RECHTBANK AMSTERDAM
Wrakingskamer
Beslissing op het op 18 maart 2025 bij de Centrale Balie ingediende en op 19 maart 2025 aan de Wrakingskamer doorgezonden en onder rekestnummer C/13/766613 HA RK 25/99 ingeschreven verzoek van:
[bewindvoerder] , als bewindvoerder van [verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
welk verzoek strekt tot wraking van mr. B.T. Beuving, kantonrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.
1. Verloop van de procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:
het wrakingsverzoek met bijlagen van 18 maart 2025.
De rechter heeft niet in de wraking berust.
2. De feiten en het verzoek
Bij beslissing van 5 februari 2025 is een wrakingsverzoek van verzoeker in de zaak met kenmerk 1138706 CV EXPL 24-14113 gericht tegen een andere kantonrechter toegewezen (zaaknummer C/760506 HA RK 24-429).
Bij brief van 20 februari 2025 is namens de rechter door de griffie aan de gemachtigde van verzoeker onder meer meegedeeld: “Gezien de wraking in deze zaak, zal deze door een andere kantonrechter behandeld worden en dient de mondelinge behandeling opnieuw gepland te worden. Op de rolzitting van 4 maart 2025 zal worden bepaald op welke datum deze mondelinge behandeling zal plaatsvinden.”
Bij brief van 24 februari 2025 aan het team kanton heeft de gemachtigde onder verwijzing naar de eerdere uitspraak op het wrakingsverzoek onder meer gesteld dat in de onderhavige zaak een dagvaarding dient te worden uitgebracht.
Bij brief van 17 maart 2025 is namens de rechter door de griffie aan de gemachtigde van verzoeker meegedeeld: “Op 21 maart 2024 heeft de VvE een vordering tegen [verzoeker] ingesteld bij de rechtbank Noord-Holland. Deze zaak is op verzoek van [verzoeker] naar de rechtbank Amsterdam verwezen. Inmiddels is de zaak in behandeling bij mr. B.T. Beuving. Voor voortzetting van de procedure is vereist dat een van de partijen de andere partij oproept bij exploot tegen een nieuwe roldatum. Dit is tot heden nog niet gebeurd. Nadat dit exploot is uitgebracht zal [verzoeker] in de gelegenheid worden gesteld een conclusie van antwoord te nemen.
U kunt de vorige brief van 20 februari 2025 als niet verzonden beschouwen”
Verzoeker stelt dat:
a. a) De rechter die een niet aangebrachte zaak in behandeling stelt te hebben, die buiten de procesorde om door een andere (terecht) gewraakte rechter op strikt persoonlijke titel van een procedure nummer is voorzien, terwijl de gewraakte rechter ook zelf stelt dat deze procedure met een exploot dient te worden ingeleid, geeft door desondanks te stellen ‘de zaak’ toch in behandeling te hebben, blijk van kennelijke niet onpartijdigheid naar subjectieve en objectieve maatstaven.
b) Dat de gewraakte rechter wenst te negeren dat [verzoeker] stelt dat de rechtbank Haarlem relatief bevoegd is, en zomaar stelt (zonder exploot) de zaak in behandeling te hebben in Amsterdam, geeft blijk van kennelijke niet onpartijdigheid naar subjectieve en objectieve maatstaven.
c) Dat de gewraakte rechter stelt dat er een ‘nieuwe’ roldatum gevraagd dient te worden voor deze ‘behandeling’, alsof het om een voortgezette behandeling zou gaan van een zaak die niet is aangebracht, geeft blijk van kennelijke niet onpartijdigheid naar subjectieve en objectieve maatstaven.
d) Niet valt in te zien waarom een rechter zou menen een ‘zaak’ in behandeling te hebben die niet is aangebracht en daarvoor notabene met de brief van 17 maart 2025 aan de VvE verzoekt om alsnog een exploot uit te brengen om met deze ‘behandeling’ door te kunnen gaan. Waarom zou een rechter, in casu de gewraakte rechter, een niet aangebrachte behandeling willen voortzetten? Dit kan alleen maar op volstrekte partijdigheid duiden, waarmee de schijn van kennelijke niet onpartijdigheid naar subjectieve en objectieve maatstaven sowieso is gewekt.
e) De gewraakte rechter heeft een stuk van de VvE achtergehouden voor [verzoeker] , en heeft ook hiermee de schijn van kennelijke niet onpartijdigheid naar subjectieve en objectieve maatstaven gewekt.
3. De beoordeling
Op grond van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, hierna (Rv) dient in een wrakingsprocedure te worden onderzocht of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Als uitgangspunt voor de beoordeling geldt dat de rechter krachtens zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, behoudens bewijs van het tegendeel.
Verzoeker heeft zijn verzoek gegrond op de omstandigheid dat in de brief van 20 februari 2025 de onjuiste mededeling is gedaan dat de mondelinge behandeling opnieuw gepland moet worden, alsmede op de brief van 17 maart 2025, waarin de brief van 20 februari 2025 is gecorrigeerd en waarin staat vermeld dat de zaak inmiddels bij de rechter in behandeling is. Met de mededeling dat de zaak bij de rechter in behandeling is, is mede gelet op de context van de zaak, niet meer bedoeld dan dat de zaak van verzoeker aan de rechter ter behandeling is toegewezen, zodra verzoeker alsnog op de juiste wijze is opgeroepen. Dat de gewraakte rechter een stuk van de VvE achter heeft gehouden voor [verzoeker] is niet nader onderbouwd. Nu aan het verzoek geen feiten en omstandigheden ten grondslag zijn gelegd waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, is het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk. Een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek kan achterwege blijven.
4. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING
De Wrakingskamer:
- verklaart verzoeker niet ontvankelijk in het verzoek.
Aldus gegeven door mrs. P.B. Martens, voorzitter, N.C.H. Blankevoort en I.M. Bilderbeek, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 maart 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.