RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11694637 \ CV EXPL 25-7013
Vonnis van 28 oktober 2025
in de zaak van
ING BANK N.V.,
te Amsterdam,
oorspronkelijk eiseres in de hoofdzaak, gedaagde in het verzet,
verweerster in het bevoegdheidsincident,
hierna te noemen: de ING Bank,
gemachtigde: mr. D.J. Posthuma,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats] (Verenigd Koninkrijk),
oorspronkelijk gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het verzet,
eiser in het bevoegdheidsincident,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. L.A.C. van Lierop.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de oorspronkelijke dagvaarding van 20 mei 2021, met producties,
- het bij verstek gewezen vonnis van de kantonrechter van deze rechtbank van 26 augustus 2022 met zaaknummer 9427456 CV EXPL 21-12855 (hierna: het verstekvonnis),
- de (verzet)dagvaarding van [gedaagde] van 30 april 2025 waarbij [gedaagde] in verzet komt tegen het verstekvonnis, tevens inhoudende een incidentele vordering tot onbevoegdverklaring, met producties,
- de conclusie van antwoord in het incident van de ING Bank, met producties en
- de nadere schriftelijke reactie van [gedaagde] .
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. De feiten voor zover van belang in het incident
Ten behoeve van zijn eenmanszaak [naam eenmanszaak] heeft [gedaagde] in mei 2010 een MKB Werkkapitaalkrediet en een MKB Investeringslening bij de ING Bank afgesloten met een kredietlimiet van in totaal € 120.000,00. In de kredietovereenkomst staat dat de Algemene Bankvoorwaarden van toepassing zijn. In artikel 33 van de Algemene Bankvoorwaarden staat dat Nederlands recht van toepassing is op de relatie tussen de bank en de cliënt. In artikel 34 lid 2 van die voorwaarden staat, voor zover hier van belang, dat geschillen tussen de cliënt en de bank uitsluitend worden voorgelegd aan de bevoegde Nederlandse rechter.
De ING Bank heeft in de dagvaarding van 20 mei 2021 gesteld dat zij uit hoofde van de kredietovereenkomst een bedrag van € 118.655,47 te vorderen heeft van [gedaagde] . De ING Bank heeft de vordering beperkt tot een bedrag van € 25.000,00. In het verstekvonnis van 26 augustus 2022 is [gedaagde] veroordeeld tot betaling van € 25.000,00, met rente, proceskosten en nakosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Op 27 januari 2025 heeft de ING Bank op grond van het verstekvonnis executoriaal beslag gelegd op de woning van [gedaagde] aan de [adres] .
3. Het geschil
In de hoofdzaak
In de oorspronkelijke dagvaarding heeft de ING Bank gevorderd (samengevat) om [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis te veroordelen tot betaling van € 25.000,00, te vermeerderen met rente en proceskosten.
In het verstekvonnis zijn deze vorderingen toegewezen.
Bij verzetdagvaarding voert [gedaagde] alsnog verweer en vordert hij primair vernietiging van het verstekvonnis en subsidiair ontheffing van de veroordeling uit het verstekvonnis, met afwijzing van de vorderingen van de ING Bank. Ook vordert [gedaagde] dat de ING Bank wordt veroordeeld tot het vergoeden van de werkelijke proceskosten van [gedaagde] , begroot op € 6.808,67.
In het incident
[gedaagde] vordert dat de kantonrechter zich onbevoegd verklaart van het geschil kennis te nemen, met veroordeling van de ING Bank in de kosten van het incident.
[gedaagde] legt hieraan ten grondslag dat op grond van artikel 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft in het geval dat de gedaagde zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft in Nederland. [gedaagde] woont niet in Nederland, maar sinds 2012 in het Verenigd Koninkrijk. De ING Bank kan zich niet beroepen op het forumkeuzebeding uit de Algemene Bankvoorwaarden, omdat dat een onredelijk bezwarend beding betreft dat vernietigbaar is. Als kleine zelfstandige kan [gedaagde] gelijk worden gesteld met een consument en komt hem op grond van de zogeheten reflexwerking bescherming toe.
De ING Bank voert verweer. De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht op grond van artikel 8 Rv gezien de forumkeuze in de Algemene Bankvoorwaarden. Ook kan de rechtsmacht worden gegrond op artikel 6 aanhef en onder a Rv. De verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt is de betaling van een geldsom. Die verbintenis moet worden uitgevoerd in Nederland (Amsterdam).
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
In dit vonnis staat centraal de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is om van het geschil tussen partijen kennis te nemen. De tijdigheid van het verzet, de (gestelde) nietigheid van de dagvaarding van de ING Bank en de vraag of de vordering van de ING Bank is verjaard, zullen niet in dit vonnis worden beoordeeld. Die onderwerpen komen zo nodig aan de orde bij de behandeling van de hoofdzaak (in het verzet).
