voor onbepaalde tijd is verhuurd. Van de vrouw kan niet worden verwacht dat zij gedurende de periode dat de woning is verhuurd, geen aanspraak kan maken op haar aandeel in de waarde van deze woning gelet op haar financiële situatie.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw dan ook als na te melden toewijzen. De rechtbank neemt het zogenaamde “spoorboekje” op dat gevolgd dient te worden als partijen gezamenlijk niet anders overeenkomen. In dit “spoorboekje” ligt besloten dat een ieder van partijen zijn/haar medewerking dient te verlenen en wordt zoveel als mogelijk geregeld dat de verdeling van de woning door middel van verkoop ook daadwerkelijk plaatsvindt.
Voldoening geldlening aan [bedrijf] B.V.
De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw aan de man, althans [bedrijf] B.V. dient te voldoen een bedrag van € 78.633,30 (de helft van € 157.266,59), vermeerderd met de contractuele en wettelijke rente vanaf de datum opeisbaarheid tot aan datum der voldoening. Ter onderbouwing van zijn verzoek heeft de man een overeenkomst van geldlening met voornoemde B.V. overgelegd.
De vrouw voert verweer en stelt dat de man niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek dan wel dat zijn verzoek dient te worden afgewezen. De vrouw is met de inhoud van de leningsovereenkomst niet bekend en ontkent en betwist dan ook de geldlening.
De rechtbank zal de man niet ontvankelijk verklaren in dit verzoek in het kader van deze echtscheidingsprocedure. De B.V. is immers geen (proces)partij in deze echtscheidingsprocedure.
Huurinkomsten
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man met ingang van de datum van indiening van het onderhavige verzoekschrift maandelijks 50% van de huurinkomsten (na aftrek van 50% van de hypothecaire lasten) van de voornoemde woning aan de [adres 2] aan de vrouw uitbetaalt.
De man betwist niet dat de vrouw tot de verkoop van de woning aanspraak kan maken op 50% van de huuropbrengsten -/- 50% van de hypotheeklasten -/- 50% van de kosten aan de woning voor onderhoud/gebreken. Het verweer van de man ziet evenwel op de ingangsdatum, in zoverre dat hij meent dat de vrouw pas aanspraak kan maken op het voornoemde vanaf de datum van de af te geven beschikking. De reden hiervoor is dat hij de huuropbrengsten niet voor zichzelf heeft gehouden, maar heeft gebruikt ter voldoening van de hypothecaire lasten, heeft besteed aan de kosten der huishouding en de onderhoudskosten van de woning.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Ook hier zal de rechtbank ambtshalve onderzoeken of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en welk recht van toepassing is.
Ook hier is artikel 4 van de Brussel Ibis van toepassing. Dit betekent dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, nu de man op het moment dat het verzoek bij de rechtbank werd ingediend in Nederland zijn woonplaats had.
Er is geen internationale regeling die het toepasselijk recht aanwijst. Het verzoek van de vrouw is gebaseerd op – uit het algemeen vermogensrecht voortvloeiende – rechten die de vrouw stelt te hebben als mede-eigenaar van de woning. Om die reden sluit de rechtbank aan bij de in artikel 10:127 lid 1 BW neergelegde regel van het recht van Nederland als de staat op welks grondgebied de woning zich bevindt. De rechtbank zal derhalve Nederlands recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
Niet in geschil tussen partijen is dat de vrouw aanspraak kan maken op de helft van de huuropbrengsten minus de helft van de hypotheeklasten en de noodzakelijke onderhoudskosten.
De man voert nog aan dat in redelijkheid de vrouw pas aanspraak kan maken hierop vanaf de datum van de beschikking omdat hij kosten heeft gehad voor de woning. Hoewel noodzakelijke kosten van onderhoud uiteraard ook voor rekening van beide partijen bij helfte komen, heeft de man niet een expliciet verzoek tot verrekening gedaan, noch uiteengezet om welk onderhoud en daarmee verband houdende kosten het zou gaan, waardoor deze kosten – anders dan hypotheeklasten die eenvoudig zijn vast te stellen – te onbepaald zijn. De rechtbank zal dan ook het verzoek toewijzen conform het verzoek van de vrouw.
