RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11440985 \ CV EXPL 24-15653
Vonnis van 22 augustus 2025
in de zaak van
1. [eiser 1] , 2. [eiser 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
eisers (hierna: [eiser 1] en [eiser 2] ),
gemachtigde: mr. P. Deul,
tegen
1. [gedaagde 1] , 2. [gedaagde 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
gedaagden (hierna: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ),
gemachtigde: mr. M.R. Warner.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 13 juni 2025,- de akte van [eiser 1] en [eiser 2] met producties 13 tot en met 16,- de akte van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
In het tussenvonnis van 13 juni 2025 is kort gezegd geoordeeld dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tekort zijn geschoten in de nakoming van de koopovereenkomst en daarom gehouden zijn de schade die [eiser 1] en [eiser 2] daardoor lijden te vergoeden. [eiser 1] en [eiser 2] zijn in de gelegenheid gesteld hun schade nader te onderbouwen.
[eiser 1] en [eiser 2] stellen thans schade te hebben geleden ten bedrage van € 12.426,70. [eiser 1] en [eiser 2] hebben hun eis echter niet tot dit bedrag vermeerderd. Dit betekent dat maximaal de in dagvaarding gevorderde bedragen aan schade kunnen worden toegewezen.
In de dagvaarding worden de volgende schadeposten gevorderd: (a) € 6.100,00 voor herstelwerkzaamheden aan de vloer en leidingen en (b) € 4.499,00 voor de aanschaf van een airconditioner.
Hierna wordt per schadepost besproken of en in hoeverre deze kan worden toegewezen.
(a) de herstelwerkzaamheden aan de vloer en leidingen
[eiser 1] en [eiser 2] willen geoffreerde kosten voor herstelwerkzaamheden vergoed zien. Zij hebben bij dagvaarding een eerdere offerte van [naam eenmanszaak] (hierna: [naam eenmanszaak] ) in het geding gebracht waarin voor € 6.100,00 is geoffreerd. [eiser 1] en [eiser 2] hebben in hun nadere akte vervolgens een nieuwe offerte van 24 juni 2025 van [naam eenmanszaak] overgelegd, waarin herstelwerkzaamheden zijn geoffreerd voor € 12.426,70. De nieuwe offerte is door [naam eenmanszaak] als volgt opgebouwd:
“(…)
Omschrijving van de werkzaamheden:
Sloopwerkzaamheden (incl. container 6m3) EUR 1.600.00
Leidingen vervangen (arbeid) EUR 1.400.00
Leidingen vervangen (materialen) EUR 380.00
Herstel vloer algemene gang EUR 2.200.00
Herstel vloer binnen appartement (arbeid) EUR 400.00
Herstel vloer binnen appartement (materialen) EUR 90.00
Vloer leggen (65 m2, arbeid + plinten) EUR 1.400.00
Vloer leggen (materialen) EUR 2.800.00
Subtotaal EUR 10.270.00
BTW (21%) EUR 2.156.70
Totaal incl. btw EUR 12.426.70
(…)”
De kosten zijn nu volledig inzichtelijk en aangepast naar het huidige actuele prijspeil, aldus [eiser 1] en [eiser 2] .
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen hier tegenover dat [eiser 1] en [eiser 2] in hun akte niet hebben uitgelegd welke specifieke leidingen daadwerkelijk defect zijn, wat de exacte omvang van het herstel behoort te zijn en of alle genoemde werkzaamheden daadwerkelijk noodzakelijk zijn. Dat verweer slaagt. Het is aan [eiser 1] en [eiser 2] als eisende partijen om hun schade goed te onderbouwen en daartoe zijn zij ook in de gelegenheid gesteld. Dat hebben zij voor deze post met deze offerte zonder nadere toelichting onvoldoende gedaan. Daarom zal deze schadepost bij gebrek aan onderbouwing worden afgewezen.
Ten overvloede merkt de kantonrechter nog op dat – ook al is het door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zelf in de procedure niet opgebracht – het voor de hand ligt dat de leidingen (deels) eigendom zijn van de Vereniging van Eigenaren en dat de kosten voor het vervangen van de leidingen mogelijk voor rekening van de Vereniging van Eigenaren komen.
(b) de aanschaf van de airconditioner
[eiser 1] en [eiser 2] willen de aanschafkosten van een airconditioner vergoed zien. [eiser 1] en [eiser 2] hebben bij dagvaarding een ‘pro forma’ factuur van Bestair Technics B.V. (hierna: Bestair) van € 4.399,00 overgelegd, waaruit een aanbetaling van € 500,00 blijkt. Aan hun nadere akte hebben [eiser 1] en [eiser 2] dezelfde factuur gehecht. Ook hebben zij een bankafschrift in het geding gebracht waaruit blijkt dat zij € 2.500,00 hebben overgemaakt aan Bestair. Het resterende bedrag van € 1.399,00 hebben zij contant voldaan, aldus [eiser 1] en [eiser 2] .
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben de contante betaling van het resterende bedrag van € 1.399,00 niet betwist. De kantonrechter gaat er ook vanuit dat het hele bedrag is betaald door [eiser 1] en [eiser 2] . Het ligt immers niet voor de hand dat Bestair er genoegen mee zou nemen dat zo’n groot bedrag open zou blijven staan. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen verder dat deze kosten voor een tijdelijke oplossing disproportioneel zijn. De kantonrechter ziet de aanschaf van de airconditioner evenwel als een definitieve oplossing, nu [eiser 1] en [eiser 2] geen schade vorderen die ziet op (het installeren van) een nieuwe cv-ketel. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben niet gesteld en aangetoond dat voor een blijvende oplossing het gevorderde bedrag ook disproportioneel is. Het verweer dat [eiser 1] en [eiser 2] over zijn gegaan tot aankoop van de airconditioner zonder dat zij [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de mogelijkheid hebben geboden om het probleem zelf op te lossen, gaat ook niet op. [eiser 1] en [eiser 2] hebben op 23 april 2024 een aangetekende brief gestuurd aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] waarin zij melding hebben gemaakt van de gebreken en een termijn van zeven dagen hebben gegeven om te overleggen over een oplossing. Daar hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] nooit op gereageerd.
Dit betekent dat een bedrag van € 4.399,00 zal worden toegewezen.
Wettelijke rente
De gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 28 november 2024, de datum van dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiser 1] en [eiser 2] betalen. Deze worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
273,44
- griffierecht
€
248,00
- salaris gemachtigde
€
542,00
(2 punten × € 271,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.198,44
3. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling aan [eiser 1] en [eiser 2] van een bedrag van € 4.399,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 28 november 2024 tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proceskosten van € 1.198,44, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, rechter, bijgestaan door mr. L.M. Garritsen, griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2025.