RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11685982 \ CV EXPL 25-6828
Vonnis van 9 september 2025
in de zaak van
DE RECHTSAGENT B.V.,
gevestigd te Spijkenisse,
eisende partij,
hierna te noemen: De Rechtsagent,
gemachtigde: mr. M. Eshtehardi (Ejuristen),
tegen
[gedaagde] (handelend onder de naam [handelsnaam] ),
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 23 april 2025, met producties, - de conclusie van antwoord,
- het instructievonnis van 27 mei 2025, - de conclusie van repliek, met producties,- de conclusie van dupliek.
Vervolgens is er een datum voor vonnis bepaald.
2. De kern
De Rechtsagent heeft in 2020 voor het bedrijf van [gedaagde] juridische werkzaamheden uitgevoerd op grond van een tussen partijen gesloten overeenkomst. Volgens De Rechtsagent heeft [gedaagde] meerdere facturen niet betaald. De Rechtsagent vordert daarom dat [gedaagde] € 1.597,97 betaalt, vermeerderd met de wettelijke handelsrente. De vordering is opgebouwd uit de hoofdsom (€ 995,39), incassokosten (€ 143,31) en verschenen handelsrente (€ 499,27). Ook vordert De Rechtsagent dat [gedaagde] de kosten van deze procedure betaalt.
[gedaagde] is het niet eens met de vordering. [gedaagde] stelt dat hij de facturen heeft betaald en betwist dat hij aanmaningen van De Rechtsagent heeft ontvangen. Daarnaast stelt [gedaagde] dat De Rechtsagent te lang heeft gewacht met het instellen van de vordering, namelijk meer dan vijf jaar, zodat de vordering is vervallen.
Het gaat in deze zaak met name om de vraag of [gedaagde] de facturen heeft betaald. Daarnaast gaat het erom of – als [gedaagde] niet heeft betaald – de vordering is verjaard. Samengevat oordeelt de kantonrechter dat [gedaagde] de facturen nog moet betalen, met rente daarover. [gedaagde] hoeft de buitengerechtelijke incassokosten niet te betalen. De Rechtsagent krijgt dan ook grotendeels gelijk. Hierna wordt uitgelegd waarom.
3. De beoordeling
Het staat niet vast dat [gedaagde] de facturen heeft betaald
De Rechtsagent vordert betaling van vijf facturen van in totaal € 995,39. [gedaagde] stelt dat hij alle declaraties en kleine bedragen heeft betaald, maar De Rechtsagent betwist dat. Daarom is het aan [gedaagde] om feiten en omstandigheden te stellen die erop duiden dat hij de facturen betaald heeft. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. [gedaagde] heeft dan ook onvoldoende onderbouwd gesteld dat hij de facturen heeft betaald, zodat wordt aangenomen dat de facturen onbetaald zijn gelaten. Dat [gedaagde] – zoals hij stelt – geen betaalbewijzen kan overleggen omdat zijn rekeningnummer is opgeheven na een scheiding, maakt dat niet anders. Zulke omstandigheden komen namelijk voor risico van [gedaagde] .
De vordering is niet verjaard
[gedaagde] stelt verder dat de vordering is vervallen omdat de vordering pas na vijf jaar wordt gevorderd. De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] daarmee bedoelt dat de vordering verjaard is. Volgens De Rechtsagent is geen sprake van verjaring, omdat de verjaringstermijn in november 2020 en in maart 2025 is gestuit. Naar het oordeel van de kantonrechter is de verjaringstermijn (in ieder geval) in november 2020 gestuit, zodat de vordering niet verjaard is. Daarvoor is het volgende redengevend.