Vergoedingsvorderingen (verkoopopbrengst woning [locatie] )
De vrouw heeft verzocht voor recht te verklaren dat de vrouw een vordering heeft op de man ter grootte van de helft van de verkoopopbrengst van de woning te [locatie] van € 280.000,-, derhalve € 140.000,- en te bepalen dat de man de helft van de verkoopopbrengst van de woning te [locatie] binnen twee weken na de datum van de te wijzen beschikking aan de vrouw dient te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van verkoop en levering (24 maart 2023) van bedoelde woning te [locatie] .
Ter onderbouwing van haar verzoek stelt de vrouw het volgende. Partijen hadden in gezamenlijk eigendom een woning in [locatie] , welke op 3 januari 2023 is verkocht aan een derde voor een bedrag van € 280.000,-. De vrouw heeft de van de koper ontvangen verkoopopbrengst onder druk van de man aan hem over gemaakt. Ook heeft de vrouw gesteld dat het de bedoeling van partijen was om daarmee gezamenlijk een appartement in [plaats 2] te kopen (wat uiteindelijk niet is gebeurd). De man heeft aldus de volledige verkoopopbrengst ontvangen, terwijl hij dit met de vrouw had moeten delen. De vrouw stelt dat zij recht heeft op (terug)betaling van de helft van de verkoopopbrengst op grond van ongerechtvaardigde verrijking danwel onverschuldigde betaling.
De man heeft verweer gevoerd. Door de man is aangevoerd dat hij recht had op de volledige verkoopopbrengst omdat de man de volledige aankoop van de woning heeft bekostigd met gelden uit zijn B.V. De vrouw was bekend met het vergoedingsrecht van de man op de vrouw op grond van artikel 7.1 van de huwelijkse voorwaarden. De vrouw heeft met het oog op dit vergoedingsrecht het geldbedrag aan de man betaald. De vordering van de vrouw, waarbij zij aanspraak maakt op de helft van de verkoopprijs -/- kosten, dient om deze reden afgewezen te worden.
Rechtsmacht en toepasselijke recht
Ook hier zal de rechtbank ambtshalve onderzoeken of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en welk recht van toepassing is.
Ook hier is artikel 4 van de Brussel Ibis van toepassing. Dit betekent dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, nu de man op het moment dat het verzoek bij de rechtbank werd ingediend in Nederland zijn woonplaats had.
Nu het verzoek van de vrouw niet voortvloeit uit het huwelijksvermogensregime tussen, of samenhangt met een andere bestaande betrekking van, partijen en het verzoek van de vrouw is te kenmerken als een vordering op grond van onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking welke betaling of verrijking zou hebben plaatsgevonden toen partijen beiden nog in Nederland woonachtig waren, is op deze vordering op grond van artikel 10 lid 2 Rome II (Verordening EG, nr. 864/2007) het Nederlandse recht van toepassing.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank overweegt ten aanzien van dit verzoek van de vrouw als volgt. Onverschuldigde betaling is geregeld in artikel 6:203 BW; ongerechtvaardigde verrijking in 6:212 BW. Artikel 6:212 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat hij die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander, verplicht is, voor zover dit redelijk is, diens schade te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking. Voor toewijzing van een vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking dient sprake te zijn van een verrijking, van een verarming, van causaal verband tussen de verrijking en de verarming, en de verrijking dient ongerechtvaardigd, dat wil zeggen, zonder redelijke grond, te zijn. Voor toewijzing van een vordering uit onverschuldigde betaling is vereist dat er zonder rechtsgrond een betaling heeft plaatsgevonden.
