ECLI:NL:RBAMS:2025:8067

ECLI:NL:RBAMS:2025:8067, Rechtbank Amsterdam, 29-10-2025, C/13/762512 / HA ZA 25-52

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 29-10-2025
Datum publicatie 16-12-2025
Zaaknummer C/13/762512 / HA ZA 25-52
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Beëindiging managementovereenkomst tussen manager en artiest. Heeft de artiest de overeenkomst opgezegd en/of terecht ontbonden? De artiest mocht de overeenkomst ontbinden vanwege schending van de overeengekomen administratieplicht. De manager heeft geen recht op schadevergoeding maar wel op betaling van openstaande facturen die zien op vóór de ontbinding bevestigde optredens en contracten. Verrekeningsverweer artiest gepasseerd.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/762512 / HA ZA 25-52

Vonnis van 29 oktober 2025

in de zaak van

[eiser] , handelend onder de naam [handelsnaam],

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. V.F. den Hollander,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. V.J. Nederpelt.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 23 december 2024, met producties,

- de conclusie van antwoord, met producties,

- het tussenvonnis van 30 april 2025, waarin de mondelinge behandeling is bepaald,

- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 14 juli 2025 en de daarin genoemde stukken,

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 14 juli 2025 die zich in het dossier bevinden.

Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken.

2. De feiten

[eiser] is een artiestenmanagementbureau dat wordt gedreven door de eenmanszaak van de heer [eiser] . Bij [eiser] is ook [naam 1] (hierna: [naam 1] ) werkzaam.

[gedaagde] is een artiest en treedt op onder de artiestennaam ‘ [artiestennaam] ’. Dat doet hij vanuit zijn eenmanszaak ‘ [artiestennaam] ’.

Op 12 februari 2019 hebben partijen een managementovereenkomst gesloten (hierna: de overeenkomst). In de overeenkomst is [eiser] aangeduid als ‘manager’ en is [gedaagde] aangeduid als ‘artiest’. De overeenkomst bepaalt – voor zover relevant – het volgende:

“3. De werkzaamheden van de manager omvatten het navolgende:

(…)

De manager verzorgt een deugdelijke en nauwkeurige administratie ten behoeve van de artiest. De artiest kan de administratie te allen tijde zelf (doen) controleren. De manager zal jaarlijks aan de artiest volledige verantwoording afleggen van het door hem gevoerde financiële beheer.

(…)

Vergoedingen en afrekening

10. Als vergoeding voor de werkzaamheden van de manager, zoals omschreven in deze overeenkomst, ontvangt de manager 20 % van alle aan de artiest toekomende en ontvangen revenuen uit optredens die vanaf de datum van deze overeenkomst zijn aangegaan. Het percentage wordt berekend over de netto-inkomsten. Onder netto-inkomsten wordt verstaan de ontvangen gages minus gefactureerde kosten van vervoer en geluid- en/of lichtinstallatie (incl. BTW). Het aldus berekende bedrag wordt verhoogd met de door de manager verschuldigde BTW. De manager draagt zoveel mogelijk zorg voor het innen van gelden, direct na afloop van een optreden.

11. Partijen verplichten zich over en weer de verschuldigde vergoedingen, welke de andere partij toebehoren, zo mogelijk direct na het optreden - doch in elk geval binnen 7 dagen na ontvangst - te voldoen onder overlegging van een behoorlijke specificatie. (…)

12. In onderling overleg zal eventueel de vergoeding voor werkzaamheden van de manager tevens worden berekend over andere inkomsten van de artiest dan inkomsten uit optredens, zoals bijvoorbeeld royalties en/of inkomsten vanwege (promotionele) activiteiten van de artiest. Een nadere schriftelijke regeling is dan

vereist, dan wel: de manager zal daartoe de volgende percentages mogen inhouden: 20 % van alle netto-inkomsten van de artiest uit hoofde van contracten die door toedoen van de manager zijn aangegaan tijdens de duur van deze overeenkomst. (…)

Beëindiging

13. (…) Na het eerste jaar, kan de overeenkomst te allen tijde door beide partijen bij aangetekend schrijven worden opgezegd, met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden. Indien de overeenkomst tenminste 18 maanden heeft bestaan geldt een wederzijdse opzegtermijn van vier maanden. Indien de overeenkomst tenminste 24 maanden heeft bestaan geldt een wederzijdse opzegtermijn van zes maanden.

