RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11833041 \ KK EXPL 25-534
Vonnis in kort geding van 17 september 2025
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. J.B. de Jong,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.
1. De procedure
Bij dagvaarding van 14 augustus 2025, met producties, heeft [eiser] een voorziening gevorderd.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 september 2025. [eiser] is verschenen en bijgestaan door zijn gemachtigde. [gedaagde] is, hoewel zij behoorlijk is opgeroepen, niet verschenen. Tegen [gedaagde] is verstek verleend.
[eiser] is gehoord en heeft vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken. Vervolgens is er een datum voor vonnis bepaald.
2. Gronden van de beslissing
[eiser] vordert [gedaagde] te veroordelen om de woning aan de [adres] binnen drie dagen te ontruimen en tot betaling van een huur- of gebruikersvergoeding van € 3.500,- per maand vanaf 1 september 2025 tot het moment van ontruiming. Ook vordert [eiser] dat [gedaagde] de huurachterstand van € 19.000,- tot en met augustus 2025 (inclusief de borg van € 3.500,-), een schadevergoeding van € 10.500,- en de kosten van deze procedure betaalt.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] in strijd handelt met haar verplichtingen als huurder door de woning te gebruiken om illegale prostitutie mogelijk te maken. De woning is door de [gemeente] – middels een last onder bestuursdwang – gesloten tot 29 november 2025 en daardoor leidt [eiser] schade, aldus [eiser] . Volgens [eiser] heeft [gedaagde] de woning inmiddels verlaten, maar heeft haar partner per Whatsappbericht aan hem laten weten dat [gedaagde] de woning weer wil huren zodra deze weer geopend is. Daarnaast stelt [eiser] dat [gedaagde] de huur over de maanden maart 2025, april 2025, mei 2025, juli 2025 (deels) en augustus 2025 en de borg niet betaald heeft.
Ambtshalve toetsing
De huurovereenkomst die in deze procedure centraal staat, is gesloten met een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen).
Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de vorderingen van [eiser] niet gestoeld op afspraken in de overeenkomst of in de algemene voorwaarden die mogelijk oneerlijk zijn ten opzichte van de consument.
[gedaagde] moet de huurachterstand betalen en de woning binnen drie dagen ontruimen
Omdat [gedaagde] niet is verschenen en de vorderingen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen zijn deze, met inachtneming van het navolgende, toewijsbaar.
Hoewel de woning momenteel door de gemeente is gesloten is volgens [eiser] onzeker of [gedaagde] de woning definitief heeft verlaten, zodat een ontruimingstitel nodig blijft. Mede gelet op de verklaring van [eiser] en het ter zitting voorgelezen Whatsappbericht waaruit blijkt dat [gedaagde] voornemens is om de woning vanaf december 2025 weer te gaan huren volgt de kantonrechter [eiser] daarin. Omdat [gedaagde] de woning heeft verlaten – volgens [eiser] met medeneming van haar spullen – en gelet op de ernst van de gestelde gedragingen acht de kantonrechter een ontruimingstermijn van drie dagen redelijk.
[gedaagde] moet huur betalen als zij terugkeert in de woning
De kantonrechter begrijpt de vordering van [eiser] tot betaling van een huur- of gebruikersvergoeding zo, dat mocht [gedaagde] in de woning terugkeren, en mocht de (definitieve) ontruiming op zich laten wachten, [gedaagde] de meest recente huurprijs moet betalen, namelijk € 3.500,- per maand. Aangezien de huurovereenkomst niet ontbonden wordt is in dat geval geen sprake van een gebruikersvergoeding, maar van huur. De vordering tot betaling van huur tot aan de ontruiming wordt daarom toegewezen.
[gedaagde] hoeft geen borg te betalen
De vordering tot betaling van de borg zal worden afgewezen, nu daarvoor geen wettelijke grondslag bestaat. Per saldo ziet de borg immers alleen op eventuele schade die [eiser] lijdt als [gedaagde] het gehuurde niet op de juiste wijze oplevert. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] verklaard dat [gedaagde] de woning bij haar vertrek onbeschadigd heeft achtergelaten. Bij die stand van zaken is er geen schade geleden waartoe een te betalen borg als compensatie dient.
[gedaagde] hoeft geen schadevergoeding te betalen
De vordering tot vergoeding van schade, bestaande uit advocaat- en andere kosten en mogelijke leegstand gedurende drie maanden, zal eveneens worden afgewezen. Voor een afzonderlijke vergoeding van advocaatkosten bestaat geen aanleiding, omdat daartoe een proceskostenvergoeding conform het toepasselijke liquidatietarief zal worden toegekend. Welke andere kosten door [eiser] zijn gemaakt als gevolg van het handelen van [gedaagde] is in het kader van dit kort geding onvoldoende geconcretiseerd. Dat de woning gedurende drie maanden leeg zal staan, in welk geval [eiser] daaruit geen huurinkomsten geniet, is in het licht van de huidige [gemeente] woningmarkt op dit moment nog onvoldoende aannemelijk geworden. Weliswaar volgt uit de aan [eiser] opgelegde last onder dwangsom dat de woning gedurende drie maanden niet verhuurd kan worden, maar de gemeente biedt in haar brief nadrukkelijk de mogelijkheid dat de woning al op een eerder moment weer voor verhuur kan worden vrijgegeven wanneer de nieuwe huurders geen risico vormen op herhaling van de overtreding. Dat dit, zoals namens [eiser] is aangevoerd, in praktische zin niet haalbaar zal zijn, is vooralsnog onvoldoende aannemelijk geworden.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op € 1.487,95, bestaande uit de kosten van de dagvaarding (€ 145,45), het griffierecht (€ 732,-), het salaris van de gemachtigde (€ 543,-) en de nakosten (€ 67,50).
3. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis het pand aan [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiser] zijn, en de sleutels af te geven aan [eiser] , welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde,
veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan [eiser] :
a. a) € 15.500,- aan achterstallige huur tot en met 31 augustus 2025,
b) € 3.500,- per maand vanaf 1 september 2025 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.487,95, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en eventueel te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Wiltjer, kantonrechter, bij haar afwezigheid ondertekend door mr. R. Kruisdijk, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier op 17 september 2025.
64183