RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 9667323 \ CV EXPL 22-1848
Vonnis van 4 november 2025
in de zaak van
de coöperatie
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Rabobank,
gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders B.V.,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 28 januari 2022, met producties,
- het tegen [gedaagde] verleende verstek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De beoordeling
Rabobank vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 2.846,19 aan hoofdsom, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.
Rabobank stelt dat partijen laatstelijk op 1 juli 2019 een overeenkomst hebben gesloten voor een betaalrekening met een betaalpas, met daarbij het gebruik van een creditcard. De creditcard heeft een bestedingslimiet van maximaal € 1.000,00. Over de gebruikte bestedingslimiet was gedaagde partij geen rente verschuldigd. De creditcard is gekoppeld aan de betaalrekening. Bestedingen gedaan met de creditcard worden maandelijks afgeboekt van de betaalrekening, ook als het saldo ontoereikend is. Op de overeenkomst zijn van toepassing verklaard de Algemene Bankvoorwaarden, de Algemene voorwaarden voor betalen en online diensten van de Rabobank 2019 en het Informatieblad Depositogarantiestelsel. Rabobank heeft uitsluitend een gedeelte van de Algemene voorwaarden voor betalen en online diensten in het geding gebracht. De overige voorwaarden zijn niet overgelegd.
Volgens Rabobank is ambtshalve toetsing niet aan de orde, omdat sprake is van de uitzondering als bedoeld in artikel 7:58 lid 2 onder d van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarin is bepaald dat Titel 7:2A niet van toepassing is ingeval van een geoorloofde roodstand op een rekening die binnen een maand moet worden afgelost. Subsidiair beroept Rabobank zich op de uitzondering als bedoeld in artikel 7:58 lid 2 onder e BW, over kredietovereenkomsten waarbij het krediet binnen drie maanden moet worden terugbetaald en slechts onbetekenende kosten worden gerekend.
Vooropgesteld wordt dat Rabobank alle op de overeenkomst van toepassing verklaarde algemene voorwaarden in het geding dient te brengen, omdat beoordeeld moet worden welke rente en/of kosten verschuldigd raken bij een ongeoorloofde roodstand. Het is immers mogelijk dat een ongeoorloofde roodstand (uiteindelijk) toch moet worden aangemerkt als een kredietovereenkomst die onder het toepassingsbereik van Titel 7:2A BW valt, bijvoorbeeld als Rabobank deze langdurig laat bestaan en in de voorwaarden is bepaald dat hierover een bepaalde rente of kredietvergoeding wordt of kan worden gerekend. Dat staat blijkens de inhoudsopgave van de algemene voorwaarden in Hoofdstuk 11, maar (onder meer) dat hoofdstuk heeft eisende partij niet overgelegd. De roodstand is blijkens de brief van 3 februari 2020 op dat moment aanwezig. Opeising heeft plaatsgevonden op of na 3 april 2020. De brief van 4 mei 2020 maakt melding van de mogelijkheid tot het in rekening kunnen brengen van rente en kosten, die de het saldotekort kunnen vergroten.
Een complete set van algemene voorwaarden is ook noodzakelijk omdat de kantonrechter moet kunnen beoordelen of daarin bedingen staan die aan de vordering ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd. Op grond van de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger) moet de kantonrechter immers, ook als Rabobank zich in de procedure niet beroept op bepaalde bedingen, maar op de wet, ambtshalve onderzoeken of het beding in de voorwaarden waarop zij zich had kunnen beroepen niet oneerlijk is in de zin van de richtlijn. Indien een beding als oneerlijk wordt aangemerkt, kan ingevolge deze arresten geen aanspraak meer worden gemaakt op de wettelijke regeling die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest en moet haar vordering op dit punt worden afgewezen.
Rabobank wordt opgedragen om bij akte alle op de overeenkomst van toepassing verklaarde sets algemene voorwaarden in het geding te brengen. Daarbij moet Rabobank zich uitlaten over de bedingen die voor de onderhavige vordering van belang (kunnen) zijn, gelet op wat in overwegingen 2.4. en 2.5. is overwogen.
Rabobank dient zich in navolging van het voorgaande ook uit te laten over het exacte moment van opeising en over de vraag of en zo ja, welke rente er na opeising in rekening is gebracht.
De zaak wordt voor akte uitlating en overlegging stukken door Rabobank verwezen naar de rol.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3. De beslissing
De kantonrechter
verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 2 december 2025 om 10.00 uur voor akte uitlating en overlegging stukken door Rabobank,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2025.
991