14. Als een door bemiddeling van de manager tijdens de looptijd van deze overeenkomst totstandgekomen optreden na beëindiging van de overeenkomst plaatsvindt, verplicht de artiest zich hiervoor de onder 10 genoemde vergoeding aan de manager te betalen.

(…)

17 Indien de ene partij de op hem rustende verplichtingen jegens de andere partij niet nakomt of daarmee in strijd handelt, zal hij geacht worden van rechtswege in gebreke te zijn zonder dat daartoe enige nadere ingebrekestelling is vereist. De andere partij is alsdan gerechtigd de overeenkomst onmiddellijk, zonder rechterlijke tussenkomst te ontbinden, onverminderd de verdere rechten welke zij terzake van de wanprestatie geldend kan maken. (…)”

Op 1 juni 2023 heeft [gedaagde] in een gesprek met [naam 1] aangegeven dat hij de samenwerking met [eiser] wilde beëindigen.

Op 5 juni 2023 heeft [naam 1] – voor zover relevant – het volgende aan [gedaagde] gemaild:

“(…) We hebben onlangs van jou vernomen dat je niet langer met ons wilt samenwerken omdat je het vertrouwen in deze samenwerking niet meer hebt. We vinden het jammer dat je deze beslissing hebt genomen, maar we accepteren deze wel.

We willen graag met je afspreken om te bespreken wat we kunnen doen met het opzegtermijn van 6 maanden dat in ons contract is vastgelegd. (…)”

Op 9 juni 2023 heeft (een kantoorgenoot van) de advocaat van [eiser] het volgende aan [gedaagde] gemaild:

“(…) Ik heb van [ [naam 1] ] begrepen dat je de sinds 12 februari 2019 bestaande exclusieve managementrelatie met Custom Made wil beëindigen. [ [naam 1] ] heeft mij gevraagd de afwikkeling te begeleiden. Ik doe dat graag en zou in dat kader graag met jou willen afspreken, liefst op mijn kantoor en in aanwezigheid van [ [naam 1] ], om de afwikkeling in goed overleg tussen partijen nader te bespreken en daar zo nodig een schriftelijke beëindigingsregeling voor overeen te komen. (…)

Ik zag dat in artikel 13 van de managementovereenkomst een opzegtermijn is overeengekomen van zes maanden. Naar ik begrijp heb je op 1 juni 2023 mondeling aan [ [naam 1] ] laten weten de samenwerking te willen beëindigen. Ik ga er dan ook vooralsnog van uit, dat de opzegging vanaf deze datum is ingegaan en de samenwerking tussen partijen dus op 1 december 2023 definitief zal zijn geëindigd. (…)”

In een brief van 30 juni 2023 heeft [gedaagde] aan [eiser] geschreven dat hij de overeenkomst ontbindt. Verder heeft [gedaagde] [eiser] in die brief gesommeerd tot betaling van een bedrag van € 98.953. [gedaagde] heeft in die brief verwezen naar een bijlage bij de brief, namelijk een verklaring van [naam 2] (hierna: [naam 2] ) van 23 juni 2023 (hierna: verklaring 1). [naam 2] is de boekhouder van zowel [eiser] als [gedaagde] . [naam 2] heeft daarin verklaard dat er een tekort is aan uitbetalingen aan [gedaagde] van in totaal € 98.953 in de boekjaren 2022 en 2023.

In reactie op die brief heeft [eiser] op 14 augustus 2023 onder meer een andere verklaring van [naam 2] van 6 juli 2023 (hierna: verklaring 2) aan [gedaagde] gemaild. Daarin heeft [naam 2] verklaard dat [gedaagde] nog een bedrag van € 323,31 exclusief btw aan [eiser] moet betalen.

Op 21 september 2023 heeft [eiser] kostenfacturen en zogenoemde ‘statements’ van de jaren 2019 tot en met 2022 aan [gedaagde] gemaild.

