RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 9528334 \ CV EXPL 21-15806
Vonnis van 30 oktober 2025
in de zaak van
de coöperatie
COOPERATIEVE RABOBANK U.A.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Rabobank,
gemachtigde: Flanderijn & Van Eck Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen en buiten Nederland,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 augustus 2021, met producties,
- het tegen [gedaagde] verleende verstek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De beoordeling
Rabobank stelt in de dagvaarding, kort gezegd, dat zij in 2013 een lening heeft verstrekt aan [gedaagde] voor de aankoop van een onroerende zaak, zijnde de woning aan de [adres] . Op de leningsovereenkomst zijn algemene bankvoorwaarden, algemene voorwaarden voor particuliere leningen en algemene voorwaarden voor hypotheken van toepassing verklaard. Tot zekerheid voor de nakoming van de betalingsverplichting is een recht van eerste hypotheek gevestigd op de onroerende zaak. Ook is een akte van pandrecht gesloten. [gedaagde] is haar betalingsverplichtingen, ondanks sommatie daartoe, niet nagekomen, waarna Rabobank de woning heeft verkocht. De verkoopopbrengst was niet voldoende om de lening terug te betalen. Het restant wordt in deze procedure gevorderd.
De overeenkomst die centraal staat is gesloten tussen een handelaar en een consument, zodat ambtshalve moet worden getoetst aan het consumentenrecht.
In dat verband merkt Rabobank in de dagvaarding terecht op dat Titel 2A van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) niet van toepassing is als een geldlening wordt gewaarborgd door een hypotheek. De stelling over de uitzondering voor wat betreft de informatieplichten, als bedoeld in artikel 6:230h lid 2 sub b BW kan de kantonrechter niet volgen, nu de onderhavige overeenkomst is gesloten voor de inwerkingtreding van dat wetsartikel (en van de gehele afdeling 2b, Titel 5 van Boek 6 BW).
Rabobank heeft voldoende gemotiveerd gesteld en onderbouwd dat zij de kredietwaardigheid van [gedaagde] toereikend heeft getoetst aan de hand van de door [gedaagde] overgelegde stukken, die in het geding zijn gebracht.
Uit de specificatie van de restschuld (productie 7 bij dagvaarding) van € 2.051,93, welk bedrag aan hoofdsom wordt gevorderd, blijkt dat naast de lening en de overeengekomen rente, ook kosten in rekening zijn gebracht, te weten kosten voor verhaalsinfo van € 58,08 en advocatuurkosten van € 6.307,89.
De kantonrechter moet ambtshalve onderzoeken of de bedingen in de overeenkomst die aan de vordering ten grondslag liggen en waarop Rabobank een beroep doet of zou kunnen doen, niet oneerlijk zijn in de zin van Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
Voor wat betreft de lening en de rente, zijn deze bedragen gebaseerd op transparante kernbedingen, zodat verdere toetsing aan de richtlijn ingevolge artikel 4 lid 2 van de richtlijn niet aan de orde is.
Dat is anders voor (onder meer) de daarbij in rekening gebrachte kosten. Deze kosten zijn, althans kunnen worden gebaseerd op artikel 17 van de algemene voorwaarden voor hypotheken. Op grond van het beding komen, kort samengevat, alle door Rabobank gemaakte kosten voor rekening van de consument. Het beding luidt:
1. Ten laste van u komen in ieder geval:
a. alle kosten van vestiging, instandhouding en uitoefening van het hypotheekrecht, daaronder begrepen kosten van doorhaling, rangwisseling en van eventuele vernieuwing van de hypothecaire inschrijving;(…)
e. alle kosten van vestiging, instandhouding en uitoefening van door u aan de bank verleende en te verlenen pandrechten;
f. alle gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten die de bank in verband met haar hypotheek- en/of pandrechten of anderszins ter bescherming en uitoefening van haar rechten heeft gemaakt;
(…)
h. alle kosten die de bank in het kader van het beheer, de ontruiming, het onder zich nemen en/of de executie van het onderpand heeft gemaakt.
Op grond van de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger) moet de kantonrechter ook als de eisende partij zich in de procedure niet beroept op het toepasselijke beding, maar op de wet, ambtshalve onderzoeken of het beding in de voorwaarden waarop zij zich had kunnen beroepen niet oneerlijk is in de zin van de richtlijn. Indien een beding als oneerlijk wordt aangemerkt, kan ingevolge deze arresten geen aanspraak meer worden gemaakt op de wettelijke regeling die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest en moet haar vordering op dit punt worden afgewezen.
Rabobank kan met een beroep op het hiervoor geciteerde artikel alle door haar gemaakte kosten die ook maar enigszins verband houden met het effectueren van haar rechten, zonder enig maximum, onder alle omstandigheden volledig bij de consument neerleggen. Dat zorgt voor een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van partijen, ten nadele van de consument.
Dat kan leiden tot een onevenredig hoge schadevergoeding. Ook kan dat ertoe leiden, zoals ook hier het geval, dat de consument wordt geconfronteerd met kosten, die normaal gesproken niet voor rekening van de consument komen, zoals in dit geval een fors bedrag aan advocaatkosten van € 6.307,89.
Verder is het beding over de gerechtelijke kosten oneerlijk, omdat alle gerechtelijke kosten voor rekening van de consument komen (ECLI:NL:HR:2025:820).
De bedingen vervat in het hiervoor geciteerde artikel worden op grond van het voorgaande als oneerlijk aangemerkt, omdat ze zorgen voor een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van partijen, te nadele van de consument. De kantonrechter is daarom voornemens ze te vernietigen. Gevolg hiervan is dat Rabobank daar geen beroep meer op kan doen. Aangezien alleen al de van de vordering deel uitmakende advocaatkosten het gevorderde bedrag aan hoofdsom ruimschoots overstijgen, zal vernietiging leiden tot afwijzing van de vordering.
Voordat tot vernietiging wordt overgegaan, mag Rabobank zich daarover uitlaten. De zaak hiervoor naar de rol verwezen.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3. De beslissing
De kantonrechter
verwijst de zaak naar de rol van donderdag 27 november 2025 om 10.00 uur voor akte uitlating door Rabobank,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden en in het openbaar uitgesproken op
30 oktober 2025.
991