RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11627557 \ CV EXPL 25-5259
Vonnis in incident van 23 september 2025
in de zaak van
1. [eiser 1] ,
wonende in [woonplaats 1] ,2. [eiser 2],
wonende in [woonplaats 1] ,
eisende partijen in de hoofdzaak,
verwerende partijen in het incident,
hierna samen (in enkelvoud) te noemen: [eiser] ,
gemachtigden: mr. F.A. Rippen en C.E. Dettmeijer-Vermeulen,
tegen
1. [gedaagde 1] ,
wonende in [woonplaats 2] ,2. [gedaagde 2],
wonende in [woonplaats 3] (Verenigde Staten van Amerika),
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident,
hierna samen (in enkelvoud) te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaardingen van 25 maart 2025, met producties,- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring, met één productie,
- de conclusie van antwoord in het incident,
- het bericht van de griffier van 5 augustus 2025,
- het bericht van [eiser] van 15 augustus 2025,
- het bericht van de griffier van 26 augustus 2025.
Daarna is vonnis bepaald in het incident.
2. De feiten, voor zover van belang in het incident
Op 30 juni 2023 heeft [eiser] van [gedaagde] het appartement aan de [adres 1] gekocht. Het pand aan de [locatie 1] bestaat uit een appartement op de begane grond ( [adres 1] ) en een bovenwoning op de eerste en tweede etage ( [adres 2] ). Het appartement [adres 1] is op 4 september 2023 door [gedaagde] aan [eiser] geleverd.
Daarna is [eiser] bekend geworden met een aansprakelijkstelling van 2 augustus 2019 van de Vereniging van Eigenaars [naam VvE 1] (hierna: VvE [naam VvE 1] ) aan de Vereniging van Eigenaars [naam VvE 2] (hierna: VvE [naam VvE 2] ). De aansprakelijkstelling heeft betrekking op schade als gevolg van, kort gezegd, werkzaamheden aan de mandelige bouwmuur tussen beide panden die zijn uitgevoerd door de toenmalige bewoner van de [adres 2] , de heer [naam] (hierna: [naam] ).
3. De vordering in de hoofdzaak
[eiser] vordert, primair en samengevat, dat de kantonrechter [gedaagde] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 25.000,00. [eiser] heeft desgevraagd uitdrukkelijk afstand gedaan van het meerdere boven € 25.000,00 (behoudens de wettelijke rente vanaf de dagvaarding en de proceskosten).
4. Het geschil in incident
[gedaagde] verzoekt [naam] in vrijwaring op te mogen roepen en daarbij rekening te houden met een oproeptermijn van vier weken omdat de dagvaarding in vrijwaring in Portugal moet worden betekend.
[eiser] is het niet eens met de incidentele vordering en concludeert tot afwijzing.
5. De beoordeling in het incident
Op grond van artikel 210 Rv moet een vordering tot oproeping in vrijwaring vóór alle weren worden ingediend. In deze zaak is de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring vóór alle weren en dus op tijd ingediend.
Verder is voor toewijzing van de incidentele vordering nodig dat [gedaagde] zich beroept op een rechtsverhouding met de in vrijwaring op te roepen derde, in dit geval [naam] , die inhoudt dat [naam] verplicht is om de nadelige gevolgen van de beslissing in de hoofdzaak tegen [gedaagde] te dragen. Het daadwerkelijk bestaan van de gestelde rechtsverhouding tussen [gedaagde] en [naam] hoeft nog niet vast te staan. Dat zal in de vrijwaringszaak moeten worden onderzocht.
Dit betekent dat [gedaagde] moet stellen dat tussen haar en [naam] een rechtsverhouding bestaat die voor [naam] een verplichting tot vrijwaring meebrengt. [gedaagde] heeft dit gedaan. Zij stelt namelijk dat [naam] aan haar heeft laten weten dat hij, en niet de VvE [naam VvE 2] , verantwoordelijk is voor de uitgevoerde werkzaamheden en de consequenties daarvan. Hiervoor verwijst [gedaagde] naar een e-mail van [naam] van 15 augustus 2019 waarin staat:
“Ik wil mijn advocaat laten reageren op de buren van [locatie 2] . (Zie hieronder). Als je er mee eens ben neem ik alle verantwoordelijkheid op me en niet de VvE. Lijkt me alleen maar logisch.”
Daarmee heeft [gedaagde] in dit stadium voldoende toegelicht dat niet valt uit te sluiten dat zij voor de vordering van [eiser] regres kan nemen op [naam] .
Aan [eiser] kan worden toegegeven dat de vrijwaring mogelijk zal leiden tot enige vertraging van de procedure, maar die vertraging is vooralsnog niet onaanvaardbaar.
De conclusie is dat de incidentele vordering wordt toegewezen en dat het [gedaagde] wordt toegestaan [naam] in vrijwaring op te roepen tegen de hierna in de beslissing vermelde roldatum. Bij deze roldatum is rekening gehouden met betekening van de dagvaarding in Portugal, waarvoor de termijn volgens artikel 115 lid 1 Rv ten minste vier weken is.
[eiser] moet als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten in het incident betalen. Deze kosten worden aan de zijde van [gedaagde] begroot op: - salaris gemachtigde € 204,00 (1 x € 204,00)
- nakosten € 67,50
Totaal € 271,50
6. De beslissing
De kantonrechter
in het incident
staat het [gedaagde] toe om [naam] te dagvaarden tegen de terechtzitting van 4 november 2025,
veroordeelt [eiser] in de kosten van het incident, aan de kant van [gedaagde] begroot op € 271,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, moet zij ook de kosten van betekening betalen,
in de hoofdzaak
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 21 oktober 2025 voor conclusie van antwoord door [gedaagde] ,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T. Kruis, kantonrechter, bijgestaan door mr. N. Noordmans, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2025.