Op 7 maart 2024 heeft [eiser] bij deurwaardersexploot een vijftal facturen aan [gedaagde] betekend en [gedaagde] gesommeerd tot betaling van i) € 27.710,75 inclusief btw, namelijk het bedrag dat per saldo op die facturen open stond ii) € 2.024 aan rente en iii) € 1.052,11 aan incassokosten.

[eiser] heeft in een e-mail van 27 maart 2024 [gedaagde] nogmaals gesommeerd tot betaling van die bedragen.

In reactie daarop heeft [gedaagde] op 11 april 2024 onder meer een rapport van financieel adviesbureau Grey Men van 18 maart 2024 (hierna: het rapport) aan [eiser] gemaild. In dit rapport concludeert Grey Men dat [eiser] een totaalbedrag € 33.359,91 exclusief btw aan vergoedingen voor optredens niet aan [gedaagde] heeft uitbetaald.

3. Het geschil

[eiser] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

voor recht verklaart dat de buitengerechtelijke ontbinding per 30 juni 2023 van de overeenkomst door [gedaagde] niet rechtsgeldig was en [gedaagde] verantwoordelijk is voor de schade die daaruit voortvloeit;

voor recht verklaart dat de buitengerechtelijke opzegging per 1 juni 2023 van de overeenkomst door [gedaagde] niet rechtsgeldig was en [gedaagde] verantwoordelijk is voor de schade die daaruit voortvloeit;

voor recht verklaart dat voor de eenzijdige beëindiging van de overeenkomst een opzegtermijn van zes maanden (eindigend 31 december 2023) gold, gedurende welke periode [gedaagde] schadeplichtig is ten aanzien van [eiser] en [gedaagde] de daartoe bestemde kostenfacturen die hij heeft ingediend moet overleggen om [eiser] in staat te stellen op basis daarvan de schade te begroten, zo nodig nader op te maken bij staat;

[gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] te betalen een totaalbedrag van € 192.420,06, bestaande uit:

a. € 27.710,75 aan vervallen facturen;

b. tenminste € 2.650,- aan rente ten aanzien van de vervallen facturen onder IV.a. tot 7 maart 2024;

c. € 1.550,- ten aanzien van misgelopen inkomsten optreden [evenement 1] en [evenement 2] ;

d. € 25.000,- aan misgelopen managementinkomsten ten aanzien van de [evenement 3] verlenging;

e. € 42.961,31 aan schatting misgelopen inkomsten ten aanzien van optredens juni-december 2023 – zo nodig te corrigeren met de stukken waarom verzocht onder III;

f. € 20.000,- aan misgelopen managementinkomsten ten aanzien van de uitgaveovereenkomst verlenging;

g. € 12.548,- adviseurskosten met betrekking tot het eindtraject;

h. € 60.000,- geschatte imagoschade;

[gedaagde] veroordeelt tot het gevorderde onder IV, dan wel ieder in goede justitie te bepalen bedrag gebaseerd op door [gedaagde] aan te leveren stukken, vermeerderd met de wettelijke handelsrente, of wettelijke rente, primair vanaf de vervaldatum en subsidiair vanaf de vervaldatum van 7 maart 2024 tot aan de datum der algehele voldoening;

[gedaagde] veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

[eiser] legt – samengevat – het volgende aan de vorderingen ten grondslag. [gedaagde] heeft de overeenkomst op 1 juni 2023 opgezegd. Daarna heeft hij de overeengekomen opzegtermijn van zes maanden niet in acht genomen en heeft hij de overeenkomst ten onrechte ontbonden. [eiser] heeft daardoor schade geleden die [gedaagde] moet vergoeden.

