ECLI:NL:RBAMS:2025:7944

ECLI:NL:RBAMS:2025:7944, Rechtbank Amsterdam, 12-09-2025, 11701156 \ CV EXPL 25-7169

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 12-09-2025
Datum publicatie 16-12-2025
Zaaknummer 11701156 \ CV EXPL 25-7169
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Parkeerfaciliteit; eiseres mag zich uitlaten over oneerlijk (proces)kostenbeding.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht

Kantonrechter

Zaaknummer: 11701156 \ CV EXPL 25-7169

Vonnis van 12 september 2025

in de zaak van

GEMEENTE ROTTERDAM,

gevestigd te Rotterdam,

eisende partij,

hierna te noemen: Gemeente Rotterdam,

gemachtigde: LAVG Gerechtsdeurwaarders (Groningen),

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

niet verschenen.

1. De procedure

Bij dagvaarding van 14 april 2025, met producties, heeft Gemeente Rotterdam een vordering ingesteld tegen [gedaagde] .

[gedaagde] heeft geen uitstel verzocht en evenmin geantwoord, zodat tegen haar verstek is verleend. Daarna is een datum voor vonnis bepaald.

2. De beoordeling

Gemeente Rotterdam stelt dat tussen partijen een parkeerovereenkomst tot stand is gekomen. Gemeente Rotterdam hanteert algemene voorwaarden, maar de vordering is niet gebaseerd op een beding uit de algemene voorwaarden, aldus Gemeente Rotterdam.

[gedaagde] heeft op 15 november 2022 haar auto geparkeerd in de parkeergarage van Gemeente Rotterdam aan de [locatie] (hierna: de parkeergarage). Op 5 december 2022 heeft [gedaagde] de parkeergarage verlaten door de slagboom handmatig te openen. De auto van [gedaagde] heeft twintig dagen in de parkeergarage geparkeerd gestaan. [gedaagde] is daarom twintig maal het dagtarief van € 13,00 per etmaal verschuldigd, een totaalbedrag van € 260,00, aldus Gemeente Rotterdam. Gemeente Rotterdam heeft verder diverse administratieve handelingen moeten verrichten, waarvoor zij een bedrag van € 30,25 in rekening brengt. Deze kosten dienen in redelijkheid voor rekening van [gedaagde] te komen. Gemeente Rotterdam vordert daarom dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 260,00 aan parkeerkosten, € 30,25 aan administratiekosten en € 52,68 inclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

Ambtshalve toetsing

De overeenkomst waarop Gemeente Rotterdam zich beroept, is gesloten met een consument. De dienst die Gemeente Rotterdam hier biedt, te weten het tegen betaling beschikbaar stellen van parkeerplaatsen, is onder de gegeven omstandigheden ondergeschikt aan haar publiekrechtelijke taak. Omdat Gemeente Rotterdam in het kader van de parkeerovereenkomst een ten opzichte van haar publiekrechtelijke taken aanvullende en bijkomstige dienst verricht, dient Gemeente Rotterdam hier te worden beschouwd als verkoper in de zin van de richtlijn consumentenrechten de richtlijn oneerlijke bedingen. Dat betekent dat ambtshalve moet worden getoetst aan het consumentenrecht.

Informatieplichten

Dat houdt in dat de kantonrechter uit eigen beweging (onder meer) moet beoordelen of Gemeente Rotterdam heeft voldaan aan haar informatieplichten. In dit geval is sprake van een overeenkomst die is gesloten binnen de verkoopruimte. Gelet op de aard van de overeenkomst en uitgaande van de stellingen van Gemeente Rotterdam, wordt vastgesteld dat zij aan haar informatieplichten heeft voldaan.

