RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel
zaaknummer / rolnummer: C/13/770767 / KG ZA 25-451 MdV/EB
Vonnis in kort geding van 18 juli 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
WEGO B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres bij dagvaarding van 16 juni 2025,
advocaat mr. S.P. Dalmolen te Amsterdam,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE AMSTERDAM,
zetelend te Amsterdam,
gedaagde,
advocaten mr. F.J.J. Cornelissen en mr. G.J. van Essen te Amsterdam.
Partijen zullen hierna WeGo en de gemeente worden genoemd.
1. De procedure
Op de zitting van 14 juli 2025 heeft WeGo de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. De gemeente heeft verweer gevoerd, mede aan de hand van een conclusie van antwoord die voorafgaand aan de zitting is ingediend.
Beide partijen hebben producties ingediend en gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die aan het procesdossier zijn toegevoegd.
Op de zitting waren aan de zijde van WeGo aanwezig [naam 1] ( [naam functie 1] ) en mr. Dalmolen. Aan de zijde van de gemeente waren aanwezig [naam 2] ( [naam functie 2] van de gemeente), mr. Cornelissen en mr. Van Essen.
Vonnis is bepaald op vandaag.
2. De feiten
Op 3 april 2025 heeft de gemeente op TenderNed een openbare Europese aanbestedingsprocedure voor de inkoop van Voertuigtelematica (inclusief Tachograafmanagement) aangekondigd. Met de te sluiten overeenkomst beoogt de gemeente een oplossing te verkrijgen voor voertuigtelematica bestaande uit hardware in de voertuigen, telecommunicatie (zoals 4G/5G, GPS en Bluetooth), analyse-software (SaaS) en persoonlijke devices (zoals apps of tags) waarmee de voertuigen op afstand worden uitgelezen en geanalyseerd en de toegang tot de voertuigen effectief wordt beheerd. De analyse van de uitgelezen data gaat dan over het aantal kilometers dat de bestuurder voor zakelijke- en privédoeleinden met het voertuig heeft gereden.
De gemeente wil een raamovereenkomst sluiten met één opdrachtnemer die deze voertuigtelematica levert voor de duur van vier jaar met een eenzijdige optie tot
verlenging met maximaal vier keer één jaar. De maximale looptijd bedraagt dus 8 jaar. De waarde van de opdracht is geraamd op € 6 miljoen.
WeGo, is een aanbieder van voertuigtelematica. Zij is de “zittende”
leverancier van de gemeente.
In de Aanbestedingsleidraad (paragraaf 4.2.3.2) heeft de gemeente de volgende eis opgenomen:
“Keurmerk RitRegistratieSystemen (RRS)
Het aangeboden ritregistratiesysteem beschikt op de datum van inschrijving over het
keurmerk RitRegistratieSystemen (RRS).”
Deze eis komt ook terug in het Programma van Eisen. Eis F02 luidt als volgt:
“Het voertuigtelematicasysteem bevat standaard een ritregistratiesysteem dat voldoet aan alle eisen, normen en voorbeelden uit het Normenkader RitRegistratieSystemen (versie 1.30 of hoger) en in staat is een Auditfile RitRegistratiesystemen (XAR) te genereren die volledig voldoet aan de technische en inhoudelijke specificaties van de XML Auditfile RRS (versie 2.3.2 of hoger). De technische specificaties voor de Auditfile Ritregistratiesystemen (XAR) zijn te vinden via: [internetsite 1] (…)
Certificering:
Het ritregistratiesysteem moet gecertificeerd zijn door de Stichting Keurmerk
Ritregistratiesystemen te vinden via: [internetsite 2] .”
