RECHTBANK AMSTERDAM
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/13/775474 / JE RK 25-675
Datum uitspraak: 7 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio [locatie], gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen JBRA,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 1] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de vader] , hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. J.H.W. van der Lee uit Amsterdam,
[de grootmoeder (mz)] , hierna te noemen de grootmoeder (mz),
wonende te [woonplaats 2] ,
[minderjarige 1] ,
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio [locatie],
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 3] ,
advocaat mr. W.P.A. Vos uit Amsterdam.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 september 2025.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
de vader met zijn advocaat;
de moeder;
de grootmoeder (mz);
- mevrouw [naam 1] en mevrouw [naam 2] , namens JBRA.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] . Bij beschikking van 21 oktober 2024, in de zaak met nummer 756957 / FA RK 24-6352, is het gezamenlijk gezag van de ouders beƫindigd en is de vader belast met de uitoefening van het gezag over [minderjarige 1] en haar twee zusjes.
[minderjarige 1] verblijft bij oma moeders zijde.
[minderjarige 1] heeft twee jongere zusjes, [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
Bij beschikkingen van 1 augustus 2023, 8 augustus 2023 en 18 oktober 2023 heeft
de kinderrechter in deze rechtbank een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging
tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voor verblijf bij oma moeders zijde uitgesproken.
Bij beschikking van de kinderrechter te Amsterdam van 26 oktober 2023 zijn [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] en [minderjarige 3] met ingang van 26 oktober 2023 tot 26 oktober 2024 onder toezicht van
Jeugdbescherming Regio [locatie] (uit te voeren door [naam zorginstelling] ) gesteld en is een
machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen voor verblijf bij de vader met ingang van 26 oktober 2023 tot 26 november 2023 verleend onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek voor een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen.
Bij beschikking van 21 december 2023 is machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een gezinshuis verleend tot 21 juni 2024 en is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voor verblijf in een neutraal pleeggezin verleend tot 21 juni 2024. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen inmiddels terug bij de vader.
Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 14 juni 2024 is een
machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] voor verblijf in een netwerkpleeggezin bij opa en
oma mz. verleend tot 26 oktober 2024.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 oktober 2024 de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd tot 26 oktober 2025 en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij opa en oma mz. verlengd tot 26 oktober 2025.
3. Het verzoek
JBRA verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt JBRA de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een pleeggezin te verlengen voor de duur van een jaar. JBRA verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
JBRA
JBRA heeft ter zitting bij haar verzoek gepersisteerd. Er zijn veel zorgen om [minderjarige 1] . Het afgelopen jaar wordt gezien dat zij met verkeerde vrienden omgaat, ze veel afwezig is op school en in contact is gekomen met politie en justitie. [minderjarige 1] heeft daarvoor een leerstraf opgelegd gekregen. [minderjarige 1] heeft door alles wat zij heeft meegemaakt zeer zelfbepalend en grensoverschrijdend gedrag ontwikkeld. Zij komt veelvuldig in conflict met anderen. Hierop is getracht hulp in te zetten, maar daarvoor ontbrak tot dusver motivatie, inzicht en rust. Er blijven aanhoudende zorgen om haar ontwikkeling en de conflicten die zij herhaaldelijk heeft en de grootouders lijken niet altijd voldoende in staat om [minderjarige 1] te begrenzen. JBRA ziet dat de ondertoezichtstelling nodig is en een machtiging tot uithuisplaatsing om [minderjarige 1] bij haar grootouders te kunnen laten verblijven. Bij de vader kan zij niet verblijven, omdat er te veel conflicten zijn tussen [minderjarige 1] en de vader en de belasting van de vader te hoog is.
De vader
De vader voert geen verweer tegen het verzoek van JBRA. De vader begrijpt niet dat [minderjarige 1] nog steeds moet worden aangemeld voor passende hulpverlening, nu in de beschikking van een jaar geleden ook al werd gezegd dat dat gedaan zou worden. [minderjarige 1] wordt steeds ouder, zij moet nu profiteren van passende hulpverlening.
De moeder
De moeder wil graag de zorg van [minderjarige 1] op zich nemen.
5. De beoordeling
De kinderrechter kan een ondertoezichtstelling verlengen als (a) nog steeds sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van de minderjarigen en ouders de noodzakelijke hulp niet of onvoldoende accepteren en (b) te verwachten is dat ouders binnen een aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat zijn te dragen (zie artikel 1:260 lid 1 en artikel 1:255 lid 1 BW).
De kinderrechter zal het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling toewijzen en overweegt daartoe als volgt. Uit de overlegde stukken en de behandeling ter zitting is voldoende gebleken dat [minderjarige 1] nog in haar ontwikkeling wordt bedreigd. De doelen van de ondertoezichtstelling zijn nog niet behaald. De kinderrechter vindt het teleurstellend dat in het afgelopen jaar onvoldoende regie is gevoerd door de GI. Het gezin is op de monitorlijst van de GI terechtgekomen en wacht op een nieuwe vaste gezinsmanager. Op de zitting is nu gesteld dat er binnen twee maanden een vaste gezinsmanager zal starten. [minderjarige 1] en het gezin hebben in de tussentijd onvoldoende benodigde passende hulp ontvangen. De kinderrechter vindt het noodzakelijk dat snel wordt ingezet op diagnostiek zodat passende hulp en behandeling kan worden ingezet voor [minderjarige 1] . Ook de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] is noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, BW). Een plaatsing bij de moeder of de vader is niet in het belang van [minderjarige 1] .
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] voor de duur van een jaar, tot 26 oktober 2026;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een netwerkpleeggezin, te weten bij de grootouders moederszijde voor de duur van een jaar, tot 26 oktober 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2025 door mr. F.P. Lauwaars, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. S. Pattiasina als griffier, en op schrift gesteld op 24 oktober 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.