Uit de wet volgt dat een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Uit de wet volgt ook dat de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Er moet dan sprake zijn van een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar en die duidelijke waarschuwing moet de schuldenaar ook hebben bereikt. Daarbij geldt dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt, maar dat ook een verklaring die hem tot wie zij was gericht, niet of niet tijdig heeft bereikt, haar werking heeft, indien dit niet of niet tijdig bereiken het gevolg is van zijn eigen handeling, van de handeling van personen voor wie hij aansprakelijk is, of van andere omstandigheden die zijn persoon betreffen en rechtvaardigen dat hij het nadeel draagt. De verjaring van een vordering kan ook worden gestuit door een handeling of gedraging van de schuldenaar waaruit blijkt dat hij de schuld erkent.
Volgens De Rechtsagent is de verjaringstermijn op 4 november 2020, 9 november 2020 en 28 maart 2025 gestuit. Zij verwijst daartoe naar tussen partijen in november 2020 gevoerde e-mailcorrespondentie en een aanmaning van 28 maart 2025. De relevante passages uit die correspondentie worden hieronder ingelast:
E-mail van De Rechtsagent aan [gedaagde] op 4 november 2020:
‘(…) Op 24 september jl. hadden wij een uitgebreid telefonisch onderhoud met elkaar over deze zaak. (…). Ik heb u toen reeds aangegeven dat het initiëren van een procedure namens u uiteraard mogelijk is doch dat daar een aanzienlijk kostenplaatje aan hangt. Gelet op het feit dat er op dit moment sprake is van een substantieel openstaand bedrag deelde u ik mede dat ons kantoor een dergelijke procedure pas voor u kan opstarten zodra sprake is van volledige betaling van de nog openstaande facturen en dat voor de kosten van de procedure een voorshot is gedaan. (…)’
E-mail van [gedaagde] aan De Rechtsagent op 4 november 2020:
‘(…) Hoeveel is de openstaande facturen, dan betaald ik, en graag wil ik ook weten wat zijn de verdere stappen. (…)’
E-mail van De Rechtsagent aan [gedaagde] op 9 november 2020:
‘(…) Met verwijzing naar onderstaande mail treft u hierbij een overzicht aan van het per heden openstaande totaalbedrag.
Openstaand debiteur [handelsnaam]
Factuur
Datum
Bedrag
Openstaand
[factuurnummer 1]
24.01.20
€ 592,38
€ 592,38
[factuurnummer 2]
07.02.20
€ 90,75
€90,75
[factuurnummer 3]
14.02.20
€ 90,75
€ 90,75
[factuurnummer 4]
21.02.20
€ 181,50
€ 181,50
[factuurnummer 5]
06.03.20
€ 45,38
€ 45,38
[factuurnummer 6]
06.11.20
€ 45,38
€ 45,38
Totaal
€ 1.046,14
(…)’
[gedaagde] betwist dat hij voorafgaand aan de dagvaarding een vordering of aanmaning heeft ontvangen, maar betwist niet dat hij in november 2020 met De Rechtsagent gecorrespondeerd heeft over de openstaande facturen. [gedaagde] heeft daarnaast niet weersproken dat hij naar aanleiding van de e-mail van 9 november 2020, waarin De Rechtsagent hem een overzicht van de openstaande facturen heeft verstuurd, één van de facturen ( [factuurnummer 3] ) heeft betaald.
Naar het oordeel van de kantonrechter is de inhoud van de e-mails van 4 november 2020 en 9 november 2020 te beschouwen als een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar dat de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Daarnaast kan de – onweersproken – betaling door [gedaagde] van één van de facturen worden beschouwd als een (stilzwijgende) erkenning van de vordering. Dat betekent dat de verjaring van de vordering in november 2020 is gestuit, zodat de vordering op het moment van dagvaarden nog niet verjaard was. Of de aanmaning van maart 2025 door [gedaagde] is ontvangen kan daarom in het midden blijven.
[gedaagde] moet de hoofdsom van € 995,39 aan De Rechtsagent betalen
[gedaagde] heeft de hoogte van de facturen niet betwist. Aangezien niet vast is komen te staan dat [gedaagde] de facturen heeft betaald en de vordering niet is verjaard, wordt de door De Rechtsagent gevorderde betaling van € 955,39 toegewezen.