[gedaagde] voert verweer. Hij concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

[gedaagde] voert – samengevat – het volgende aan. Hij heeft de overeenkomst niet opgezegd op 1 juni 2023, maar ontbonden op 30 juni 2023 omdat [eiser] haar verplichtingen uit de overeenkomst niet nakwam. [eiser] heeft namelijk bedragen niet (op tijd) aan hem betaald en heeft zijn administratieplicht geschonden. Voor zover [gedaagde] nog iets verschuldigd is aan [eiser] , moet dat worden verrekend met hetgeen [eiser] nog aan [gedaagde] moet betalen.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

[gedaagde] heeft de overeenkomst opgezegd op 1 juni 2023 en daarna is de opzegtermijn van zes maanden aangevangen

De eerste vraag die moet worden beantwoord is of [gedaagde] de overeenkomst op 1 juni 2023 heeft opgezegd. [eiser] stelt dat [gedaagde] de overeenkomst op die datum per direct heeft opgezegd tijdens het gesprek dat op 1 juni 2023 plaatsvond tussen [gedaagde] en [naam 1] . [gedaagde] voert aan dat hij tijdens dat gesprek alleen heeft gezegd dat hij de samenwerking niet meer zag zitten, maar dat hij daarmee niet bedoeld heeft de overeenkomst per direct op te zeggen. De rechtbank komt tot het oordeel dat [gedaagde] de overeenkomst op 1 juni 2023 heeft opgezegd en legt hierna uit waarom.

Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde] op 1 juni 2023 aan [naam 1] te kennen heeft gegeven dat hij de samenwerking wilde stoppen. Dat [eiser] dit heeft opgevat als een opzegging van de overeenkomst had [gedaagde] kunnen weten. In de e-mails die [naam 1] en de advocaat van [eiser] op 4 en 9 juni 2023 hebben gestuurd aan [gedaagde] (zie 2.5 en 2.6) staan immers termen als ‘opzegging’ en ‘opzegtermijn’. Als [gedaagde] op 1 juni 2023 niet de bedoeling heeft gehad de overeenkomst op te zeggen, had het op zijn weg gelegen om dat na die e-mails direct aan [eiser] te laten weten. Dat heeft hij niet gedaan. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat [gedaagde] de overeenkomst op 1 juni 2023 heeft opgezegd.

Daarna heeft (een kantoorgenoot van) de advocaat van [eiser] in een e-mail van 9 juni 2023 medegedeeld dat er een overeengekomen opzegtermijn geldt van zes maanden en er dus vanuit gaat dat de samenwerking tussen partijen op 1 december 2023 definitief zal zijn geëindigd. [gedaagde] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit volgt dat daarna niet een opzegtermijn van zes maanden gold.

Op grond van het voorgaande wordt dan ook tot uitgangspunt genomen dat [gedaagde] de overeenkomst op 1 juni 2023 heeft opgezegd en dat zowel [eiser] als [gedaagde] er toen vanuit gingen dat daarbij een opzegtermijn gold van zes maanden, dus tot 1 december 2023.

[gedaagde] heeft de overeenkomst rechtsgeldig ontbonden op 30 juni 2023

De tweede vraag die moet worden beantwoord is of [gedaagde] de overeenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden op 30 juni 2023. Dat [gedaagde] de overeenkomst daarvoor al had opgezegd, sluit immers niet uit dat hij die overeenkomst daarna, gedurende de geldende opzegtermijn, alsnog heeft kunnen ontbinden. De rechtbank komt tot het oordeel dat [gedaagde] de overeenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden. Hierna wordt uitgelegd waarom.

- Schending administratieplicht

[gedaagde] heeft de ontbinding van de overeenkomst onder meer gebaseerd op een schending door [eiser] van de administratieplicht die in artikel 3.5 van de overeenkomst is vastgelegd. [gedaagde] stelt dat [eiser] niet aan zijn administratieplicht heeft voldaan omdat de administratie vol gebreken zit, incompleet is en [eiser] die op onnavolgbare wijze heeft gevoerd. Dat volgt volgens [gedaagde] uit de twee verschillende verklaringen van [naam 2] en het rapport. Ook heeft [gedaagde] de (al dan niet achteraf opgestelde) statements en kostenfacturen pas ontvangen na het einde van de samenwerking, aldus steeds [gedaagde] .

[eiser] betwist dat hij tekortgeschoten is in zijn administratieplicht. De verschillen tussen verklaring 1, verklaring 2 en het rapport zijn veroorzaakt door ontbrekende kostenfacturen en doordat [gedaagde] onvolledige informatie verschafte. De administratie is pas na 1 juni 2023 gemankeerd geraakt, omdat [eiser] toen geen toegang meer had tot alle informatie van [gedaagde] die nodig was om de administratie te voeren. Tot slot heeft [gedaagde] vóór de opzegging nooit geklaagd over de administratie, aldus steeds [eiser] .

