RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/776865 / KG ZA 25-819 VVV/EV
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 24 oktober 2025
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats] ,
eiser bij dagvaarding van 14 oktober 2025,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. B.P. den Butter,
tegen
AABO TRADING ALMERE B.V.,
te Almere,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Aabo,
advocaat: mr. R. Gijsen.
Het kort geding wordt gehouden in de rechtbank Amsterdam.
De zaak wordt behandeld door mr. T.H. van Voorst Vader, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E.P.M. Vos, griffier.
1. De procedure
Tijdens de mondelinge behandeling op 24 oktober 2025 is [eiser] verschenen met mr. den Butter. Namens Aabo was [naam] via een digitale verbinding aanwezig met mr. Gijsen. [eiser] heeft de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. Aabo heeft ter zitting een en ander toegelicht. Beide partijen hebben producties ingediend. De voorzieningenrechter heeft op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan. Daarvan is ingevolge artikel 29a lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dit proces-verbaal opgemaakt, dat op 28 oktober 2025 aan partijen wordt afgegeven.
2. De feiten
Deze rechtbank heeft op 23 juni 2010 vonnis gewezen waarbij [eiser] wordt veroordeeld hoofdelijk – naast de vennootschap Fatisa Dakwerken B.V., waarvan hij aandeelhouder en bestuurder was – aan Aabo te betalen € 144.274,36, te vermeerderen met 12% contractuele rente per jaar over € 137.260,39 tot de dag der algehele voldoening. Zijn aansprakelijkheid was gebaseerd op een borgstelling uit september 2008. De in executoriale vorm uitgegeven grosse van dit vonnis is op 21 september 2010 aan [eiser] in persoon betekend.
Aabo heeft op basis van het voornoemde vonnis beslag gelegd op een woning van [eiser] in Turkije. In verband met de tenuitvoerlegging van het vonnis zijn gedurende ongeveer vijftien jaar diverse procedures gevoerd tot in hoogste instantie, die Aabo uiteindelijk heeft gewonnen. Er loopt nu een procedure over de geldigheid van een taxatie van de woning in Turkije. Na afloop van die procedure zou de executoriale verkoop van de woning van [eiser] in Turkije kunnen plaatsvinden.
[eiser] heeft op 15 september 2025 een dagvaarding tot herroeping tegen het vonnis van 23 juni 2010 uitgebracht. Hij stelt dat de grondslag van het vonnis – de authenticiteit van de borgtocht – door nieuwe feiten ernstig wordt ondermijnd. Zo zou er een tweede, gemanipuleerde versie van de borgtocht zijn ontdekt en is de handtekening van [eiser] niet door hemzelf, maar door zijn broer gezet. De herroeping wordt gebaseerd op bedrog en de valsheid van de borgtocht.
In dat verband vordert [eiser] in dit kort geding – kort gezegd – schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van deze rechtbank van 23 juni 2010 totdat in de lopende herroepingsprocedure onherroepelijk is beslist en Aabo te verbieden de tenuitvoerlegging voort te zetten of nieuwe executiemaatregelen te treffen, op straffe van een dwangsom. Tenuitvoerlegging van het vonnis nu zou misbruik van executiebevoegdheid zijn, aldus [eiser] .
3. De beoordeling
In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een vonnis slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Daarbij moet ook gelet worden op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.
Op basis van dit criterium komt de vordering niet voor toewijzing in aanmerking.
Onvoldoende naar voren is gebracht waarom de eventuele executie van de woning nu, ongeveer vijftien jaar na de eerste beslaglegging daarop, tot een noodtoestand zou leiden. [eiser] woont ook in Nederland, zodat het kennelijk om een tweede woning gaat. Ter zitting verklaarde [eiser] dat de woning door zijn kinderen gebruikt wordt die aldaar studeren en dat hij hen daar bezoekt. [eiser] heeft gedurende de afgelopen vijftien jaar alle middelen aangewend om de tenuitvoerlegging in Turkije te voorkomen. Hij heeft er dus al even lang rekening mee moeten houden dat hij daarin uiteindelijk niet zou slagen. Dat er nu ineens een noodtoestand zou zijn voor de daar studerende kinderen is niet onderbouwd.