Naar aanleiding van deze eis heeft WeGo de volgende vraag aan de gemeente gesteld:
“Volgens wetgeving Europese aanbestedingen, moet bij elke eis gelezen kunnen worden "of gelijkwaardig". Kunt u bevestigen dat hier gelezen mag worden "of gelijkwaardig"? Zou u "of gelijkwaardig" willen toevoegen als tekst in de eis en de leidraad? (…). Het 'keurmerk ritregistratiesystemen' is geen officieel keurmerk maar een instrument van een branche. De belastingdienst eist slechts dat een ritregistratie voldoet aan de eisen die de belastingdienst daar aan stelt. Een XAR file wordt bijvoorbeeld niet geëist door de belastingdienst maar geeft daar slechts een format voor, dat gebruikt kan worden maar niet verplicht is. Wanneer inschrijver een verklaring van de belastingdienst indient dat het betreffende ritregistratiesysteem voldoet aan de eisen die de belastingdienst stelt, met daarbij als verificatie nog een accountantsverklaring en een recente pen-test (penetratietest), ziet u dat dan als gelijkwaardig? Andere overheden hebben deze set aan documenten al eerder geaccepteerd als gelijkwaardig.”
De gemeente heeft deze vraag als volgt beantwoord, in de eerste Nota van Inlichtingen van 15 mei 2025:
“Niet akkoord. De Belastingdienst verwijst1 op haar website expliciet naar het Keurmerk RitRegistratiesystemen en stelt dat, bij gebruik van een systeem met dit keurmerk, ervan uitgegaan mag worden dat de rittenregistratie sluitend is. Daarnaast wordt in eis F02 verwezen naar de door de Belastingdienst beschikbaar gestelde informatie over de Auditfile RitRegistratiesystemen (XAR-bestand). In de beschrijvende documentatie van de Belastingdienst staat het volgende vermeld: "De Belastingdienst adviseert zowel ondernemers als werknemers om gebruik te maken van een ritregistratiesysteem dat een XAR conform de actuele specificaties kan aanmaken, zodat, in geval van een controle van ritgegevens, daarvan gebruik gemaakt kan worden." Opdrachtgever ziet op dit moment geen gelijkwaardige alternatief voor het keurmerk. Bovendien hecht Opdrachtgever er waarde aan om bij een controle door de Belastingdienst de geadviseerde XAR-file te kunnen aanleveren, zodat de controle soepel kan verlopen en direct de juiste gegevens
kunnen worden gedeeld. Het voorgestelde alternatief biedt Opdrachtgever niet dezelfde zekerheid op een sluitende rittenregistratie, noch de toegevoegde waarde van het kunnen genereren van een XAR-file.
[internetsite 3]
[internetsite 4]
Dat heeft geleid tot het volgende verzoek van WeGo, bij de volgende vragenronde:
“De verwijzing naar het keurmerk is onrechtmatig, onder meer omdat één van de eisen die in de Aanbestedingswet 2012 worden gesteld aan een keurmerk is, dat dit is vastgesteld in een open en transparante procedure waaraan alle belanghebbenden, waaronder overheidsinstanties, consumenten, sociale partners, fabrikanten, distributeurs en niet-gouvernementele organisaties, kunnen deelnemen. Dat geldt niet voor het RRS-keurmerk. Volgens openbare bronnen is het onderliggende normenkader gemaakt als een samenwerking tussen softwareontwikkelaars van ritregistratiesystemen en de Belastingdienst en is het tot stand gekomen in opdracht van de Belastingdienst. Een open en transparante procedure waaraan alle belanghebbenden konden deelnemen, heeft niet plaatsgevonden. Dit betekent dat de eis waarin dit keurmerk is voorgeschreven, in strijd is met de wet. Verzoek is om deze eis te laten vervallen aangezien deze in strijd is met de wet.”