Voorop staat dat wanneer de ene partij een overeenkomst niet (goed) nakomt, de andere partij bevoegd is de overeenkomst te ontbinden (artikel 6:265 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)).

Op grond van artikel 3.5 van de overeenkomst moet [eiser] een deugdelijke en nauwkeurige administratie verzorgen voor [gedaagde] , en moet [gedaagde] de

administratie te allen tijde zelf kunnen (doen) controleren. Naar het oordeel van de rechtbank is bovenstaande administratieplicht een kernverplichting van een managementovereenkomst zoals hier aan de orde. [gedaagde] heeft juist de financiële en administratieve afhandeling van zijn artiestenbestaan uitbesteed aan zijn management en is grotendeels afhankelijk van de inkomsten die hij via zijn management krijgt uitbetaald. In feite beheert [eiser] het geld van [gedaagde] . Hij moet er dan ook op kunnen vertrouwen dat alles administratief nauwkeurig en overzichtelijk wordt bijgehouden. De administratie zou op ieder moment een getrouw beeld moeten geven van de rechten en plichten van [eiser] en [gedaagde] over en weer.

In de eerste plaats blijkt uit de verklaringen van [naam 2] dat de administratie niet (voldoende) deugdelijk en nauwkeurig was. In die verklaringen worden namelijk verschillende materiële fouten in de administratie beschreven, zoals onverklaarbare verschillen in facturen en (over en weer) niet betaalde of niet gefactureerde bedragen.

In de tweede plaats volgen uit de twee verklaringen van [naam 2] en het rapport dat er niet een juiste administratie aanwezig was die [gedaagde] heeft kunnen (doen) controleren. Zo geven de – kort na elkaar gegeven – verklaringen van [naam 2] ieder een totaal verschillend resultaat: uit verklaring 1 volgt dat [gedaagde] nog een bedrag van € 98.953 krijgt, terwijl uit verklaring 2 volgt dat dat [gedaagde] juist nog een bedrag van € 323,31 moet betalen. Dit terwijl de verklaringen gebaseerd zouden moeten zijn op dezelfde administratie. Dat zijn ze kennelijk niet.

[eiser] heeft aangevoerd dat het verschil tussen de resultaten verklaard kan worden door kostenfacturen die zij voor [gedaagde] heeft voorgeschoten en statements aan de kant van [eiser] . Het antwoord op de vraag of dat standpunt van [eiser] hout snijdt, kan in het midden blijven. Uit het door [eiser] ingebrachte transcript van een gesprek met [naam 2] blijkt namelijk dat de door [eiser] bedoelde voorgeschoten kostenfacturen niet in de administratie van [gedaagde] zaten toen [gedaagde] haar vroeg de door [eiser] gevoerde administratie te controleren. Die facturen hadden volgens [naam 2] onderdeel moeten zijn van de administratie.

Voor zover [eiser] heeft aangevoerd dat [gedaagde] zelf beschikte over die kostenfacturen en statements waarop verklaring 2 is gebaseerd, had [eiser] – gezien de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] – nader moeten onderbouwen dat hij die stukken eerder met [gedaagde] heeft gedeeld. Dat [eiser] op 21 september 2023 alsnog kostenfacturen en (deels ongedateerde) statements en overzichten heeft gepresenteerd, kan hem niet baten. Het bijwerken van de administratie met die mate van vertraging beantwoordt niet aan de verplichting van [eiser] die is neergelegd in artikel 3.5 van de overeenkomst. De administratie had aanstonds duidelijkheid moeten kunnen geven, zonder dat daar nadere boekhoudkundige stukken, statements, uitleg, een rapport en uiteindelijk deze procedure aan te pas moest komen.

Al het voorgaande leidt tot het oordeel dat [eiser] de in artikel 3.5 van de overeenkomst omschreven administratieplicht niet behoorlijk is nagekomen en dat de mede daarop gebaseerde ontbinding van de overeenkomst door [gedaagde] gegrond is. Bij die stand van zaken behoeven de stellingen van partijen of [eiser] ook is tekortgeschoten in de nakoming van artikel 11 van de overeenkomst geen bespreking.