[gedaagde] hoeft de buitengerechtelijke incassokosten niet te betalen
De Rechtsagent vordert verder betaling van de buitengerechtelijke incassokosten. De Rechtsagent stelt daartoe dat zij diverse buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht, bestaande uit een combinatie van het aanmaken van een dossier, het vergaren van informatie, het voeren van correspondentie en het sommeren van [gedaagde] tot betaling en vordert daarom dat [gedaagde] de buitengerechtelijke incassokosten betaalt. De werkzaamheden die De Rechtsagent noemt moeten op één lijn gesteld worden met het opstellen en versturen van een aanmaning of een andere eenvoudige brief en moeten daarom worden beschouwd als handelingen ter voorbereiding op de procedure. De kosten daarvan vallen onder de proceskosten en niet onder de buitengerechtelijke (incasso)kosten. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft De Rechtsagent dan ook onvoldoende gesteld ter onderbouwing van haar aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten, zodat de vordering wordt afgewezen.
[gedaagde] moet de (verschenen) handelsrente betalen over de hoofdsom
De Rechtsagent vordert ook de (verschenen) wettelijke handelsrente. Zij vordert de rente over de hoofdsom, over de incassokosten en over de verschenen rente.
[gedaagde] heeft de facturen niet (tijdig) betaald en is daarom in verzuim. Hij moet daarom rente betalen. De overeenkomst kwalificeert als handelsovereenkomst en de vordering vloeit voort uit de handelsovereenkomst, zodat de wettelijke handelsrente verschuldigd is over de hoofdsom. De verschenen rente over de hoofdsom bedraagt volgens De Rechtsagent € 499,27 en is berekend vanaf 9 november 2020 tot het moment van dagvaarden. [gedaagde] heeft de hoogte van de door De Rechtsagent berekende verschenen rente niet betwist. De gevorderde verschenen handelsrente over de hoofdsom wordt dan ook toegewezen, evenals de handelsrente over de hoofdsom vanaf het moment van dagvaarden.
[gedaagde] hoeft geen handelsrente te betalen over de buitengerechtelijke kosten. Hoewel over buitengerechtelijke incassokosten nooit handelsrente verschuldigd is, blijkt uit het voorgaande dat de gevorderde incassokosten zijn afgewezen, zodat [gedaagde] daarover geen (handels)rente hoeft te betalen. Dat deel van de vordering wordt dan ook afgewezen.
Met betrekking tot de gevorderde handelsrente over de verschenen handelsrente geldt dat het mogelijk is om rente over rente te berekenen, maar dat kan pas na afloop van één jaar. Aangezien De Rechtsagent één bedrag aan verschenen rente heeft gevorderd en niet uiteen heeft gezet hoe dat bedrag berekend is, kan niet worden nagegaan welk deel van de verschenen rente ziet op het eerste jaar. De gevorderde handelsrente over de verschenen handelsrente wordt dan ook afgewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
[gedaagde] is (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van De Rechtsagent worden begroot op: € 846,23, en bestaan uit de kosten van dagvaarding (€ 123,73), het griffierecht (€ 385,-), het salaris van de gemachtigde (2 punten x € 135,-) en de nakosten (€ 67,50).
4. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan De Rechtsagent te betalen:
a. € 955,39 aan hoofdsom,
b. € 499,27 aan verschenen handelsrente over de hoofdsom berekend vanaf 9 november 2020 tot de dag van dagvaarding,
c. de wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over het onder 4.1 sub a genoemde bedrag vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van De Rechtsagent begroot op
€ 846,23, eventueel te vermeerderen met de kosten van betekening, te betalen binnen 14 dagen na betekening van deze beschikking,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.T. Beuving, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier op 9 september 2025.
64183