De gemeente heeft daarop als volgt gereageerd, in de tweede Nota van Inlichtingen, van 4 juni 2025:
“De eis komt niet te vervallen: Het klopt dat het Normenkader RitRegistratieSystemen
(RRS) in opdracht van de Belastingdienst opgesteld. Het doel van het normenkader
is het beschrijven van een set van normen voor: Administratieve lastenverlichting
voor het bedrijfsleven, het verschaffen van fiscale zekerheid aan gebruikers van
ritregistratiesystemen en een effectiever en efficiënter fiscaal toezicht. U geeft aan
dat de verwijzing naar het keurmerk onrechtmatig zou zijn, omdat het Normenkader
RitRegistratieSystemen (RRS) niet zou zijn vastgesteld in een open en transparante
procedure waaraan verschillende belanghebbenden hebben deelgenomen. Dit is
echter onjuist. Het Normenkader bevat geen toelatingscriteria voor het Keurmerk
RitRegistratieSystemen en vormt niet "het onderliggende normenkader" van het
keurmerk. Het toetsen of een ritregistratiesysteem aan het normenkader RRS
voldoet, is slechts één van de meerdere criteria om voor het keurmerk in aanmerking
te komen. De aanbestedende dienst is daarnaast gehouden om ook andere
keurmerken te aanvaarden die voldoen aan gelijkwaardige eisen. Omwille van het
proportionaliteitsbeginsel heeft een onderneming die niet over een keurmerk
beschikt en dit niet hem kan worden aangerekend de mogelijkheid om andere
geschikte bewijsmiddelen te overleggen. Met deze bewijsmiddelen moet de
onderneming kunnen aantonen dat zijn leveringen, werken of diensten dan wel niet
het keurmerk hebben, echter wel aan de keurmerkeisen voldoen. U heeft eerder
aangegeven dat u een verklaring van de belastingdienst, met daarbij als verificatie
nog een accountantsverklaring en een recente pentest (penetratietest) als
gelijkwaardig wilt doen toekomen. Hiermee wordt niet voldoende aangetoond dat het geboden alternatief het gewenste niveau van het keurmerk dekt en is tevens niet te
controleren of dit juist is en volledig voldoet aan alle elementen van het keurmerk.
Een onafhankelijke IT-audit die aantoont dat het systeem voldoet aan het
normenkader, de privacy-eisen en de mogelijkheid biedt om de Auditfile
RitRegistratieSystemen (XAR) te genereren, zijn slechts enkele voorbeelden van
aspecten die hiermee niet worden aangetoond. Uitgangspunt is dan ook dat een
inschrijver voldoet aan alle kenmerken van het keurmerk en niet of het akkoord is
voor de Belastingdienst alleen; het normenkader. Dat laatste kan delen van het
keurmerk goedkeuren die specifiek voor de Belastingdienst akkoord zijn, maar
opdrachtgever eist alle elementen en het keurmerk is daar het bewijs van middels
het keurmerk. Indien u bij de inschrijving bewijs kunt overleggen waaruit blijkt dat u
aan álle elementen van het keurmerk RitRegistratieSystemen voldoet, zullen wij uw
aanvraag in behandeling nemen.”
Daarop is WeGo dit kort geding gestart, vóór het sluiten van de termijn voor inschrijving op 17 juni 2025. Parallel daaraan heeft zij ingeschreven op de aanbesteding. Haar inschrijving is door de gemeente als ongeldig terzijde gelegd omdat WeGo niet heeft ingeschreven met een product dat aan het RRS-keurmerk voldoet en ook geen alternatieve bewijsmiddelen aangeleverd heeft die daaraan gelijk kunnen worden gesteld.
3. Het geschil
WeGo vordert:
(i) de gemeente te verbieden om de opdracht te gunnen op basis van de
gevolgde aanbestedingsprocedure;
(ii) voor het geval de gemeente de opdracht alsnog wil vergeven: de
gemeente te gebieden om de eis dat het aangeboden ritregistratiesysteem op de datum van inschrijving beschikt over het
keurmerk RitRegistratieSystemen (RRS) te ecarteren;
(iii) de gemeente te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen
met rente.
Aan haar vordering legt WeGo ten grondslag, samengevat, dat het RRS-keurmerk niet voldoet aan de eisen gesteld in artikel 2.78a van de Aanbestedingswet 2012. Als dat keurmerk al zou voldoen aan die eisen, dan nog is verwijzing naar het RRS-keurmerk disproportioneel.
