RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10312304 \ CV EXPL 23-1678
Vonnis van 11 juli 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ICM INTERNATIONAL OIL COMPANY B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: ICM,
gemachtigde: mr. J. Ruijs,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 16 mei 2025,- de akte van ICM.
Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [gedaagde] niet gereageerd op de akte van ICM.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
ICM is bij voornoemd tussenvonnis in de gelegenheid gesteld gemotiveerd te stellen op welke wijze de overeenkomst met betrekking tot de tolk- en vertaalwerkzaamheden tot stand is gekomen en dat aan de wettelijke informatieplichten is voldaan, zich uit te laten over de transparantie van het prijsbeding, de toepasselijkheid van algemene voorwaarden en de (on)eerlijkheid van de bedingen die aan de vordering ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd.
Over de informatieplichten stelt ICM weliswaar dat zij heeft voldaan aan de informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW), maar gelet op de gestelde wijze van totstandkoming (telefonisch) lijkt het te gaan om een overeenkomst op afstand, waarop de informatieplichten van artikel 6:230m lid 1 en 6:230v BW van toepassing zijn. Niet kan worden vastgesteld dat aan deze informatieplichten is voldaan. Een schriftelijke bevestiging van de overeenkomst is ook niet overgelegd. Afgezien daarvan, geldt het navolgende.
Over de transparantie van het prijsbeding stelt ICM dat [gedaagde] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst is geïnformeerd over de kosten verbonden aan de dienstverlening. De prijzen staan op duidelijke en begrijpelijke wijze in de algemene voorwaarden, die telefonisch met [gedaagde] zijn doorgenomen, aldus ICM.
Ondanks dat ICM stelt dat de prijzen genoemd in de algemene voorwaarden met [gedaagde] zijn besproken, wordt geoordeeld dat deze niet transparant zijn en daarom op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 2 van Richtlijn 93/13 EG (hierna: de richtlijn) op oneerlijkheid moeten worden getoetst.
Dat het prijsbeding niet transparant is, komt doordat deze in de algemene voorwaarden zijn vermeld exclusief btw, terwijl [gedaagde] een consument is. De prijs inclusief btw is voor [gedaagde] als consument essentiële informatie (artikel 6:193e lid 1 onder c BW). Door essentiële informatie niet te vertrekken, maakt ICM zich schuldig aan een oneerlijke handelspraktijk (artikel 6:193b lid 3 onder a BW) en dat maakt de overeenkomst vernietigbaar (6:193j lid 3 BW).
Daar komt bij dat ICM uitsluitend de prijs per minuut geeft, terwijl gesteld noch gebleken is dat ICM voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst het (bij benadering) te verwachten aantal minuten dat aan de opdracht van [gedaagde] zou worden besteed en daarmee de (bij benadering te verwachten) prijs aan [gedaagde] kenbaar heeft gemaakt. Onder verwijzing naar het in het tussenvonnis genoemde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 januari 2023 (ECLI:EU:C:2023:14) stelt de prijs per minuut, exclusief btw, de consument niet in staat de economische gevolgen van het sluiten van de overeenkomst goed in te schatten.
Door geen inschatting te geven van de tijd die naar verwachting met de opdracht gemoeid zou (kunnen) zijn, heeft ICM niet alleen geen inzicht gegeven in de financiële verplichting die [gedaagde] aanging, maar heeft zij [gedaagde] ook onthouden om daarop enige controle uit te voeren. [gedaagde] zal als gemiddelde consument zelf weinig idee hebben van de werkzaamheden die moeten worden verricht ter uitvoering van de opdracht en hoeveel tijd daarmee normaliter gemoeid zou zijn. ICM heeft daar als handelaar en professional juist wel zicht op en had die uitleg en de tijd die zij waarschijnlijk aan de opdracht zou besteden aan [gedaagde] moeten verstrekken. Door vooraf een inschatting te geven verplicht ICM zichzelf voorts om rekening en verantwoording aan [gedaagde] af te leggen. Van belang is ook dat niet is gebleken dat tussentijds is gefactureerd, waardoor [gedaagde] geen zicht had op (de ontwikkeling c.q. het oplopen van) de prijs. De hoogte van de prijs per minuut en daarmee de redelijkheid van de prijzen, waaraan ICM in haar akte refereert, zijn bij de beoordeling op oneerlijkheid niet relevant, zodat die niet meewegen.