Oneerlijke bedingen

Hoewel Gemeente Rotterdam stelt dat de vordering niet gebaseerd is op een beding uit de algemene voorwaarden, moet de kantonrechter wel onderzoeken of de vordering (ook) gegrond kan worden op een bepaling in de overeenkomst of op de daarin van toepassing verklaarde algemene voorwaarden. De kantonrechter moet namelijk uit eigen beweging beoordelen of de bedingen in de overeenkomst en de algemene voorwaarden oneerlijk zijn. En in Europese rechtspraak is bepaald dat als een beding als oneerlijk wordt aangemerkt, een verkoper geen aanspraak kan maken op de wettelijke schadevergoeding waarin is voorzien in een nationale bepaling van aanvullend recht die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest.

Bij die beoordeling gaat het erom of dat beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort (artikel 3 lid 1 van de richtlijn). Hierbij moeten alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst worden meegewogen en alle andere bedingen van de overeenkomst, rekening houdend met de aard van de goederen of de diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft, in aanmerking worden genomen. Voor het toetsingsmoment moet worden uitgegaan van de datum waarop de overeenkomst is gesloten. Irrelevant voor deze toets is daarom de feitelijke toepassing en uitvoering van de bedingen, of een achteraf gegeven uitleg. Verder moet rekening worden gehouden met de toepasselijke regels van het nationale recht wanneer partijen geen regeling zouden hebben getroffen.

In dit geval zijn de artikelen 11 lid 1 en 3 van de algemene voorwaarden van belang. Deze luiden:

‘Artikel 11 Toerekenbare tekortkoming

1. indien de parkeerder c.q. abonnementhouder tekortkomt in de nakoming van enige verplichting welke ingevolge de wet, plaatselijke verordeningen en/of de met parkeerder c.q. abonnementhouder gesloten overeenkomst inclusief de daarop van toepassing zijnde voorwaarden op hem rust, is de parkeerder c.q. abonnementhouder gehouden aan de gemeente alle schade te vergoeden, door deze geleden c.q. te lijden als gevolg van bovengenoemde tekortkoming;

(…)

3. indien de gemeente genoodzaakt is een sommatie, ingebrekestelling of ander exploot aan de parkeerder c.q. abonnementhouder te doen uitbrengen of ingeval van noodzakelijke procedures tegen de parkeerder c.q. abonnementhouder, is de parkeerder c.q. abonnementhouder verplicht al de daarvoor gemaakte kosten, zowel in als buiten rechte, aan de gemeente te vergoeden, tenzij de procedure ten onrechte is aangegaan;

(…)’

Artikel 11 lid 1 wordt niet oneerlijk bevonden, omdat deze bepaling aansluit bij de wettelijke bepalingen rondom het niet nakomen van een verbintenis.

Artikel 11 lid 3 bepaalt dat de consument verplicht is alle gemaakte kosten zowel in als buiten rechte aan Gemeente Rotterdam moet vergoeden. Deze bepaling wordt vermoed oneerlijk te zijn. Op grond van dit artikel kan Gemeente Rotterdam immers bij het uitbrengen van een sommatie (of ingebrekestelling of exploot) alle in dat verband gemaakte kosten bij de consument in rekening brengen. Dit terwijl een consument slechts de kosten als bedoeld in het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is, voor zover is voldaan aan het bepaalde in artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek.

