RECHTBANK AMSTERDAM
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/13/774342 / JE RK 25-601
Datum uitspraak: 28 augustus 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te Velserbroek, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. G. Öntas te Amsterdam,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. M. Bou-Asrar te Leeuwarden.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 20 augustus 2025;
een schriftelijke update van Comfortzorg, ontvangen op 28 augustus 2025.
De zittingen met gesloten deuren hebben plaatsgevonden op 21 augustus 2025, gelijktijdig met de zaak betreffende het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling met zaaknummer C/13/771963 / JE RK 25-483 en op 28 augustus 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat via een videoverbinding;
- de moeder met haar advocaat;
mevrouw [naam 1] , namens de GI;
de heer [naam 2] via een videoverbinding, namens de GI.
2. De feiten
De ouders zijn met elkaar gehuwd te Amsterdam op 9 augustus 2011. Hun huwelijk is op 8 januari 2016 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 23 december 2015 in de registers van de burgerlijke stand.
[minderjarige] is gedurende het huwelijk van de ouders geboren.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
In de echtscheidingsbeschikking is het door de ouders opgestelde ouderschapsplan opgenomen. In het ouderschapsplan is opgenomen dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft.
In de beschikking van deze rechtbank van 16 december 2020 is de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder vastgesteld en is een zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] vastgesteld.
Bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 19 oktober 2021 is in hoger beroep in het kader van een zorgregeling bepaald dat [minderjarige] eenmaal in de veertien dagen bij de vader verblijft van vrijdagmiddag na school tot zondag 18.00 uur, waarbij de vader [minderjarige] haalt en brengt.
Bij beschikking van 13 juni 2024 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Jeugdreclassering [locatie 1] , tot 13 september 2024.
Bij vonnis in kort geding van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 19 juni 2024, is bepaald dat vader man op straffe van een dwangsom, [minderjarige] terug moest brengen naar de moeder.
Bij beschikking van deze rechtbank van 21 juni 2024 is [minderjarige] met een spoedmachtiging voor de duur van twee weken uit huis geplaatst in een voorziening voor pleegzorg.
Bij beschikking van deze rechtbank van 4 juli 2024 is de mondelinge beslissing van 21 juni 2024 gehandhaafd en is het verzoek voor het overige afgewezen.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 30 augustus 2024 [minderjarige] onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar, te weten tot 30 augustus 2025.
Bij beschikking van deze rechtbank van 27 december 2024 is het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen afgewezen.
Bij beschikking van deze rechtbank van 7 juli 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader verleend met ingang van 7 juli 2025 tot 30 augustus 2025.
Bij beschikking van deze rechtbank van 21 augustus 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd voor de duur van een jaar, te weten tot 21 augustus 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling gedurende dag en nacht voor verblijf in een gezinsgerichte accommodatie en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De GI
De GI heeft ter zitting gepersisteerd bij haar verzoek. De GI heeft geconcludeerd dat verblijf bij de vader niet geschikt is voor [minderjarige] . De vader neemt onvoldoende verantwoordelijkheid voor de nodige opvoedingstaken, zoals het contact met de school van [minderjarige] . De GI vindt een neutrale woonplek voor [minderjarige] aangewezen. Tijdens de zitting is gebleken dat maandag 1 september 2025 een intake bij het gezinshuis [ggz-aanbieder] in [locatie 2] zal plaatsvinden, waarna [minderjarige] hoogstwaarschijnlijk enige dagen later kan worden geplaatst. Mocht dit onverhoopt niet zo zijn dan zal [minderjarige] bij zijn vader blijven, aangezien een crisisplek niet geschikt wordt geacht voor [minderjarige] .
De moeder
De moeder heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden toegewezen. De moeder heeft zorgen in hoeverre de vader de structuur en begeleiding kan bieden die [minderjarige] nodig heeft. De moeder heeft er vertrouwen dat het gezinshuis wel die nodige structuur en professionele begeleiding kan bieden.
De vader
De vader heeft verzocht het verzoek af te wijzen. Er is onvoldoende concreet geworden wat de zorgen zijn bij de vader thuis. Er is onvoldoende onderzocht hoe de situatie bij de vader verbeterd kan worden om de zorgen weg te nemen. De vader heeft zijn best heeft gedaan in het contact met school, maar is daar tegen praktische problemen aangelopen.
5. De beoordeling
De kinderrechter kan een machtiging tot uithuisplaatsing op verzoek van de gecertificeerde instelling verlenen als dat noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen of tot onderzoek van de geestelijke of lichamelijke gesteldheid van de minderjarigen (artikel 1:265b, tweede lid, en artikel 1:265c, eerste lid, van het BW).
De kinderrechter is van oordeel dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinshuis noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. Het is de kinderrechter gebleken dat de vader [minderjarige] liefdevol opvoedt en de basale opvoedtaken uitvoert. Echter is er op de leeftijd van [minderjarige] meer zorg nodig dan de vader op dit moment kan bieden. Ter zitting is gebleken dat [minderjarige] bij de vader zelfbepalend is en onvoldoende begeleiding en structuur krijgt. [minderjarige] krijgt daardoor onvoldoende ruimte om een gezonde algehele ontwikkeling door te maken en kan zich niet richten op zijn eigen ontwikkelingstaken. De ontwikkeling van [minderjarige] wordt derhalve ernstig bedreigd. Voorts heeft de kinderrechter onvoldoende vertrouwen dat het contact met de moeder hersteld wordt zolang [minderjarige] bij de vader verblijft. Bij [minderjarige] is sprake van ernstige loyaliteitsproblematiek, die onder invloed van de vader almaar dreigt toe te nemen. De kinderrechter acht het in het belang van [minderjarige] dat hij zich verder gaat ontwikkelen op een neutrale plek, zonder negatieve beïnvloeding van zijn ouders. De kinderrechter vindt het daarnaast belangrijk dat [minderjarige] naar zijn oude school terugkeert en de jongerencoach betrokken blijft met wie [minderjarige] al een vertrouwensband heeft opgebouwd. De kinderrechter zal daarom het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij het gezinshuis toewijzen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter ziet hardnekkige patronen in het gezin en wil dat [minderjarige] in alle rust toekomt aan zijn ontwikkelingstaken en contactherstel met de moeder. De kinderrechter verwacht dat dit nog een behoorlijke tijd zal duren. Daarbij merkt de kinderrechter wel op dat een kortere duur van de uithuisplaatsing mogelijk is als blijkt dat de omstandigheden zich daarvoor lenen. Het contact met de vader blijft in stand volgens de uitgesproken omgangsregeling.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Er wordt als volgt beslist.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] gedurende dag en nacht voor verblijf in een gezinsgerichte accommodatie, te weten het gezinshuis van [ggz-aanbieder] in [locatie 2] , met ingang van 1 september 2025 voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 21 augustus 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2025 door mr. E.M. Devis, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. S. Pattiasina als griffier, en op schrift gesteld op 28 augustus 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.