De gemeente voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Een aanbestedende dienst heeft een ruime mate van vrijheid wanneer het gaat om het opstellen van de eisen waar een inschrijver aan moet voldoen. Bij het uitvragen van technische specificaties wordt de proportionaliteit daarvan onder meer getoetst door te kijken naar de mededingingsruimte die bestaat en de doelen die de aanbestedende dienst wil bereiken met de gevraagde technische specificaties. Met andere woorden, het is niet toegestaan om eisen zo op te schrijven dat daar slechts één partij aan kan voldoen, zeker niet wanneer er een gelijkwaardig alternatief is.
Voldoet het RRS-keurmerk aan de eisen van artikel 2.78a van de Aanbestedingswet 2012?
Het eisen van een keurmerk is toegestaan, wanneer dat voldoet aan de eisen van artikel 2.78a lid 1 van de Aanbestedingswet 2012 (hierna: de Aw). Die eisen zijn bedoeld om te voorkomen dat de concurrentie onnodig wordt beperkt of dat de aanbesteding wordt toegeschreven op een bepaalde partij. Artikel 2.78a Aw stelt, in de aanhef en onder b, c en d, de navolgende eisen, waaraan het RRS-keurmerk volgens WeGo niet voldoet.
b. De keurmerkeisen moeten zijn gebaseerd op objectief controleerbare en niet-discriminerende criteria.
WeGo stelt dat de eisen voor het verkrijgen van het RRS-keurmerk niet volledig vast te stellen zijn, laat staan objectief controleerbaar. Om in aanmerking te komen voor het keurmerk, moet het bedrijf deelnemer van de Stichting Keurmerk RitRegistratieSystemen worden. Die stichting geeft het keurmerk uit en verzorgt
(periodieke) audits. In de deelnemersvoorwaarden staat dat het systeem, wil het voor het keurmerk in aanmerking komen, moet voldoen aan “de normatiek”, in die voorwaarden gedefinieerd als “Set van normen en eisen, opgesteld en gepubliceerd door de Belastingdienst, waaraan een Ritregistratiesysteem minimaal moet voldoen. De XML Auditfile RRS maakt onderdeel uit van de Normatiek”. XML Auditfile RRS is in de voorwaarden gedefinieerd als “De standaard output, geproduceerd en opgeleverd door het Ritregistratiesysteem, dat de op grond van de Normatiek vereiste data oplevert voor een sluitende rittenadministratie”.
Een volledig beeld van de eisen levert dit volgens WeGo echter niet op. De antwoorden van de gemeente in de Nota’s van Inlichtingen impliceren volgens haar dat er nog meer eisen zijn. Specifiek doelt WeGo op de uitlatingen van de gemeente (i) dat het toetsen of een ritregistratiesysteem aan het normenkader RRS voldoet, slechts één van de meerdere criteria is om voor het keurmerk in aanmerking te komen en (ii) dat een onafhankelijke IT-audit die aantoont dat het systeem voldoet aan het normenkader, de privacy-eisen en de mogelijkheid biedt om de Auditfile RitRegistratieSystemen (XAR) te genereren, slechts enkele voorbeelden zijn van aspecten die hiermee niet worden aangetoond. Bovendien kan volgens WeGo niet worden uitgesloten dat er nog meer eisen worden gesteld om voor het keurmerk in aanmerking te komen, maar daar kom je pas achter nadat je je bij de stichting hebt aangemeld en de aanmeldfee hebt voldaan.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. De verwijzing naar de set van normen en eisen die door de belastingdienst zijn gesteld, is duidelijk. Die normen en eisen bestaan al jaren en vormen het materiële element van het keurmerk. Het RRS-keurmerk kent ook een formeel element, te weten de controle op het (blijven) voldoen aan de materiële regels door de aanbieders van RitRegistratieSystemen. De stichting neemt de organisatie daarvan voor haar rekening. Op die controle doelt de gemeente in haar antwoorden. Andere eisen voor het verkrijgen van het keurmerk zijn er niet. Dat had WeGo ook eenvoudig kunnen constateren door zich bij de stichting aan te melden. Dat WeGo daarvoor een fee van € 750,00 had moeten betalen is niet zo’n hoge drempel, afgezet tegen een opdracht met een waarde van rond de € 6 miljoen, dat dit tot het oordeel “niet objectief controleerbaar” zou moeten leiden.
