Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
wrakingskamer
Zaaknummer: C/13/773628 HA RK 25/266
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de wrakingskamer van 31 oktober 2025 op het verzoek van
[verzoeker] , handelend onder de naam [handelsnaam], te [vestigingsplaats] , verzoeker
welk verzoek strekt tot wraking van mr. B. Brokkaar, kantonrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.
In deze uitspraak beoordeelt de wrakingskamer het op 29 juli 2025 ingediende verzoek strekkende tot wraking van de rechter.
De wrakingskamer heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:
het schriftelijk wrakingsverzoek van 29 juli 2025;
de schriftelijke reactie van de rechter op het wrakingsverzoek;
de zittingsaantekeningen van de mondelinge behandeling op 1 juli 2025;
de schriftelijke reactie van verzoeker van 23 augustus 2025, met bijlage, op de reactie van de rechter.
Het verzoek is behandeld op de openbare terechtzitting van 31 oktober 2025. De rechter is verschenen. Verzoeker is niet verschenen. Een aantal uur voorafgaand aan de zitting heeft verzoeker een aanhoudingsverzoek gedaan. Verzoeker heeft daarin aangegeven dat hij die middag een verkeersongeval heeft gehad en het daarom niet mogelijk is op de zitting aanwezig te zijn. Verzoeker heeft daarbij een foto meegezonden van een beschadigde auto.
De wrakingskamer wijst het aanhoudingsverzoek af. Daarbij is van belang dat het wrakingsverzoek inmiddels dateert van drie maanden geleden en de behandeling van het wrakingsverzoek al een keer eerder op verzoek van verzoeker is uitgesteld. Daarbij is toen aangegeven dat de zaak in beginsel niet nogmaals wordt uitgesteld. Verder is het de wrakingskamer niet gebleken dat het voor verzoeker onmogelijk is om op de zitting te verschijnen of zich te laten vertegenwoordigen. De meegestuurde foto geeft ook geen blijk van een tot verzoeker herleidbare situatie, en al zou dat anders zijn, dan volgt daaruit nog niet zonder meer dat diens afwezigheid onafwendbaar was. Bij de beslissing tot afwijzing heeft de wrakingskamer ook het belang van de eisende partij in de hoofdzaak en de voortgang van die procedure in ogenschouw genomen.
Na afloop van de behandeling ter zitting, na te hebben geschorst voor beraad, heeft de wrakingskamer mondeling uitspraak gedaan. De motivering van die beslissing vermeldt de wrakingskamer hierna onder de beoordeling.
De feiten
De wrakingskamer gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten.
Verzoeker is als gedaagde betrokken in een procedure bij deze rechtbank, afdeling Privaatrecht, team Handel. De eisende partij is [eiser] . De procedure is ingeschreven onder zaaknummer 11356008 CV EXPL 24-13138.
Op 1 juli 2025 heeft er een zitting bij de rechter plaatsgevonden waarbij verzoeker (bijgestaan door mr. K. Horstman) en [eiser] (bijgestaan door mr. A. Taheri) zijn verschenen en gehoord. De rechter heeft de mondelinge behandeling gesloten en de zaak verwezen naar de rol van 9 september 2025 voor vonnis.
Op 29 juli 2025 heeft verzoeker het wrakingsverzoek gedaan.
Het verzoek en de gronden daarvan
3. Het verzoek tot wraking is samengevat gebaseerd op de volgende gronden. De rechter heeft tijdens de mondelinge behandeling het volgende gezegd tegen verzoeker: “Nou… ik ben ook advocaat geweest, en toen deed ik het toch anders..”. De context waarin zij dit deed, op zitting, in aanwezigheid van de wederpartij, maakt het volgens verzoeker problematisch. Dit suggereerde dat zijn proceshouding of werkwijze onjuist of onvoldoende professioneel zou zijn, in vergelijking met de vroegere praktijk van de rechter als advocaat. Dit is een waardeoordeel over het optreden van verzoeker. Verzoeker ervaart hierdoor een gebrek aan vertrouwen in de objectiviteit en onafhankelijkheid van de rechter. Verzoeker is van mening dat hij het verzoek tijdig heeft gedaan.
Het standpunt van de rechter
4. De rechter heeft erop gewezen dat het verzoek tot wraking laat is gedaan. Inhoudelijk heeft zij naar voren gebracht dat de genoemde opmerking niet in de zittingsaantekeningen staat vermeld, maar dat zij zich wel kan herinneren dat zij een opmerking van die strekking heeft gemaakt. Op de zitting kwam naar voren dat verzoeker binnen vier dagen zijn voorschot had verhoogd van ongeveer € 800,00 naar ongeveer € 8.000,00 zonder dat hij daarbij aan de rechter duidelijk kon maken waarom het bedrag zo toenam en welke werkzaamheden hij daarvoor zou verrichten. Nu sprake was van een consumentenovereenkomst diende de rechter ambtshalve onderzoek te doen naar de transparantie en eerlijkheid van de prijsafspraken, vandaar de kritische vragen.
Met deze opmerking heeft de rechter zich niet willen vereenzelvigen met de eisende partij.
De ontvankelijkheid van het verzoek
De wrakingskamer dient eerst de vraag te beantwoorden of het verzoek tijdig is gedaan. Op grond van artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt het verzoek tot wraking gedaan zodra de feiten of omstandigheden, die aanleiding vormen voor het verzoek tot wraking, aan de verzoeker bekend zijn geworden.
De door verzoeker aangevoerde omstandigheden zijn aan hem bekend geworden op de zitting van 1 juli 2025. Het verzoek is eerst gedaan op 29 juli 2025. Voor het tijdsverloop van vier weken heeft verzoeker geen afdoende verklaring gegeven. Verzoeker heeft in zijn reactie van 23 augustus 2025 (nadat de rechter had opgemerkt dat het wrakingsverzoek laat is gedaan) aangegeven hij het wrakingsverzoek heeft ingediend nadat verzoeker en zijn gemachtigde het daarover eens waren. Het had voor verzoeker, die dus was voorzien van rechtsbijstand, redelijkerwijs mogelijk moeten zijn geweest om het wrakingsverzoek op of in elk geval kort na de zitting in te dienen. Dat verzoeker daar eerst overeenstemming met zijn gemachtigde over wilde hebben rechtvaardigt het tijdsverloop van vier weken niet. Het verzoek is daarom te laat ingediend en verzoeker kan dan ook niet worden ontvangen in het verzoek. De wrakingskamer komt daarom niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
BESLISSING:
De rechtbank (wrakingskamer) verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2025 door mr. P.B. Martens, voorzitter, mrs. J. Thomas en C.A.E. Wijnker, leden in aanwezigheid van mr. P. Tanis,griffier en schriftelijk vastgesteld op 7 november 2025.
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, vijfde lid, Rv, geen voorziening open.