RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer / rekestnummer: 11824914 \ EA VERZ 25-886
Beschikking van 24 oktober 2025
in de zaak van
UNIVERSTEIT LEIDEN,
gevestigd te Leiden,
verzoekende partij,
hierna te noemen: Universiteit Leiden,
gemachtigde: mr. J.P.R. Vos,
tegen
[verweerder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
procederend in persoon.
1. Verloop van de procedure
2. De feiten
[verweerder] , geboren [geboortedatum] 1985, is sinds 1 augustus 2017 in dienst bij Universiteit Leiden. De functie van [verweerder] is Medewerker Student Support Services, met een loon van € 1.641,03 bruto per maand.
Op grond van de toepasselijke cao (CAO Nederlandse Universiteiten) is de opzegtermijn drie maanden.
3. Het verzoek en het verweer
Universiteit Leiden verzoekt, in een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is:
I. de arbeidsovereenkomst tussen Universiteit Leiden en [verweerder] te ontbinden,
- primair op grond van verwijtbaar handelen in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub e Burgerlijk Wetboek (BW).
- subsidiair op grond van een verstoorde arbeidsrelatie in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub g BW;
- meer subsidiair op grond van disfunctioneren in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub d BW;
- uiterst subsidiair op grond van een combinatie van bovengenoemde redenen;
II. bij het bepalen van de ontbindingsdatum, geen rekening te houden met de opzegtermijn van [verweerder] en de arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke datum te ontbinden (primair), dan wel bij het bepalen van de ontbindingsdatum rekening te houden met de duur van de procedure (subsidiair);
III. te bepalen dat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] , waardoor hij geen recht heeft op een transitievergoeding of additionele vergoeding;
IV. te bepalen dat [verweerder] geen recht heeft op een billijke vergoeding;
V. veroordeling van [verweerder] in de proceskosten.
Bij de beoordeling wordt – voor zover van belang – inhoudelijk op het standpunt van Universiteit Leiden ingegaan.
[verweerder] heeft geen verweer gevoerd.
4. Gronden van de beslissing
Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt toegewezen. Universiteit Leiden stelt (onderbouwd) dat [verweerder] stelselmatig onbereikbaar is, hij gesprekken met zijn leidinggevende weigert, werkafspraken niet nakomt, afwezig is bij overleggen en zich geregeld op een nare manier uitlaat tegenover collega’s. Universiteit Leiden stelt dat zij [verweerder] langdurig en herhaaldelijk op zijn gedrag heeft aangesproken, maar dat verandering is uitgebleven. Ook na een nieuwe kans onder een nieuwe leidinggevende heeft [verweerder] zijn gedrag niet aangepast. [verweerder] is ook onbereikbaar voor Universiteit Leiden. [verweerder] heeft voorgaande niet bewist. De kantonrechter is van oordeel dat dit gedrag van [verweerder] kan worden aangemerkt als verwijtbaar handelen in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub e BW. Daarmee is sprake van een redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Gelet op voorgaande ligt herplaatsing van [verweerder] niet in de rede.
Van ernstig verwijtbaar handelen is de kantonrechter echter niet gebleken. Het is vaste rechtspraak dat daarvan slechts in uitzonderlijke gevallen sprake is. Het door Universiteit Leiden gestelde is onvoldoende om te voldoen aan die hoge lat. Dat betekent dat [verweerder] op grond van artikel 7:673 BW recht heeft op de wettelijke transitievergoeding. De vorderingen onder III zullen worden afgewezen.
De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden met ingang van 1 december 2025. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van de procedure, met dien verstande dat ten minste één maand resteert.
Universiteit Leiden heeft verzocht om te bepalen dat [verweerder] geen billijke vergoeding toekomt. Nu [verweerder] geen billijke vergoeding heeft verzocht, heeft Universiteit Leiden geen belang bij dit verzoek. Dit verzoek wordt daarom afgewezen.
Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [verweerder] veroordeeld in de kosten van de procedure. Deze worden aan de zijde van Universiteit Leiden tot op heden begroot op € 1.016,50,- in totaal. Dit bedrag is als volgt opgebouwd: € 135,00 aan griffierecht € 814,00 aan salaris gemachtigde € 67,50 aan nakosten + de kosten van betekening zoals in het dictum vermeld. -------- + € 1.016,50 in totaal
5. beslissing
De kantonrechter
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 december 2025;
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten, begroot op € 1.016,50 in totaal, voor zover van toepassing inclusief btw, te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe en – indien niet binnen die termijn aan de veroordeling is voldaan – te vermeerderen met de wettelijke kosten van betekening;
verklaart deze beschikking, wat betreft de veroordelingen, uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. van der Kaay, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.