RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10641869 \ CV EXPL 23-10726
Vonnis van 21 oktober 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HUURMIJ B.V.,
gevestigd te Leiden,
eisende partij,
gemachtigde: KVN Gerechtsdeurwaarders & Juristen,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 29 juli 2025,- de akte van eisende partij.
Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft gedaagde partij niet gereageerd op de akte van eisende partij.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
Bij voornoemd tussenvonnis is eisende partij opgedragen om haar stelling dat sprake is van een handelsovereenkomst en gedaagde partij dus niet als consument handelde (en daarmee ook geen consumentenbescherming toekomt) nader te onderbouwen.
Eisende partij heeft bij akte laten weten dat zij haar standpunt dat sprake is van een handelsovereenkomst handhaaft. Ter onderbouwing daarvan heeft zij een uittreksel van het handelsregister overgelegd waaruit blijkt dat gedaagde partij ten tijde van het aangaan van de leaseovereenkomst een eenmanszaak had met als activiteit onder andere ambulante jeugdzorg. Daarnaast heeft eisende partij e-mailverkeer tussen partijen overgelegd, waarin is verzocht om een screenshot van een zakelijke bankrekening om te controleren dat gedaagde partij inkomsten met zijn onderneming inkomsten genereerde.
Geoordeeld wordt dat eisende partij de gevraagde nadere onderbouwing in voldoende mate heeft gegeven. Ondanks dat uit de aard van het goed (een personenauto) niet aanstonds een bedrijfsmatig doel kan worden afgeleid, blijkt dat bedrijfsmatige doel voldoende uit overgelegde stukken. Het leasen van een auto past ook bij de toenmalige bedrijfsactiviteiten van gedaagde partij, te weten het verlenen van ambulante jeugdzorg, het ondersteunen van gehandicapten en het verlenen van welzijnswerk voor ouderen.
Nu sprake is van een handelsovereenkomst, is ambtshalve toetsing aan het consumentenrecht niet aan de orde.
De vordering komt overigens niet onrechtmatig of ongegrond voor en wordt daarom toegewezen als hierna te melden.
Gedaagde partij is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eisende partij worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
107,84
- griffierecht
€
514,00
- salaris gemachtigde
€
339,00
(1 punt × € 339,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.095,84
3. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 7.091,32, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 14% per jaar over de hoofdsom van € 6.567,30, met ingang van 19 juli 2023, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 985,10 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten van € 1.095,84, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagde partij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2025.
991