RECHTBANK AMSTERDAM
Wrakingskamer
Beslissing op het op 24 april 2025 ingekomen en onder rekestnummer C/13/768188 / HA RK 25-134 ingeschreven verzoek van:
[verzoekster] ,
wonende te Hongarije,
verzoekster,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
welk verzoek strekt tot wraking van mr. K.S. Man, bestuursrechter in de rechtbank Amsterdam, hierna: de rechter.
1. Verloop van de procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:
het wrakingverzoek van 16 april 2025, ingekomen bij het team bestuursrecht op 22 april 2025 en op 24 april 2025 aan de Wrakingskamer doorgezonden,
de schriftelijke reactie van de rechter ingekomen bij de Wrakingskamer op 28 april 2025.
een schriftelijke reactie en aanvulling op het verzoekschrift van 18 mei 2025, alsmede een geluidsfragment.
De rechter heeft niet in de wraking berust.
Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 28 mei 2025. Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:- de heer [gemachtigde] (via een videoverbinding);
- de rechter, vergezeld van de teamvoorzitter bestuursrecht.
De gemachtigde van verzoekster en de rechter hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen beantwoord.
Daarna is beslissing bepaald op heden.
2. De feiten
Bij de rechtbank is een (beroeps)zaak van verzoekster in behandeling (zaaknummer AMS 24/6810). Op 16 april 2025 heeft een digitale mondelinge behandeling plaatsgevonden. Het betreft het bezwaar van verzoekster tegen de beslissing van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: de SVB) om geen heffingskorting op haar AOW-uitkering toe te passen. De SVB heeft het bezwaar van verzoekster niet-ontvankelijk verklaard. De SVB acht zich niet bevoegd het bezwaar in behandeling te nemen en heeft dat aan de Belastingdienst doorgezonden.
3. Het verzoek en de reactie daarop
Uit het wrakingsverzoek, de aanvulling daarop en uit hetgeen door de gemachtigde van verzoekster ter zitting van de wrakingskamer naar voren is gebracht, volgt dat het verzoek tot wraking – samengevat weergegeven – is gebaseerd op het volgende. Volgens verzoekster heeft de rechter zich partijdig getoond. De rechter ging onder meer zonder restrictie mee met het standpunt van de SVB, dat de SVB geen partij zou zijn en dat een gepensioneerde alleen bij de Belastingdienst in bezwaar kan komen. De gehele zitting leek de uitkomst al vast te staan. Ook de eis de gehele dwangsom door de SVB te laten vergoeden werd niet behandeld en op door verzoekster aangeleverde informatie over de achterliggende reden van het niet uitvoeren van de heffingskorting door de SVB – te weten dat de SVB dan duizenden soortgelijke zaken zou moeten corrigeren - werd door de rechter niet gereageerd. Ook wilde de rechter de SVB niet verplichten haar website aan te passen. Nog daargelaten de vraag of de SVB daartoe gerechtigd was, heeft de rechter ook zonder meer aangenomen dat de SVB het bezwaarschrift daadwerkelijk aan de Belastingdienst heeft doorgestuurd, terwijl uit recente telefonische navraag door de gemachtigde bij de Belastingdienst is gebleken dat dit niet het geval is geweest.
De rechter heeft aangevoerd dat hij geen standpunt van de SVB heeft verdedigd. De SVB heeft voor de onderbouwing van het standpunt dat de belastinginspecteur wat betreft het al dan niet toepassen van een heffingskorting bevoegd is, verwezen naar artikel 26 Algemene wet rijksbelastingen (hierna: AWR) en rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB). De rechter heeft de gemachtigde artikel 26 AWR en de rechtspraak van de CRvB voorgehouden en gevraagd of hij dit begreep. Op grond van de Awb is een onbevoegd bestuursorgaan gehouden om een bezwaarschrift door te zenden naar het bevoegde bestuursorgaan. Toestemming van verzoekster is daarvoor niet nodig. Omdat de SVB van mening is dat de belastinginspecteur het bevoegde bestuursorgaan is, heeft de SVB naar eigen zeggen het bezwaarschrift van verzoekster doorgezonden. De rechter kan niet op de zitting controleren of dit daadwerkelijk is gebeurd, maar dit raakt ook niet de aan de rechter voorliggende vraag of de SVB op goede grond het bezwaar van verzoekster niet ontvankelijk heeft verklaard.