c. Het keurmerk moet zijn vastgesteld in een open en transparante procedure waaraan alle belanghebbenden, waaronder overheidsinstanties, consumenten, sociale partners, fabrikanten, distributeurs en non-gouvernementele organisaties hebben kunnen deelnemen.
WeGo bestrijdt dat het RRS-keurmerk is vastgesteld in een open en transparante procedure. De eisen van het keurmerk zijn volgens haar namelijk vastgesteld door de Stichting.
De gemeente heeft gemotiveerd betwist dat het overleg niet open en transparant is geweest. Uit een persbericht uit 2013 dat de gemeente heeft ingediend, blijkt dat er destijds in Nederland ongeveer 100 leveranciers van RitRegistratieSystemen waren, waarbij het (kwaliteits)verschil in het aangeboden soort systemen enorm was. Begin 2013 zijn alle leveranciers van RitRegistratieSystemen in Nederland geïnformeerd dat de overheid in samenwerking met marktpartijen een eerlijke set met objectieve en onafhankelijke spelregels wilde opstellen waaraan RitRegistratieSystemen moeten voldoen. Er hebben zich 26 leveranciers van die systemen aangemeld voor deelname aan dat overleg. Die leveranciers vertegenwoordigden ongeveer 85% van de markt. Daarnaast was de belastingdienst betrokken bij het overleg. Voorshands is aannemelijk dat alle belanghebbenden hebben kunnen deelnemen aan de procedure die heeft geleid tot vaststelling van het RRS-keurmerk. Waarom dit proces niet open en transparant is geweest, heeft WeGo ook niet nader toegelicht.
Een ander punt waarop het RRS-keurmerk niet voldoet aan de eis van een transparante procedure, is volgens WeGo dat de stichting eenzijdig de deelnemersvoorwaarden en protocollen, reglementen en overige documentatie mag wijzigen en/of aanvullen.
Inderdaad staat in de deelnemersvoorwaarden (paragraaf 1.6) dat de stichting gerechtigd is die voorwaarden en de daarin genoemde protocollen, reglementen en overige documentatie eenzijdig te wijzigen en/of aan te vullen. Kleine wijzigingen van ondergeschikt belang, zulks ter beoordeling van de stichting, kunnen altijd door de stichting worden doorgevoerd. Grote inhoudelijke wijzigingen, zulks ter beoordeling van de stichting, zullen van tevoren met de deelnemersraad worden besproken, zo staat in de deelnemersvoorwaarden. Strijd met artikel 2.78a lid 1 aanhef en onder c van de Aw levert dit niet op. De stichting is onafhankelijk, heeft geen winstoogmerk en staat onder toezicht van een Raad van Toezicht. Niet te verwachten valt dat de stichting de bevoegdheid die 1.6 van de deelnemersvoorwaarden haar geeft, zal misbruiken. Bovendien geeft artikel 2.78a lid 1 aanhef en onder c Aw geen recht op medezeggenschap, maar alleen op de mogelijkheid van deelname aan overleg. De deelnemersvoorwaarden van de stichting voorzien daarin.
d. Het keurmerk moet voor alle betrokken partijen toegankelijk zijn.
Volgens WeGo voldoet het RRS-keurmerk niet aan dit vereiste, omdat het alleen toegankelijk is voor ondernemingen die zich hebben aangesloten bij de stichting, daarvoor een jaarlijkse deelnemersfee betalen en zich committeren aan de overige voorwaarden, protocollen en reglementen van de stichting.
