RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10312304 \ CV EXPL 23-1678
Vonnis van 16 mei 2025
in de zaak van
ICM INTERNATIONAL OIL COMPANY B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
gemachtigde: mr. J. Ruijs,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 26 januari 2023, met producties,- het tegen gedaagde partij verleende verstek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De beoordeling
Eisende partij stelt in de dagvaarding dat [naam] voor gedaagde partij tolk- en vertaalwerkzaamheden heeft verricht, waarvoor een factuur van € 6.806,25 is gestuurd, die onbetaald is gelaten.
De overeenkomst die eisende partij aan de vordering ten grondslag legt is gesloten tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter moet ambtshalve onderzoeken of eisende partij de op haar als handelaar rustende informatieplichten heeft nageleefd. Ook moet de overeenkomst worden getoetst aan de Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
Gesteld noch gebleken is op welke wijze de overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen en wat daarbij is afgesproken. Evenmin is gemotiveerd gesteld dat is voldaan aan de van toepassing zijnde informatieplichten. Dit had in de dagvaarding moeten staan. De dagvaarding moet immers voldoende informatie en stukken bevatten om het in de vorige overweging beschreven ambtshalve onderzoek te kunnen uitvoeren. In dit verband wordt verwezen naar het Arvato-arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2021:1677, overweging 3.1.17) en de naar aanleiding van dat arrest tot stand gekomen Richtlijn Sanctiemodel essentiële informatieplichten, die op rechtspraak.nl te vinden is. Nu de gemachtigde van eisende partij geen repeatplayer is, krijgt eisende partij de gelegenheid om de ontbrekende informatie en stukken alsnog bij akte te geven.
Eisende partij zal vorenbedoelde toelichting over de totstandkoming van de overeenkomst en de wijze waarop is voldaan aan de informatieplichten alsnog bij akte moeten geven.
Verder is niet duidelijk of de gefactureerde prijs en/of berekening daarvan voorafgaande aan het sluiten van de overeenkomst op duidelijke en begrijpelijke wijze aan gedaagde partij kenbaar is gemaakt. Dat er tolk- en vertaalwerkzaamheden zijn verricht zegt immers nog niets over de vraag of tussen partijen ook een prijs is afgesproken voor deze werkzaamheden en zo ja, welke. Daarom zal eisende partij zich bij akte moeten uitlaten over de transparantie van de in de factuur opgenomen prijs voor de uitgevoerde werkzaamheden, in lijn met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 januari 2023 (ECLI:EU:C:2023:14). Uit dat arrest volgt dat de consument voorafgaande aan het sluiten van de overeenkomst tenminste die informatie moet ontvangen die hem in staat stelt een inschatting te maken van de financiële consequenties die uit de overeenkomst voortvloeien, dus van de (te verwachten) kosten.
Tot slot is niet duidelijk of op de overeenkomst algemene voorwaarden van toepassing zijn verklaard. Dit dient eisende partij te verduidelijken. Als algemene voorwaarden van toepassing zijn of als eisende partij algemene voorwaarden hanteert, dan moeten deze in het geding worden gebracht. Ook moeten dan de bedingen worden genoemd die aan de vordering ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd, vergezeld met een toelichting over de (on)eerlijkheid van die bedingen.
Op grond van de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger) moet de kantonrechter ook als eisende partij zich in de procedure niet beroept op het toepasselijke beding, maar op de wet, ambtshalve onderzoeken of het beding in de voorwaarden waarop zij zich had kunnen beroepen niet oneerlijk is in de zin van de richtlijn. Indien een beding als oneerlijk wordt aangemerkt, kan ingevolge deze arresten geen aanspraak meer worden gemaakt op de wettelijke regeling die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest en moet haar vordering op dit punt worden afgewezen.
De zaak wordt voor akte uitlating eisende partij over het bepaalde in overwegingen 2.4, 2.5 en 2.6 verwezen naar de rol.
Eisende partij dient de akte tenminste twee weken voor de hierna te bepalen rolzitting ook aan gedaagde partij te sturen, met de mededeling dat gedaagde partij op die rolzitting daarop mag reageren dan wel uitstel kan vragen en hoe en wanneer gedaagde partij uiterlijk moet reageren. Eisende partij wordt in dat kader verzocht om naast de akte ook de mededeling/brief aan gedaagde partij in het geding te brengen. Wanneer niet kan worden vastgesteld dat de akte tijdig en/of met de juiste mededeling aan gedaagde partij is toegestuurd, wordt deze in beginsel buiten beschouwing gelaten.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3. De beslissing
De kantonrechter
verwijst de zaak naar de rol van vrijdag 13 juni 2025 om 10.00 uur voor akte uitlating door eisende partij over het bepaalde in overwegingen 2.4, 2.5 en 2.6,
bepaalt dat eisende partij de akte aan gedaagde partij moet toesturen, overeenkomstig het bepaalde in overweging 2.9,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2025.
991