RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13-122397-25 (zaak A) en 13-120634-25 (zaak B, ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 15 augustus 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaken tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1992,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
hierna: verdachte.
1. Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is bij verstek gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 augustus 2025.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.J. Smilde.
2. Tenlasteleggingen
Aan verdachte is – kort weergegeven – tenlastegelegd dat zij in Amsterdam:
Zaak A
Feit 1: op 20 april 2025 opzettelijk brand heeft gesticht in een politiecel, terwijl daarvan:
Feit 2: op 20 april 2025 een of meerdere ruiten van een pand aan [straat] heeft vernield;
Zaak B
Feit 1: op 18 april 2025 de bekleding van de achterbank van een politieauto onbruikbaar heeft gemaakt (door hier op te spugen); en
Feit 2: op 18 april 2025 [persoon] (een beveiliger van de Lidl supermarkt) heeft beledigd door op hem te spugen.
De volledige tenlasteleggingen zijn opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.
3. Waardering van het bewijs
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie stelt dat het tenlastegelegde kan worden bewezen. Ten aanzien van de brandstichting was volgens de officier van justitie sprake van gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel van een ander.
Oordeel rechtbank
Zaak A, feit 1:
Verdachte heeft ter zitting van de raadkamer gevangenhouding van 2 mei 2025 verklaard dat zij de brand in de politiecel heeft gesticht, met de intentie om zichzelf van het leven te beroven. Verder blijkt uit de aangifte dat zij alleen in haar cel was, dat zij op dat moment een aansteker bij zich had en dat toen de politie haar cel binnenkwam een deken in brand stond. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat er een matras en kussen in de cel aanwezig waren en dat de vlammen hierop hadden kunnen overslaan. De rechtbank vindt daarom bewezen dat verdachte opzettelijk brand heeft gesticht door met een aansteker een deken aan te steken. Het deken vatte een vlam van circa 60 centimeter hoog. Door het handelen van verdachte is aldus gemeen gevaar voor goederen ontstaan.
Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank niet bewezen dat deze brandstichting ook levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen had kunnen veroorzaken. Het enkele feit dat anderen zich bevonden in de directe omgeving van de brandstichting, buiten de afgesloten cel van de verdachte, is daartoe onvoldoende. Dat er rook de cellen van twee andere arrestanten binnendrong en dat zij naar de luchtplaats moesten, maakt niet dat enkel op basis daarvan kan worden vastgesteld dat dit gevaar voor zwaar lichamelijk letsel op levert. Verdachte zal worden vrijgesproken van dit bestanddeel.
Zaak A, feit 2:
Op basis van de aangifte namens [woningbouwvereniging] , het proces-verbaal van bevindingen en het proces-verbaal van het verhoor van getuige [getuige 1] , waaruit blijkt dat verdachte een ruit van een pand gelegen aan [straat] heeft vernield, komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van feit 2 van zaak A.
Zaak B, feiten 1 en 2:
Op basis van de aangiftes, het proces-verbaal van het verhoor van getuige [getuige 2] en het proces-verbaal van bevindingen, waaruit blijkt dat verdachte op de bekleding van de achterbank van de politieauto en in het openbaar op [persoon] heeft gespuugd, acht de rechtbank bewezen dat verdachte de aan haar tenlastegelegde feiten 1 en 2 van zaak B heeft begaan.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
Zaak A:
feit 1
op 20 april 2025 opzettelijk brand heeft gesticht in een cel (419) van cellencomplex Zuidoost te Amsterdam door een deken aan te steken met een aansteker, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor die cel en/of dat cellencomplex en/of voor de inboedel van die cel en/of dat cellencomplex, te duchten was;
feit 2
op 20 april 2025 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een raam van een pand, gelegen aan [straat] ter hoogte van nummer [nummer] , dat aan [woningbouwvereniging] woningbouwvereniging toebehoorde heeft vernield;
Zaak B:
feit 1
op 18 april 2025 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk de bekleding van de achterbank van een politieauto, die aan de Nationale Politie Nederland toebehoorde heeft onbruikbaar gemaakt;
feit 2
op 18 april 2025 te Amsterdam opzettelijk [persoon] in zijn tegenwoordigheid door feitelijkheden, heeft beledigd, door te spugen tegen de borst van die [persoon] .
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5. Strafbaarheid van de feiten en van verdachte
De bewezen verklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
6. Motivering van de straf
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 45 dagen voorwaardelijk.
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Brandstichting is een ernstig feit en verdachte mag van geluk spreken dat door snel ingrijpen van de politie kon worden voorkomen dat de brand groter is geworden. De brandstichting heeft voor overlast op het politiebureau gezorgd doordat arrestantenverblijven ontruimd moesten worden. Daarnaast zijn het vernielen van de ruit, het spugen op de beveiliger en het spugen op de achterbank van de politieauto vervelende feiten.
Persoon van de verdachte
Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 23 juni 2025 blijkt dat verdachte niet eerder in Nederland is veroordeeld. Dit gegeven leidt op zichzelf niet tot een zwaardere of lichtere straf.
Uit het reclasseringsadvies van 1 juli 2025 blijkt dat verdachte dakloos is, geen structureel inkomen heeft, dat er aanwijzingen zijn voor persoonlijkheids- en verslavingsproblematiek en dat zij na haar aanhouding in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) is ingesteld op antipsychotische medicatie. Interventies zijn daarom volgens de reclassering geïndiceerd, maar niet mogelijk omdat verdachte geen rechtmatige verblijfsstatus heeft. Door het ontbreken van een rechtmatige verblijfsstatus is het ook niet mogelijk om een taakstraf op te leggen en het ontbreken van structureel inkomen is een contra-indicatie voor het opleggen van een geldboete.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 45 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar passend en geboden.
7. Beslag
Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
Onttrekking aan het verkeer
Deze voorwerpen behoren aan verdachte toe. Aangezien mede met behulp van deze voorwerpen het bewezenverklaarde is begaan of voorbereid, worden ze onttrokken aan het verkeer. Zij zijn namelijk van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 57, 157, 266 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
9. Beslissing
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Zaak A, feit 1:
opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
Zaak A, feit 2:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;
Zaak B, feit 1:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken; en
Zaak B, feit 2:
eenvoudige belediging.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 (negentig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 45 (vijfenveertig) dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. N. Versteeg, voorzitter,
mrs. M.R.J. van Wel en mr. H.B.W. Beekman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. B. Ketelaers, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 augustus 2025.
[...]