Niet in geschil tussen partijen is dat de vrouw een bedrag aan de man heeft overgemaakt. Beide partijen (hoewel over en weer betwist) geven een (andere) reden waarom de vrouw dit heeft gedaan; in verband met de aankoop van een woning in [plaats 2] en in verband met een vergoedingsrecht op grond van de huwelijkse voorwaarden. Op grond hiervan kan naar het oordeel van de rechtbank geen sprake zijn van onverschuldigde betaling, nu ten tijde van het overmaken van het geld er volgens partijen een rechtsgrond bestond. Ook heeft de vrouw, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man, niet voldaan aan haar stelplicht ter zake de ongerechtvaardigde verrijking. Zij heeft immers niet, althans onvoldoende, gesteld dat sprake is van verrijking, verarming, van causaal verband tussen de verrijking en de verarming en dat de verrijking ongerechtvaardigd is.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank deze verzoeken van de vrouw afwijzen.
3. De beslissing
De rechtbank:
in de zaak met zaaknummer / rekestnummer: C/13/752909 / FA RK 24-4206:
stelt de volgende zorgregeling vast:
- de minderjarigen verblijven van zondag tot en met dinsdag bij de man en van donderdag tot en met zaterdag bij de vrouw, waarbij de minderjarigen de ene woensdag bij de man en de andere woensdag bij de vrouw verblijven en waarbij de vakanties bij helfte tussen partijen worden verdeeld;
verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de verzoeken van de vrouw tot vervangende toestemming (terug)verhuizing van de minderjarigen en inschrijving op school;
wijst af de verzoeken ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en het gezag;
bepaalt dat de behandeling omtrent kinderalimentatie pro forma wordt voortgezet op 29 september 2025, in afwachting van bericht van partijen over het Spaanse recht en de gevolgen daarvan voor het kinderalimentatieverzoek, en houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de kinderalimentatie aan.
in de zaak met zaaknummer / rekestnummer: C/13/765227 / FA RK 25-1474:
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot terugbetaling van een lening bij [bedrijf] B.V.;
bepaalt dat de man met ingang 25 juni 2024 (datum indiening verzoekschrift) maandelijks 50% van de huurinkomsten (na aftrek van 50% van de hypothecaire lasten) van de [adres 2] aan de vrouw uitbetaalt;
gelast de navolgende wijze van verdeling van de woning aan de [adres 2] :
- partijen dienen gezamenlijk opdracht tot verkoop te geven aan een makelaar;
- als partijen het niet eens worden over welke makelaar de verkoop moet begeleiden, dan dient de man binnen één week na afgifte van deze beschikking schriftelijk drie erkende makelaars aan de vrouw te noemen, waarvan de vrouw er binnen één week daarna schriftelijk één uitkiest. Indien de man niet binnen de termijn van één week drie makelaars voorstelt, is de vrouw gerechtigd zelf een makelaar te kiezen. Indien omgekeerd de vrouw niet binnen één week uit de drie voorgestelde makelaars een keuze maakt, is de man gerechtigd om zelf een van de drie makelaars uit te kiezen;
- partijen zullen dan uiterlijk binnen 14 dagen na de hiervoor genoemde keuze, gezamenlijk opdracht tot verkoop geven aan de gekozen makelaar;
- indien partijen niet uiterlijk binnen deze termijn gezamenlijk een verkoopopdracht hebben gegeven aan de makelaar, is ieder van partijen afzonderlijk bevoegd deze makelaar - mede als vertegenwoordiger van de ander - opdracht tot verkoop te geven;
- partijen zullen in onderling overleg met de makelaar de vraagprijs, die dient te zijn gebaseerd op de woningmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, bepalen;
- indien partijen er niet binnen twee weken na de opdrachtverlening aan de makelaar in slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, zal de makelaar de woning te koop mogen aanbieden tegen een marktconforme vraagprijs;
- partijen zullen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt indien en voor zover die prijs volgens beide partijen de best mogelijke prijs is;
- beide partijen zijn vervolgens verplicht hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning;
- na verkoop moet met de verkoopopbrengst de hypothecaire geldlening(en) worden afgelost en de aan de verkoop verbonden kosten worden betaald; het eventuele restant moeten partijen bij helfte delen, dan wel voor zover er een restschuld ontstaat, moeten zij ieder de helft daarvan dragen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de verzoeken voor het overige af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.M. Mellema, voorzitter tevens kinderrechter, mr. J. Kloosterhuis en mr. A.B. Sluijs, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.K. Soeters op 21 augustus 2025.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.