Omdat de rechter veronderstelde dat de gemachtigde misschien ervan uitging dat de zaak was afgesloten en beslist, heeft hij hem duidelijk willen uitleggen dat hij daarvoor niet hoeft te vrezen en dat zijn bezwaarschrift (nog) in behandeling is bij de belastinginspecteur. Verder heeft de rechter de SVB op de zitting laten reageren op de vragen en/of stellingen van de gemachtigde. Zo voelde de gemachtigde zich misleid door de informatie op de website van de SVB. Hij meent onder meer dat de SVB wel doet voorkomen dat de heffingskorting door haar wordt toegepast, maar dat in de praktijk niet doet. Voorts vraagt hij zich af waarom de SVB het bezwaarschrift niet in behandeling neemt, terwijl de SVB wel gemachtigd is om een heffingskorting toe te passen. De rechter had verder geen vragen over de wens van de gemachtigde aan de SVB een dwangsom op te leggen. Als de gemachtigde daarover nog een slotopmerking had willen maken, had dat gekund.
4. De beoordeling
Op grond van artikel 8:15 van de Algemene Wet Bestuursrecht (hierna: Awb) kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Als uitgangspunt voor de beoordeling geldt dat de rechter krachtens zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, behoudens bewijs van het tegendeel. Daarnaast geldt dat ook de objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid grond kan zijn voor wraking.
Het verzoek zal worden beoordeeld aan de hand van de gronden zoals weergegeven in het op 21 april 2025 ingediende verzoekschrift, nu op grond van artikel 8:16 lid 3 Awb alle feiten en omstandigheden tegelijk moeten worden voorgedragen. De nadien aangevoerde gronden – zoals dat uit het telefoongesprek met de belastingdienst zou blijken dat het bezwaarschrift daar niet bekend is - moeten om die reden bij de beoordeling buiten beschouwing worden gelaten.
Het verzoek van verzoekster berust er in de kern op dat de rechter op de zitting van 16 april 2025 zijn oordeel kennelijk al klaar had en daarom geen interesse toonde in wat de gemachtigde op de zitting naar voren wilde brengen. Dat verzoekster die indruk kreeg en dat dit tot de subjectieve vrees heeft geleid dat de rechter vooringenomen en partijdig was, is spijtig, maar deze vrees wordt niet geobjectiveerd door de aangedragen feiten en omstandigheden.
De rechter heeft de regie bij de behandeling. Daar hoort onder meer bij het schetsen van het wettelijk kader, het stellen van kritische vragen en/of het maken van opmerkingen. In dat kader is er ook een rol voor de rechter weggelegd om het standpunt van de wederpartij aan de andere partij voor te houden en daarop door te vragen, zonder dat dat hoeft te betekenen dat hij dat standpunt tot het zijne heeft gemaakt. Uit het dossier is niet af te leiden dat de rechter in dit geval dat laatste wel zou hebben gedaan. Het is voorts aan de rechter om te beoordelen welke informatie nodig is voor de beantwoording van de vraag die aan hem voorligt en welke informatie daarvoor niet relevant is. Een (zelfs eventueel onjuist) oordeel daarover kan geen grond vormen voor wraking.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is naar het oordeel van de wrakingskamer is de door verzoekster ervaren (subjectieve) vooringenomenheid en partijdigheid, niet objectief gerechtvaardigd. Het wrakingsverzoek moet dan ook worden afgewezen.
BESLISSING
De Wrakingskamer:
wijst het verzoek tot wraking af;
bepaalt dat de zaak met zaaknummer AMS 24/6810 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking bevond.
Deze beslissing is gegeven door mr. P.B. Martens, voorzitter, mr. W.M. de Vries en mr. J. Thomas, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 juni 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.