[gedaagde] verzoekt productie 8 van de ING Bank bij de conclusie van antwoord in het incident buiten beschouwing te laten. Productie 8 is de oorspronkelijke dagvaarding met bijlagen. Volgens [gedaagde] heeft de ING Bank nagelaten de bijlagen bij die dagvaarding eerder aan [gedaagde] te verstrekken. Ook aan verzoeken van [gedaagde] om die stukken te laten zien, heeft de ING Bank niet eerder dan bij conclusie van antwoord in het incident voldaan. Daardoor is geen sprake van ‘equality of arms’ zoals gewaarborgd in artikel 6 EVRM en wordt [gedaagde] benadeeld in het voeren van verweer, aldus [gedaagde] .
In het kader van de beslissing in het incident laat de kantonrechter productie 8 niet buiten beschouwing. De stukken zijn tijdig in deze procedure ingebracht, [gedaagde] heeft daarvan kennis kunnen nemen en hij heeft daarop kunnen reageren in zijn nadere akte van 5 augustus 2025. [gedaagde] wordt daarom niet geschaad in zijn (proces)belang. Van strijd met de goede procesorde is ook geen sprake.
De kantonrechter gaat er in het kader van dit incident vanuit dat [gedaagde] in het Verenigd Koninkrijk woonde ten tijde van het uitbrengen van de oorspronkelijke dagvaarding. De internationale bevoegdheid wordt daarom beoordeeld aan de hand van de in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering neergelegde regels over de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Artikel 2 Rv bepaalt als hoofdregel dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft indien de gedaagde in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft. Dat is in dit geval niet zo. Vervolgens is het de vraag of de rechtsmacht kan worden gebaseerd op een andere bepaling uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil of rechtsmacht kan worden ontleend aan artikel 8 Rv gelet op de forumkeuze in de Algemene Bankvoorwaarden. Of partijen al dan niet een forumkeuze zijn overeengekomen, hoeft voor de vraag naar de rechtsmacht niet te worden beantwoord. Ook in het geval dat van een geldige forumkeuze geen sprake zou zijn, is namelijk de Nederlandse rechter internationaal bevoegd om kennis te nemen van het geschil. Daarvoor is het volgende van belang.
In artikel 6 aanhef en onder a Rv staat dat de Nederlandse rechter eveneens rechtsmacht heeft in zaken betreffende verbintenissen uit overeenkomst, indien de verbintenis die aan de eis of het verzoek ten grondslag ligt, in Nederland is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. [gedaagde] betwist niet (meer) dat hij in de uitoefening van zijn eenmanszaak met de ING Bank een overeenkomst is aangegaan en dat van die overeenkomst de Algemene Bankvoorwaarden deel uitmaken. Het gaat hier om een kredietovereenkomst. De ING Bank vordert op grond van die kredietovereenkomst dat [gedaagde] een geldbedrag betaalt. Op de overeenkomst tussen partijen is Nederlands recht van toepassing (artikel 33 van de Algemene Bankvoorwaarden). Dat betwist [gedaagde] niet. De betaling moet worden gedaan aan de woonplaats (vestigingsplaats) van de schuldeiser op het tijdstip van de betaling, zo volgt uit artikel 6:116 lid 1 en 6:118 van het Burgerlijk Wetboek. Dat is Amsterdam (Nederland). Dat betekent dat de verbintenis die aan de vordering van de ING Bank ten grondslag ligt, moet worden uitgevoerd in Nederland, zodat de Nederlandse rechter op grond van artikel 6 aanhef en onder a Rv rechtsmacht heeft. Op grond van artikel 109 Rv is de kantonrechter in Amsterdam relatief bevoegd. De ING Bank is namelijk gevestigd in Amsterdam.
De incidentele vordering wordt afgewezen. [gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten in het incident, begroot op € 204,00 aan salaris gemachtigde en € 67,50 aan nakosten, in totaal € 271,50. De nakosten zullen voor het overige worden toegewezen op de in de beslissing te vermelden wijze.
In de hoofdzaak
De zaak zal naar de rol worden verwezen voor beraad omtrent het bepalen van een mondelinge behandeling in de hoofdzaak.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5. De beslissing
De kantonrechter
In het incident
wijst de vordering af;
veroordeelt [gedaagde] in de kosten in het incident, tot dit vonnis begroot op € 271,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen;
verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
In de hoofdzaak
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van dinsdag 11 november 2025 voor beraad omtrent het bepalen van een mondelinge behandeling en
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T. Kruis, kantonrechter, bijgestaan door mr. C.E.P. Honing, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2025.