Dit standpunt gaat niet op. Alle gegadigden kunnen zich aansluiten bij de stichting en daarmee toegang tot het keurmerk krijgen.
Volgens WeGo stelt het RRS-keurmerk ook eisen die geen verband houden met het voorwerp van de opdracht, maar betrekking hebben op het algemene ondernemingsbeleid. Dat levert volgens WeGo strijd op met het bepaalde in artikel 2.78 lid 5 Aw. Zij doelt dan op de eis dat, om voor het keurmerk in aanmerking te komen, een deelnemer zich moet aanmelden bij de Stichting, daarvoor jaarlijks een deelnemersfee moet betalen en zich moet houden aan alle overige voorwaarden die de stichting heeft voorgeschreven. Een aantal van die voorwaarden grijpt in de bedrijfsvoering in, zoals de verplichting om, indien een ondernemer meerdere RitRegistratieSystemen exploiteert, voorrang te geven aan het systeem dat het RRS-keurmerk heeft.
De door WeGo genoemde voorwaarden staan wel in verband met het voorwerp van de aanbesteding: een RitRegistratieSysteem met RRS-keurmerk. Een essentieel aspect van een keurmerk is dat een onafhankelijke instantie controleert of (in dit geval: het RitRegistratieSysteem) voldoet aan de onderliggende normen en eisen, niet alleen voorafgaand aan het verkrijgen van het keurmerk, maar ook daarna nog periodiek. De kosten daarvan worden voldaan uit de bijdragen van de deelnemers aan de Stichting. Voorshands is aannemelijk dat de overige voorwaarden die door WeGo worden genoemd, tot doel hebben het in stand houden van de positie van het keurmerk en het voorkomen van verwarring bij de klant. Ook dit argument van WeGo gaat dus niet op.
Tussenconclusie
WeGo heeft niet aannemelijk gemaakt dat de eisen om in aanmerking te komen voor het RRS-keurmerk, in strijd zijn met het bepaalde onder 2.78a lid 1 aanhef en onder b, c of d, of met lid 5 Aw. Op deze grond zijn de vorderingen dus niet toewijsbaar.
Is de eis van een RRS-keurmerk disproportioneel?
WeGo voert ook aan dat dat de eis van een RRS-keurmerk disproportioneel is. In haar visie zou hetzelfde resultaat kunnen worden bereikt met – in haar geval – de verklaring van de belastingdienst dat het ritregistratiesysteem van WeGo voldoet aan de eisen die de belastingdienst daaraan stelt, met daarbij als verificatie nog een accountantsverklaring en een recente pen-test (penetratietest). De gemeente had aanvullend nog de eis van een onafhankelijke audit kunnen stellen, alsook eisen rond de bescherming van privacy. In dat geval zou het resultaat volgens WeGo hetzelfde zijn, zonder verplichte deelname aan de stichting, terwijl juist die verplichte deelname haar flink in de weg zit.
WeGo heeft toegelicht dat deelname aan de stichting enkele voor haar ongewenste consequenties heeft. Nog los van het feit dat zij niet inziet waarom zij jaarlijks een niet onaanzienlijke fee moet betalen enkel om deel te nemen aan de stichting, zijn sommige voorwaarden onevenredig en voor haar onaanvaardbaar. Als voorbeeld noemt WeGo paragraaf 7.3 van de deelnemersvoorwaarden waaruit blijkt dat als een deelnemer meerdere ritregistratiesystemen voert, hij niet vrij is om te communiceren dat deze andere systemen "voldoen aan de eisen van de belastingdienst" of soortgelijke uitingen. Het is de deelnemer dan slechts toegestaan om de volgende uiting te doen: "Dit systeem kan voldoen aan de output-eisen van de belastingdienst, maar voldoet niet op voorhand aan het normenkader van de belastingdienst zoals ons Keurmerkproduct". Deze bepaling is voor WeGo onaanvaardbaar, omdat haar systeem wel degelijk en aantoonbaar voldoet aan de eisen van de belastingdienst en zij dit ook wil kunnen uitdragen. Maar ook de al aangehaalde bepaling dat de stichting eenzijdig gerechtigd is om de voorwaarden en de protocollen, reglementen en overige documentatie eenzijdig te wijzigen, is voor WeGo onaanvaardbaar, net als de bepaling dat een product met het keurmerk moet worden aangeboden als voorkeursproduct (paragraaf 7.4) waarmee dus de vrijheid om naar eigen inzicht een product aan te bieden ingrijpend wordt beperkt, dit alles aldus WeGo.