Het prijsbeding wordt op grond van het voorgaande, in lijn met het hiervoor aangehaalde arrest, als oneerlijk aangemerkt. Dat zou betekenen, gelet op artikel 6 lid 1 van de richtlijn, dat [gedaagde] niet aan het kostenbeding is gebonden en dat als gevolg daarvan de onderhavige overeenkomst niet kan blijven voortbestaan. De vraag is vervolgens of [gedaagde] hiervan uiterst nadelige gevolgen ondervindt en in zijn belangen wordt geschaad, omdat de kantonrechter in dat geval de overeenkomst moet aanvullen (zie onder andere ECLI:EU:C:2020:954).
Nu ICM haar diensten heeft verricht, heeft [gedaagde] in die zin geen belang bij voortbestaan van de overeenkomst. Wel komt [gedaagde] door het vervallen van de overeenkomst in een situatie van rechtsonzekerheid te verkeren, nu het ICM de mogelijkheid biedt om op basis van het recht op ongedaanmaking van de prestaties (artikel 6:203 lid 3 jo. 6:210 lid 2) dan wel ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 lid 1 BW) een vergoeding voor de reeds verrichte diensten te vorderen (ECLI:EU:C:2023:14, punt 62).
In die wetsartikelen is echter bepaald dat ongedaanmaking of de verplichting om schade te vergoeden alleen mogelijk is voor zover dit redelijk is. In dit geval is het niet redelijk om een vergoeding van de waarde van de prestatie in de plaats te laten treden van het ongedaan maken van de prestatie dan wel [gedaagde] tot schadevergoeding te verplichten, omdat ICM gebruik maakt van een oneerlijk prijsbeding. Als gevolg daarvan heeft [gedaagde] die waarde voordat hij de overeenkomst aanging juist niet kunnen inschatten, waardoor hij is bevrijd van zijn betalingsverplichting (ECLI:EU:C:2023:14, punt 58). Daarbij komt dat niet kan worden aanvaard dat een partij economisch voordeel haalt uit haar onrechtmatige gedrag – waaronder het hanteren van oneerlijke bedingen – noch dat zij wordt gecompenseerd voor de nadelen die door dergelijk gedrag worden veroorzaakt (ECLI:EU:C:2023:478, punt 81: het “nemo auditur propriam turpitudinem allegans” (napta) beginsel). Ten slotte zou de lange termijn doelstelling van artikel 7 lid 2 van de richtlijn – een eind maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen – in het gedrang komen wanneer ICM alsnog een vergoeding voor haar diensten zou kunnen krijgen terwijl zij in zijn overeenkomsten een oneerlijk prijsbeding hanteert.
Een eventueel in de toekomst in te stellen vordering door ICM op een andere grond dan de overeenkomst zal daarom niet slagen. Het niet voortbestaan van de overeenkomst brengt [gedaagde] dan ook niet in een zodanig onzekere situatie dat dit uiterst nadelig is voor hem, zodat aanvulling van de overeenkomst niet nodig is.
Tot slot geldt dat ICM weliswaar stelt dat zij meer dan 40 uur heeft gewerkt, maar dat dit zonder nadere specificatie ongegrond voorkomt, zodat zij dit nader dient toe te lichten.
ICM krijgt de gelegenheid zich bij akte uit te laten over het voorgaande. De zaak wordt hiervoor naar de rol verwezen.
ICM dient de akte tenminste twee weken voor de hierna te bepalen rolzitting ook aan [gedaagde] toe te sturen, met de mededeling dat [gedaagde] op die rolzitting daarop mag reageren dan wel uitstel kan vragen en hoe en wanneer [gedaagde] uiterlijk moet reageren. ICM wordt in dat kader verzocht om naast de akte ook de mededeling/brief aan [gedaagde] in het geding te brengen. Wanneer niet kan worden vastgesteld dat de akte tijdig en/of met de juiste mededeling aan [gedaagde] is toegestuurd, wordt deze in beginsel buiten beschouwing gelaten.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3. De beslissing
De kantonrechter
verwijst de zaak naar de rol van vrijdag 8 augustus 2025 om 10.00 uur voor akte uitlating door ICM,
bepaalt dat ICM de akte aan [gedaagde] moet toesturen, overeenkomstig het bepaalde in overweging 2.14,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2025.
991