- Verzuim en overige vereisten voor ontbinding

Voor zover nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, is op grond van artikel 6:265 lid 2 BW verzuim nodig voordat een partij een overeenkomst kan ontbinden. [eiser] voert aan dat de ontbinding niet rechtsgeldig is geweest, omdat [eiser] niet in verzuim was. [gedaagde] heeft volgens [eiser] vóór de opzegging nooit geklaagd over de administratie of hem in gebreke gesteld. Dit verweer gaat niet op. In artikel 17 van de overeenkomst hebben partijen afgesproken dat indien een van hen tekortschiet in de nakoming van de overeenkomst, hij geacht wordt van rechtswege in gebreke te zijn zonder dat daartoe een ingebrekestelling is vereist. Dat betekent dat [eiser] meteen in verzuim was door het schenden van de administratieplicht en [gedaagde] de overeenkomt mocht ontbinden.

Tussenconclusie

[gedaagde] heeft de overeenkomst opgezegd op 1 juni 2023, maar daarna gedurende de opzegtermijn rechtsgeldig ontbonden op 30 juni 2023. Daarop stuiten de door [eiser] gevorderde verklaringen voor recht (vorderingen I tot en met III) af. De rechtbank gaat hierna in op de gevolgen van de opzegging en de ontbinding voor de vorderingen van [eiser] onder IV.

Uitgangspunten bij de beoordeling van de vordering onder IV (a)

De opzegging van [gedaagde] op 1 juni 2023 heeft tot gevolg gehad dat vanaf die datum de overeengekomen opzegtermijn van zes maanden is gaan lopen. Tijdens de opzegtermijn bleef [gedaagde] gebonden aan zijn verplichtingen jegens [eiser] , waaronder betaling van de overeengekomen management fee. Uit artikel 14 van de overeenkomst volgt daarnaast dat [gedaagde] ook management fee verschuldigd is voor optredens die door bemiddeling van [eiser] tijdens de looptijd van de overeenkomst tot stand waren gekomen, maar die na de beëindiging hebben plaatsgevonden. Het bovenstaande geldt volgens artikel 12 ook voor andere contracten die door toedoen van de manager zijn aangegaan tijdens de looptijd van de overeenkomst.

De rechtsgeldige ontbinding van 30 juni 2023 heeft tot gevolg gehad dat de overeenkomst eindigde, omdat partijen vanaf die datum bevrijd waren van hun verplichtingen tegenover elkaar. Concreet betekent dit dat [gedaagde] voor optredens en contracten bevestigd vóór 30 juni 2023 wel management fee verschuldigd is aan [eiser] , en voor optredens en contracten bevestigd na 30 juni 2023 niet.

Vordering IV (a): [eiser] heeft recht op betaling van de facturen voor zover deze zien op de vóór de ontbinding bevestigde optredens en contracten

[eiser] vordert betaling van de vijf hieronder genoemde facturen:

Factuur- nummer

Kenmerk

Factuurdatum

Vervaldatum

Bedrag inclusief btw

[factuurnummer 1]

[opdrachtgever 1] campagne

15-6-2023

29-6-2023

€ 7.260,00

[factuurnummer 2]

[opdrachtgever 2] campagne [artiestennaam]

15-6-2023

29-6-2023

€ 8.470,00

[factuurnummer 3]

Management fee shows juni 2023

25-8-2023

8-9-2023

€ 4.235,00

[factuurnummer 4]

Management fee shows aug 2023

25-8-2023

8-9-2023

€ 7.261,75

[factuurnummer 5]

Factuur management fee [opdrachtgever 3]

11-10-2023

25-10-2023

€ 484,00

Totaal:

€ 27.710,75

[eiser] stelt dat [gedaagde] deze facturen nog moet betalen. Verder stelt [eiser] dat [gedaagde] te laat heeft geklaagd over de juistheid van de facturen, omdat hij dat niet binnen de vervaltermijnen van de facturen heeft gedaan, maar pas in zijn brief van 11 april 2024. [gedaagde] betwist de juistheid van de facturen en beroept zich – zowel wat betreft deze facturen maar ook in algemene zin – verder ook op verrekening. Het beroep op verrekening van [gedaagde] wordt hierna vanaf 4.28 afzonderlijk behandeld.