Daarnaast geldt dat het beding Gemeente Rotterdam de vrijheid geeft om in het geval van een gerechtelijke procedure alle kosten (‘al de daarvoor gemaakte kosten, (…) in (…) rechte’) bij de consument neer te leggen. Zonder dit beding zou een consument die door de rechter (overwegend) in het ongelijk wordt gesteld, op de voet van art. 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) worden veroordeeld in de forfaitaire proceskosten van de in het gelijk gestelde partij. De Hoge Raad heeft onlangs bevestigd dat een beding op grond waarvan alle gerechtelijke kosten bij de consument in rekening kunnen worden gebracht als oneerlijk is aan te merken. Een in het ongelijk gestelde partij is immers alleen tot vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten van de wederpartij gehouden in buitengewone omstandigheden, waarbij moet worden gedacht aan misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Een proceskostenbeding zoals het onderhavige, waarbij alle kosten in rekening kunnen worden gebracht bij de consument, tast de positie waarin de consument zonder dat beding verkeert, aan, doordat het de begrenzing wegneemt die besloten ligt in het wettelijk stelsel van de proceskostenveroordeling. Weliswaar staat in de laatste volzin ‘tenzij de procedure ten onrechte is aangegaan’, maar dit neemt niet weg dat het Gemeente Rotterdam vrij staat om in beginsel alle kosten in rekening te kunnen brengen bij een consument. In ieder geval maakt de redactie van het beding onvoldoende duidelijk dat van alle kosten die Gemeente Rotterdam mogelijk maakt, alleen de wettelijke buitengerechtelijke incassokosten en de kosten waartoe een consument in een procedure door de rechter wordt veroordeeld, in rekening kunnen worden gebracht.

De kantonrechter is dan ook van oordeel dat artikel 11 lid 3 als oneerlijk moet worden aangemerkt.

Beoordeling vordering

Voor zover de vordering gegrond kan worden op artikel 11 lid 1 is hiervoor al geoordeeld dat deze niet oneerlijk is. De vordering ten aanzien van de parkeerkosten, administratiekosten en wettelijke rente komt de kantonrechter voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen.

Uitlaten over oneerlijkheid en gevolgen daarvan

Indien artikel 11 lid 3 als oneerlijk moet worden aangemerkt, moet deze ambtshalve worden vernietigd, tenzij de consument zich daartegen verzet. Hoewel Gemeente Rotterdam zich wat betreft de buitengerechtelijke kosten beroept op de wettelijke regeling, zou dit tot gevolg hebben dat deze vordering gelet op wat hiervoor onder 2.6. is overwogen niet toewijsbaar is.

Ten aanzien van de toepassing van artikel 237 Rv en de vraag of er nog een kostenveroordeling dient te komen merkt de kantonrechter het volgende op. Ondanks dat de Hoge Raad in het aangehaalde arrest de vraag over de gevolgen van een oneerlijk proceskostenbeding op zijn beurt heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, is de kantonrechter voornemens de proceskosten af te wijzen, gelet op artikel 6 lid 1 van Richtlijn 93/13/EG en de vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie over de ‘terugvalleer’.

De kantonrechter is dan ook voornemens het beding van artikel 11 lid 3 te vernietigen. Gemeente Rotterdam wordt in de gelegenheid gesteld zich over de geconstateerde oneerlijkheid en (de gevolgen van) vernietiging van het beding uit te laten. De zaak wordt daartoe verwezen naar de rol.

Gemeente Rotterdam dient de akte met toelichting en eventuele stukken ter onderbouwing tenminste twee weken vóór de hierna te bepalen rolzitting aan [gedaagde] te sturen, met de mededeling dat [gedaagde] op die rolzitting daarop mag reageren dan wel uitstel kan vragen en hoe en wanneer [gedaagde] uiterlijk moet reageren. Gemeente Rotterdam wordt in dat kader verzocht om naast de akte ook de mededeling/brief aan [gedaagde] in het geding te brengen. Wanneer niet kan worden vastgesteld dat de akte tijdig en/of met de juiste mededeling aan [gedaagde] is toegestuurd, wordt deze in beginsel buiten beschouwing gelaten.

Iedere verdere beslissing wordt in afwachting van het voorgaande aangehouden.

3. De beslissing

De kantonrechter

verwijst de zaak naar de rol van 10 oktober 2025 te 10.00 uur voor het nemen van een akte door eisende partij als hiervoor is overwogen onder 2.15.;

bepaalt dat eisende partij de akte tenminste twee weken voor deze rolzitting aan gedaagde partij moet sturen, zoals hiervoor is overwogen onder 2.16.;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2025.

57327

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E. Pennink

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?