WeGo heeft op dit moment naar eigen zeggen maar één RitRegistratieSysteem. Voor elk van haar klanten geeft zij dat een eigen look & feel, met bijvoorbeeld het logo van de klant. Momenteel zijn er 24 van deze varianten, of “kleuren”, zoals WeGo dat noemt. WeGo gaat ervan uit dat, als zij zich bij de stichting zou aanmelden met een systeem voor de gemeente, elk van de andere “kleuren” door de stichting zal worden aangemerkt als een ander systeem. Of de stichting dat zal doen, is echter nog maar de vraag. Daarmee is dus ook niet zeker of aanmelding bij de stichting voor WeGo zo kostbaar zal zijn als zij op de zitting heeft voorgerekend. Voorshands gaat de voorzieningenrechter er dan ook vanuit dat aanmelding bij de stichting voor WeGo niet zo nadelig is als zij stelt.
Gebruik van het keurmerk heeft voor de gemeente wel een groot voordeel. Zij wil niet alleen dat het RitRegistratieSysteem voldoet aan de eisen die de belastingdienst daaraan stelt, maar dat dat systeem haar ook de controle op de juiste naleving van de toepasselijke belastingrechtelijke regels uit handen neemt. Dat is namelijk een enorme en ingewikkelde klus, waarvoor zij de capaciteit niet heeft. De gemeente maakt gebruik van ruim 1.000 voertuigen, die gedeeld worden door een wisselende groep van ruim 6.000 medewerkers die gezamenlijk jaarlijks meer dan 10 miljoen kilometers afleggen. De controle is ook ingewikkeld door de verscheidenheid in soorten voertuigen, directies en locaties. De gemeente wil op het punt van de audits volledig ontzorgd worden. De enige manier waarop zij dat kan bewerkstelligen, is het eisen van het RRS-keurmerk. Voor dat keurmerk neemt de stichting het namelijk op zich om de audits te verzorgen. In alle andere gevallen moet de gemeente dat zelf regelen.
De gemeente heeft dus goede redenen om het keurmerk te vereisen, ook vanuit het oogpunt van efficiënte besteding van gemeenschapsgelden. De mededingingsruimte wordt door het eisen van het keurmerk niet beperkt. Er zijn tal van leveranciers van RitRegistratieSystemen die over het keurmerk beschikken. Van een disproportionele eis is daarom geen sprake.
Conclusie
Nu niet aannemelijk is dat de eisen om in aanmerking te komen voor het RRS-keurmerk in strijd zijn met artikel 2.78a Aw en het vereisen van dat keurmerk niet disproportioneel is, is de vordering niet toewijsbaar.
WeGo zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de gemeente worden begroot op:
- griffierecht € 714,00
- salaris advocaat 1.107,00
- nakosten 178,00
Totaal € 1.999,00
Als dit vonnis wordt betekend, komen daar nog de kosten van betekening bij, zoals genoemd aan het slot van 5.2 van de beslissing.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
weigert de gevraagde voorzieningen,
veroordeelt WeGo in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op € 1.999,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf twee weken na vonnisdatum en met € 92,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak als dit vonnis wordt betekend,
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.M. de Vries, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E. van Bennekom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2025.