De rechtbank gaat voorbij aan het beroep van [eiser] op de klachtplicht. Uit vaste rechtspraak volgt dat de klachtplicht van artikel 6:89 BW niet van toepassing is op het ontvangen van een (on)juiste factuur, en het niet tijdig klagen daarover. Ook is onjuist dat alleen tijdig tegen de juistheid van een factuur bezwaar gemaakt kan worden binnen de door de schuldeiser gestelde betalingstermijn.

De rechtbank komt tot het oordeel dat [gedaagde] van de facturen een totaalbedrag van € 26.379,75 verschuldigd is aan [eiser] . Daartoe is het volgende redengevend.

Voor twee van de gefactureerde optredens geldt dat [gedaagde] gemotiveerd heeft betwist dat hij daarover management fee verschuldigd is, omdat deze optredens na de ontbinding van de overeenkomst (30 juni 2023) zijn bevestigd. Dit betreft een post van € 847,- inclusief btw op factuur [factuurnummer 4] (‘ [opdrachtgever 4] ’) en factuur [factuurnummer 5] (€ 484,- inclusief btw). Daar heeft [eiser] niets tegenin gebracht. Bij deze stand van zaken zijn voornoemde bedragen niet toewijsbaar.

[gedaagde] voert aan dat [eiser] ten onrechte management fee heeft berekend over de bruto gage, terwijl artikel 10 van de overeenkomst bepaalt dat de fee moet worden berekend over de netto-inkomsten. Hoewel [gedaagde] hier terecht op wijst, heeft hij nagelaten de gestelde kosten van de optredens voldoende te onderbouwen. Die kosten blijken enkel uit een door [gedaagde] overgelegd Excelsheet, waarvan de juistheid door [eiser] is betwist. [gedaagde] had vervolgens concreet en onderbouwd inzichtelijk dienen te maken wat volgens hem de netto-inkomsten zijn waarover de management fee berekend moet worden, maar dat heeft hij niet gedaan. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan dit verweer van [gedaagde] omdat het te vaag en onvoldoende gemotiveerd is.

[gedaagde] heeft de juistheid van facturen [factuurnummer 1] en [factuurnummer 2] niet betwist. Daarnaast heeft [eiser] onbetwist aangevoerd dat voor deze opdrachten geen kosten zijn gemaakt en dat deze opdrachten al bevestigd zijn in mei 2023, dus vóór de ontbinding van de overeenkomst. [gedaagde] is deze facturen dan ook aan [eiser] verschuldigd.

Voor het overige heeft [gedaagde] de facturen onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat de verschuldigdheid daarvan vaststaat. De slotsom is dan ook dat [gedaagde] een bedrag van € 26.379,75 inclusief btw (€ 27.710,75 minus € 847,- en € 484,-) aan [eiser] verschuldigd is.

Vordering IV (c) t/m (h): [eiser] heeft geen recht op schadevergoeding

[eiser] heeft aan haar schadevergoedingsvorderingen IV onder (c) tot en met (h) ten grondslag gelegd dat [gedaagde] de overeenkomst ten onrechte heeft ontbonden. De vorderingen kunnen echter niet op deze grondslag worden toegewezen, omdat onder 4.5 t/m 4.14 is geoordeeld dat [gedaagde] de overeenkomst wel rechtsgeldig heeft ontbonden. Andere grondslagen voor de schadevergoedingsvorderingen heeft [eiser] niet naar voren gebracht en zijn ook niet gebleken. De vorderingen IV onder (c) tot en met (h) moeten dan ook worden afgewezen.

Geen verrekening

[gedaagde] heeft een (voorwaardelijk) beroep op verrekening gedaan. Hij stelt dat voor zover [eiser] een vordering op hem heeft, die verrekend kan worden met hetgeen hij nog te vorderen heeft van [eiser] . Volgens [gedaagde] blijkt uit het rapport dat hij nog een vordering heeft op [eiser] van in totaal € 36.362,30 inclusief btw.