Daarbij komt dat niet klaarblijkelijk aannemelijk is dat de vordering tot herroeping van het vonnis zal slagen. [eiser] voert aan dat hij pas recent op de hoogte is geraakt van het bestaan van een ondertekend exemplaar van de borgtocht dat qua ondertekening afwijkt van andere exemplaren. Daaruit leidt hij af dat de verklaring vals zou zijn. Daarnaast wijst hij op een berichtuitwisseling met zijn broer, waarin de broer zou hebben geschreven dat hij de borgtocht namens [eiser] heeft ondertekend. Dit zou betekenen dat voldaan wordt aan de grondslag voor herroeping dat er sprake is van bedrog door de wederpartij of dat het vonnis berust op stukken waarvan de valsheid na het vonnis is erkend of vastgesteld.
Aabo voert aan dat het heel goed mogelijk is dat er meerdere exemplaren van de borgtocht zijn, namelijk ten minste de twee die Aabo bij de ondertekening zelf heeft behouden en een kopie die de ondertekenaars hebben meegenomen. Aabo voert tevens aan dat de ondertekening van de borgtochten door de beide broers heeft plaatsgevonden op het kantoor van Aabo, in aanwezigheid van medewerkers die daarover (schriftelijk) verklaard hebben en dat de beide heren daarbij hun identiteitsbewijs hebben laten kopiëren en dat die kopieën bij de door Aabo behouden exemplaren bewaard zijn. De tekst in het bericht waarop [eiser] zijn stelling baseert dat zijn broer de borgtocht heeft getekend is tekstueel eerder uit te leggen als een verklaring die gaat over een met deze borgtocht vergelijkbare aansprakelijkstelling jegens ABN AMRO. Daarnaast zou die bewering van de broer het tegenovergestelde inhouden van wat deze op de zitting in 2010 verklaarde, namelijk dat zijn broer, [eiser] dus, de beide borgtochten (ook die voor hem, de broer) heeft getekend.
Met Aabo is de voorzieningenrechter van mening dat het bestaan van meerdere exemplaren van de borgtocht geen aanwijzing inhoudt dat deze vals is. De verklaring van de broer is te onduidelijk en te zeer in strijd met wat deze zelf eerder verklaarde om enigszins overtuigend te zijn. Van erkenning of het vaststaan van de valsheid lijkt vooralsnog geen sprake. Bedrog aan de zijde van Aabo is ook niet onderbouwd, anders dan dat wellicht de broer een valse handtekening zou hebben geplaatst. Waarom dat door Aabo onrechtmatig zou zijn, is de voorzieningenrechter niet duidelijk. Tegenover de verklaring van de medewerkers van Aabo over de ondertekening op dat kantoor staat niet meer dan een blote ontkenning door [eiser] . Bovendien, indien [eiser] de overtuiging heeft dat hij de borgtocht niet heeft ondertekend, had het op zijn weg gelegen dat al veel eerder naar voren te brengen en niet pas nadat al zijn andere verweermiddelen tegen de executie in Turkije zijn uitgeput.
Dit betekent dat onvoldoende is aangevoerd om tot de conclusie te kunnen komen dat er sprake is van misbruik van recht door Aabo. De vorderingen zullen derhalve worden afgewezen.
[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden veroordeeld. De proceskosten van Aabo worden begroot op:
- griffierecht
€
714,00
- salaris advocaat
€
1.107,00
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.999,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4. De beslissing
De voorzieningenrechter
weigert de gevraagde voorzieningen,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van Aabo van € 1.999,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. T.H. van Voorst Vader, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier, mr. E.P.M. Vos.
Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt.