RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/306228-24
Datum uitspraak: 23 oktober 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1977 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP adres] .
1. Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 9 oktober 2025. Verdachte was hierbij aanwezig.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.S. Bond, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. N.M. van Wersch, advocaat in Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
2. Beschuldiging
Aan verdachte is – kort gezegd – tenlastegelegd dat hij zich op 1 april 2024 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan:
feit 1: poging tot doodslag (primair) dan wel poging tot zware mishandeling (impliciet subsidiair) van [slachtoffer] ;
feit 2: bedreiging van [slachtoffer] met een vuurwapen;
feit 3: het voorhanden hebben van een (omgebouwd) vuurwapen van categorie III en munitie van categorie III.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I van dit vonnis. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.
3. Waardering van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 1 tenlastegelegde. Niet kan worden bewezen dat verdachte opzet had op de dood of op zwaar lichamelijk letsel van aangever, ook niet in de voorwaardelijke zin. Het omgebouwde vuurwapen was simpelweg niet geschikt om dodelijk of zwaar lichamelijk letsel te veroorzaken.
De bedreiging (feit 2) en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie (feit 3) kunnen wel worden bewezen mede gelet op de bekennende verklaring van verdachte.
Standpunt van de verdediging
De raadsman is het met het standpunt van de officier van justitie eens dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 1 tenlastegelegde. Niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op de dood dan wel op zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer] . Het handelen van verdachte heeft slechts het karakter van afschrikken gehad.
Ten aanzien van de bedreiging (feit 2) en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie (feit 3) refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
poging tot doodslag (feit 1 primair);
bedreiging (feit 2) en
het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie (feit 3).
De rechtbank overweegt het volgende.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van het dossier het volgende vast. Op 1 april 2024 is verdachte samen met [slachtoffer] en enkele anderen in [park] in Amsterdam. Op enig moment hebben verdachte en [slachtoffer] een woordelijke ruzie, waarna verdachte een omgebouwd vuurwapen pakt en dit met een gestrekt arm op het hoofd van [slachtoffer] richt, maar niet afschiet. Nadat verdachte het vuurwapen opbergt en toch weer pakt, schiet hij vijf keer vanaf één a twee meter afstand richting de benen van [slachtoffer] . Iets later wordt een zesde schot richting de romp van [slachtoffer] gelost. [slachtoffer] is in zijn bovenbeen en arm geraakt. In de mouw van zijn jas zit een klein gaatje op de hoogte van de plek waar hij letsel heeft. Het letsel blijkt gering. Op de het linker bovenbeen richting de binnenzijde heeft [slachtoffer] een onderhuidse bloeduitstorting met een huidbeschadiging. De duur van genezing van de zichtbare letsels wordt ingeschat op vijf weken.
In de jaszak van [slachtoffer] is een verschoten kogel aangetroffen, die volgens de wapendeskundige afkomstig is van een randvuurpatroon met het kaliber .22 Long Rifle. Er is in het onderzoek geen (vuur)wapen aangetroffen. De wapendeskundige stelt op basis van het dossier dat het zeer aannemelijk is dat bij dit schietincident een illegaal getransformeerde (omgebouwde) gas-/alarmrevolver van het Italiaanse merk Bruno Bruni Milano, model Olympic 38, in het gewijzigde kaliber .22 Long Rifle, is gebruikt. Dit van oorsprong alarm- en startrevolver is omgebouwd tot een scherp (kogel)schietend vuurwapen. Tegen verbalisanten heeft verdachte verteld dat hij een revolver bij zich droeg.
Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij met een wapen heeft geschoten in de richting van [slachtoffer] . Hij wist niet wat voor soort wapen het was en hij heeft ook niet in het wapen gekeken om te zien wat erin zat. “Zo gekregen, zo gelaten”, aldus verdachte. Op de dag van het schietincident had hij voor het eerst geschoten. Hij had die dag alcohol gedronken en drugs gebruikt.
Bewezenverklaring poging tot doodslag (feit 1, impliciet primair)
Voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag moet volgens vaste rechtspraak sprake zijn van opzet op de dood van het slachtoffer en moeten de geweldshandelingen geschikt zijn om het slachtoffer te doden.
De rechtbank is van oordeel dat vast is komen te staan dat verdachte een echt vuurwapen – een omgebouwd gas-/alarmrevolver – heeft gebruikt en dat met een kaliber .22 kogel is geschoten. Anders dan de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat een dergelijk scherp schietend vuurwapen in beginsel geschikt is om dodelijk letsel te veroorzaken. Uit het dossier blijkt niet dat het vuurwapen een absoluut ondeugdelijk middel was dat nooit tot de dood van [slachtoffer] had kunnen leiden. Er zijn wel aanwijzingen – de geringe verwondingen – dat de twee kogels waardoor [slachtoffer] is geraakt met weinig snelheid zijn verschoten. Dat duidt erop dat mogelijk sprake was van een relatief ondeugdelijk middel; het omgebouwde vuurwapen en de munitie zijn onder normale omstandigheden geschikt om iemand te doden, maar onder de gegeven omstandigheden was dat niet het geval. Het gebruik van een relatief ondeugdelijk middel leidt echter – anders dan een absoluut ondeugdelijk middel – wel tot een strafbare poging.
Verdachte heeft vanaf een korte afstand vijf keer in de richting van de (boven)benen en één keer in de richting van de romp van [slachtoffer] geschoten. [slachtoffer] is hierbij in zijn bovenbeen en in zijn arm geraakt. Het zesmaal doelbewust schieten op de bovenbenen en het bovenlichaam van een persoon is naar de uiterlijke verschijningsvorm zo gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat het niet anders kan dan dat de wil van verdachte daarop was gericht. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake was van vol opzet gericht op de dood van [slachtoffer] .
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag.
Bewezenverklaring bedreiging (feit 2) en voorhanden hebben vuurwapen en munitie (feit 3)
Op grond van de bekennende verklaring van verdachte en de overige bewijsmiddelen in het dossier acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het vuurwapen en munitie die daarin zat voorhanden heeft gehad en dat verdachte met dat vuurwapen [slachtoffer] heeft bedreigd.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
1
op 1 april 2024 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, vijf keer in de richting van de (boven)benen en één keer in de richting van de romp van die [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
op 1 april 2024 te Amsterdam, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door met gestrekte arm een vuurwapen op het hoofd van die [slachtoffer] te richten;
3
op 1 april 2024 te Amsterdam, een wapen als bedoeld in art 2. lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een omgebouwd vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet in de vorm van een revolver, merk Bruno Bruni Milano (BBM), model Olympic 38, en kaliber .22 Long Rifle, en (voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van art. 1 onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de categorie III, te weten 1 kogelpatroon, kaliber .22 Long Rifle, voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5. Strafbaarheid van de feiten
De bewezenverklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.
7. Motivering van de straf
Eis van de officier van justitie en standpunt van de verdediging
De officier van justitie vordert dat verdachte voor feit 2 en feit 3 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 90 dagen, waarvan 88 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. De twee dagen die verdachte in verzekering heeft doorgebracht moeten worden afgetrokken van de straf.
De raadsman heeft verzocht om de strafeis van de officier van justitie te volgen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals op zitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging en een poging tot doodslag door eerst met een omgebouwd vuurwapen op het hoofd van het slachtoffer, een bekende van verdachte uit het gebruikerscircuit, te richten en daarna meermalen op korte afstand gericht op het slachtoffer te schieten. Dit vond plaats op klaarlichte dag in een park in Amsterdam tijdens een ruzie. Door zo te handelen heeft verdachte een enorm risico genomen. Het slachtoffer kan van geluk spreken dat het letsel gering is gebleken.. Delicten als deze zijn schokkend en brengen in de samenleving angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg.
Verdachte heeft zich hierbij ook schuldig gemaakt aan overtreding van de Wet wapens en munitie door een omgebouwde revolver en bijbehorende munitie voorhanden te hebben. Deze goederen vormen in handen van een daartoe niet bevoegde een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen, zoals uit de poging doodslag en de bedreiging ook is gebleken. Tegen onbevoegd wapenbezit dient daarom krachtig te worden opgetreden. Het groot aantal slachtoffers van vuurwapengeweld en de (mede) daardoor veroorzaakte gevoelens van onveiligheid in de samenleving onderstrepen de noodzaak hiervan.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft in het strafblad van verdachte van 5 september 2025 geen voor de strafmaat relevante veroordelingen opgemerkt. Uit het reclasseringsrapport van |3 oktober 2025 en uit wat besproken is ter terechtzitting blijkt – kort gezegd – dat verdachte sinds het schietincident geheel zelfstandig zijn leven een positieve wending heeft gegeven. Hij heeft een eigen woning, een fulltime baan en is naar eigen zeggen gestopt met middelengebruik.
Strafoplegging
De rechtbank ziet dat verdachte zijn leven in korte tijd een opvallend positieve wending heeft gegeven. Desondanks is de rechtbank gelet op de aard en ernst van de feiten van oordeel dat de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige passende reactie is.
Alles afwegende acht de rechtbank het passend en geboden om aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 42 maanden.
8. Vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 100,- aan vergoeding van materiële schade, omdat zijn kleding door het schietincident kapot is gegaan. Daarnaast vordert hij de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel,
In de vordering is als wettelijk vertegenwoordiger een bewindvoerder van verdachte opgegeven, maar de vordering is ondertekend door de benadeelde partij zelf. Uit het (openbare) curatele- en bewindregister blijkt dat de benadeelde partij onder bewind staat.
De rechtbank overweegt dat een persoon die onder bewind staat bevoegd is rechtshandelingen te verrichten indien de bewindvoerder daar toestemming voor geeft. In dit geval blijkt die toestemming uit het feit dat de bewindvoerder haar gegevens op het formulier heeft ingevuld.
De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat in ieder geval de spijkerbroek en jas van [slachtoffer] door het schietincident kapot zijn gegaan. Er zijn door [slachtoffer] geen stukken overgelegd waaruit de waarde van deze kledingstukken blijkt. De rechtbank maakt gebruikt van haar schattingsbevoegdheid en schat de schade op € 100,-. Dit bedrag zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
De rechtbank legt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel op.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de volgende artikelen:
36f, 45, 55, 57, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht;
26 en 54 van de Wet wapens en munitie.
10. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 (primair), feit 2 en feit 3 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1
poging tot doodslag;
feit 2
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
feit 3
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) maanden en beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van € 100,- (honderd euro), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (1 april 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen € 100,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (1 april 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 2 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde partij bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Dit vonnis is gewezen door
mr. D.A. Segbedzi, voorzitter,
mrs. Ch.A. van Dijk en C. Wildeman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. B. Ketelaers, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 oktober 2025.
[…]
[…]
[…]
[…]