Uit artikel 6:136 BW volgt dat de rechter een verrekeningsverweer kan passeren als de gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. De vordering van [gedaagde] op [eiser] die [gedaagde] ter verrekening inroept, is alleen onderbouwd door het rapport, waarvan de juistheid en volledigheid gemotiveerd door [eiser] worden betwist. Een oordeel over de gegrondheid van de vordering die [gedaagde] pretendeert te hebben op [eiser] vergt dan ook nader onderzoek door bijvoorbeeld het horen van getuige(n) of een onderzoek door een deskundige. Dat maakt dat de door [gedaagde] gestelde vordering van hem op [eiser] zich niet leent voor verrekening met hetgeen [eiser] te vorderen heeft van [gedaagde] . Het beroep op verrekening van [gedaagde] wordt daarom verworpen. Omdat [gedaagde] zijn beroep op verrekening niet vergezeld heeft doen gaan/versterkt heeft met het instellen van een (voorwaardelijke) eis in reconventie kan hij zijn vordering met betrekking tot eventueel niet aan hem doorbetaalde bedragen alleen in een eventuele nieuwe procedure ter beoordeling voorleggen.

Vorderingen tot het aanleveren van stukken onder III en V

[eiser] vordert aanlevering van stukken door [gedaagde] in (gedeelten van) de vorderingen onder III en V. Ter zitting heeft [eiser] aangegeven hier geen belang meer bij te hebben, omdat hij tijdens de procedure de beschikking heeft gekregen over de betreffende stukken. Deze vorderingen worden dan ook afgewezen wegens het ontbreken van een zelfstandig belang daarbij.

[eiser] heeft recht op wettelijke handelsrente

Zoals hiervoor in 4.26 overwogen, wordt een totaalbedrag van € 26.379,75 aan [eiser] toegewezen. [eiser] heeft over dit bedrag in de vordering onder IV (b) rente gevorderd tot 7 maart 2024. Daarnaast heeft [eiser] over dit bedrag in de vordering onder V wettelijke (handels)rente gevorderd primair - zo begrijpt de rechtbank - vanaf de respectievelijke vervaldata van de facturen en subsidiair vanaf 7 maart 2024. De reden voor het instellen van de vordering onder IV (b) naast de vordering onder V is de rechtbank niet duidelijk geworden, omdat [eiser] daar niets over heeft toegelicht. De vordering onder IV (b) wordt daarom afgewezen.

Dan is de vraag of wettelijke handelsrente verschuldigd is. De wettelijke handelsrente van artikel 6:119a BW is alleen van toepassing indien sprake is van een geldelijke tegenprestatie voor geleverde goederen of diensten op grond van een handelsovereenkomst. Dit betreft de primaire betalingsverplichting uit de handelsovereenkomst.

In tegenstelling tot wat [gedaagde] aanvoert, was er sprake van een handelsovereenkomst tussen partijen. [eiser] en [gedaagde] handelden in de uitoefening van hun beroep of bedrijf en gebruikten daarvoor hun eenmanszaken, zoals ook blijkt op de facturen over en weer. Bovendien ziet de vordering van [eiser] op de primaire betalingsverplichting uit de overeenkomst, namelijk betaling van de management fee. De wettelijke handelsrente over het bedrag van € 26.379,75 wordt daarom toegewezen vanaf de respectievelijke vervaldata van de facturen (zoals opgenomen in het overzicht in 4.19).

[eiser] heeft recht op buitengerechtelijke incassokosten

[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Anders dan [gedaagde] ongemotiveerd heeft aangevoerd, heeft [eiser] voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 1.038,80 aan buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten is onbestreden en zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

Proceskosten

Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, worden de proceskosten tussen hen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Uitvoerbaarheid bij voorraad

De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de veroordelingen ook moeten worden uitgevoerd als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld en zolang daarop niet anders is beslist.

5. De beslissing

De rechtbank

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 26.379,75, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, vanaf de respectievelijke vervaldata van de onderliggende facturen, zoals opgenomen in het overzicht onder 4.19, tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.038,80 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis, tot de dag van volledige betaling,

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1 en 5.2 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. van Harmelen, bijgestaan door mr. J.G.H. Tonnaer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2025.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J.G.H. Tonnaer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?