RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11591164 \ CV EXPL 25-4290
Vonnis van 23 oktober 2025
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. E. Doornbos,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. L.M. Ravestijn.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 7 maart 2025, met producties;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties;
- het tussenvonnis van 8 mei 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de aanvullende producties van [eiser] .
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 september 2025. [eiser] en [gedaagde] zijn beiden verschenen met hun gemachtigde. Partijen zijn gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt die in het dossier zijn gevoegd. Ten slotte is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald.
2. De feiten
[eiser] en [gedaagde] dreven in het verleden gezamenlijk een vennootschap onder firma onder de naam [naam vof] (hierna: de vof). Deze vof is middels een ontbindingsovereenkomst van 9 juli 2012 ontbonden per 31 december 2011.
De ontbindingsovereenkomst is gehecht aan een notariële akte met datum 9 juli 2012. In deze notariële akte zijn partijen overeengekomen dat [eiser] € 22.700,- in delen aan [gedaagde] moet betalen wegens uittreding van [gedaagde] uit de vof.
3. Het geschil
in conventie
[eiser] vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 5.140,-, vermeerderd met rente en kosten.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [eiser] was op grond van de ontbindingsovereenkomst gehouden een bedrag van € 22.700,- aan [gedaagde] te betalen. Hij heeft echter te veel betaald. Naar aanleiding daarvan hebben partijen op 16 juni 2023 een overeenkomst terugbetaling lening gesloten op grond waarvan [gedaagde] is gehouden een bedrag van € 7.292,- aan [eiser] te betalen in delen van € 250,-. [gedaagde] is begonnen met betalen aan [eiser] , maar is daar op enig moment mee gestopt. Zij is gehouden het overige gedeelte van € 5.140,- alsnog aan [eiser] te betalen.
[gedaagde] voert verweer. Primair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de gehele dagvaarding buiten beschouwing dient te worden gelaten, omdat daarin een verkeerde grondslag wordt gepresenteerd. [gedaagde] heeft namelijk nooit geld aan [eiser] geleend. Op grond van artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de rechter dit rechtsgevolg hieraan verbinden.
Subsidiair heeft [gedaagde] betwist de overeenkomst terugbetaling geldlening te zijn aangegaan. Zij heeft aangevoerd dat de overeenkomst van 16 juni 2023 een vervalst document is. [gedaagde] heeft nooit haar handtekening daaronder gezet en de bedragen en het betalingsschema van de overeenkomst heeft zij nooit aanvaard. Zij heeft € 2.000,- aan [eiser] betaald, omdat zij zich geïntimideerd en onder druk gezet voelde.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
[gedaagde] vordert – samengevat – veroordeling van [eiser] tot betaling van € 9.420,-, vermeerderd met rente en kosten.
[gedaagde] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [eiser] heeft van de € 22.700,- die hij volgens de notariële akte aan [gedaagde] moest betalen, slechts € 15.280,- betaald. De overige € 7.420,- moet hij haar uit hoofde van de getroffen betalingsafspraak bij de ontbinding van de vof nog terugbetalen. Daarnaast heeft [gedaagde] € 2.000,- onverschuldigd aan [eiser] betaald. Ook dit bedrag moet hij aan haar terugbetalen.
[eiser] voert verweer. Volgens hem heeft hij juist meer dan € 22.700,- aan [gedaagde] betaald, waardoor hij niet is gehouden haar nog geld te betalen. De meeste betalingen heeft hij contant gedaan.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
in conventie en in reconventie
De vorderingen in conventie en in reconventie hangen zodanig nauw met elkaar samen dat deze gezamenlijk zullen worden behandeld.
Artikel 21 Rv
De kantonrechter is van oordeel dat artikel 21 Rv niet is geschonden. De enkele omstandigheid dat [eiser] heeft gesteld dat sprake was van een leningsovereenkomst is onvoldoende om daaruit het gevolg te trekken dat de gehele dagvaarding buiten beschouwing moet worden gelaten. [eiser] heeft ter zitting toegelicht dat hij de afwikkeling van de vof op die wijze heeft opgevat.
De overeenkomst
Partijen zijn het erover eens dat [eiser] in ieder geval een deel van het bedrag van € 22.700,- aan [gedaagde] heeft betaald. Tussen partijen is echter in geschil hoeveel [eiser] precies aan [gedaagde] heeft betaald en of hij te veel of te weinig aan haar heeft betaald. Verder zijn partijen het erover eens dat [gedaagde] aan [eiser] een bedrag van € 2.000,- heeft betaald.
[eiser] heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat hij te veel aan [gedaagde] heeft betaald een overeenkomst terugbetaling lening overgelegd. De kantonrechter heeft echter na de behandeling ter zitting geconstateerd dat in deze overeenkomst niet de naam van [gedaagde] staat, maar de naam van haar echtgenoot [naam] . De grondslag van de vordering van [eiser] is op deze overeenkomst gebaseerd, maar deze overeenkomst staat niet op naam van [gedaagde] en zij heeft uitdrukkelijk het aangaan van deze overeenkomst betwist. Gelet hierop kan deze overeenkomst niet zonder meer de onderbouwing vormen voor de stelling van [eiser] dat [gedaagde] degene is die de vordering aan [eiser] dient te voldoen. Omdat de kantonrechter dit pas na de behandeling ter zitting heeft geconstateerd, hebben partijen zich hierover nog niet kunnen uitlaten. Dit betekent dat [eiser] de gelegenheid krijgt bij akte zijn standpunt hierover uit een te zetten. [gedaagde] krijgt vervolgens de gelegenheid daarop bij akte te reageren.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
5. De beslissing
De kantonrechter
in conventie
verwijst de zaak naar de rol van 20 november 2025 voor het indienen van een akte door [eiser] als hiervoor onder 4.4. vermeld, waarna [gedaagde] op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kan nemen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
in reconventie
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.D. Coumou, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2025.