RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 november 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/5803
(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ),
en
(gemachtigde: mr. H. Kras).
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit op de aanvraag van verzoekster om een persoonsgebonden budget (Pgb) op grond van de Jeugdwet. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken van een spoedeisend belang om een voorziening te treffen. Verder is niet gebleken dat het besluit evident onrechtmatig is. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop en totstandkoming
Verweerder verleent sinds 2018 een Pgb ten behoeve van de zorg voor [naam] , de vijftienjarige zoon van verzoekster. [naam] zijn problematiek omvat problemen met emotieregulatie, zelfmutilatie, eetstoornis in combinatie met zijn gecombineerde ASS en ADHD stoornis en sensorische informatieverwerkingsstoornis. Het Pgb ziet op de ambulante jeugdhulp in de vorm van niet-professionele inzet door het netwerk voor 42 uur per week (a € 20,- per uur) en loopt af op 30 juni 2025. Verzoekster is de Pbg-beheerder en tevens de zorgverlener.
Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor voortzetting van het Pgb na 30 juni 2025. Verweerder heeft op 17 juli 2025 het besluit genomen om vanaf 1 januari 2026 geen Pgb meer toe te kennen. Verweerder heeft kortgezegd overwogen dat er een specialistisch oordeel nodig is en dat verzoekster daar geen medewerking aan heeft verleend. Verder wordt gesteld dat het gezin in staat is de zorg die [naam] nodig heeft te leveren zonder dat sprake is van overbelasting. Om de ambulante jeugdhulp in de vorm van niet-professionele inzet door het netwerk gefaseerd af te bouwen wordt door verweerder uit coulance nog een Pgb toegekend voor zes maanden. Vanaf 1 september ontvangt verzoekster nog 21 uren per week en per 1 november 2025 nog 10 uren per week. Met ingang van 1 januari 2026 is er geen Pgb meer.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van verzoekster, de gemachtigde van verweerder en [de persoon] namens het Ouder- en Kindteam (OKT).
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang?
Voor de beoordeling is van belang dat de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening treft als “onverwijlde spoed” dat vereist. De vraag naar het spoedeisend belang dient eerst te worden beantwoord voordat aan de inhoudelijke beantwoording van de vraag of het bezwaar tegen de besluitvorming redelijke kans van slagen heeft, en zo ja, of in redelijkheid niet van verzoekster verwacht kan worden die procedure verder af te wachten zonder dat een voorlopige voorziening wordt getroffen.
Verzoekster heeft in dat kader aangevoerd dat zij spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening omdat per 1 september 2025 het Pgb wordt afgebouwd. Haar spaargeld is niet langer toereikend, zodat zij genoodzaakt is betaalde arbeid te gaan verrichten. De vraag is dan wie er voor [naam] gaat zorgen. De huisarts adviseert om de huidige vorm van begeleiding door verzoekster in stand te houden. Op de zitting is namens verzoekster – zonder onderbouwing – nog naar voren gebracht dat het weggevallen Pgb de helft van het gezinsinkomen betreft en dat hierdoor ook de huur niet kan worden betaald en dat de woning moet worden verlaten.
Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is niet snel sprake van een spoedeisend belang. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt. Er zal dan geen voorlopige voorziening getroffen worden.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval niet is gebleken dat een onomkeerbare situatie dreigt door acute financiële nood. De enkele stelling dat het spaargeld niet langer toereikend is en dat de woning moet worden verlaten, is daarvoor onvoldoende. Er zijn geen stukken overgelegd waaruit inzicht kan worden verkregen in de financiële situatie van verzoekster. Verweerder heeft hier voorafgaand aan de zitting ook nog om gevraagd, maar daar is geen reactie op gekomen. Voor zover nog is aangevoerd dat verzoekster bij het wegvallen van het Pgb gedwongen wordt te gaan werken en er niemand voor [naam] kan zorgen, geldt dat ook dit niet is onderbouwd.
Evidente onrechtmatigheid?
Omdat de voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft, kan zij de voorziening alleen nog treffen als het besluit van verweerder evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat het voor de voorzieningenrechter overduidelijk is dat het standpunt van verweerder niet juist is. De voorzieningenrechter moet dit kunnen vaststellen zonder grondig onderzoek te doen naar de relevante feiten en/of wettelijke bepalingen van de zaak.
Verzoekster en verweerder verschillen onder meer van mening over de vraag of verzoekster voldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek door het OKT ter vaststelling van de omvang van de hulpvraag. Kort voor de zitting heeft verzoekster stukken opgestuurd waaruit blijkt dat zij op haar initiatief door de huisarts is verwezen naar Levvel voor diagnostiek. Uit een rapport van 30 oktober 2025 volgt dat Levvel in de afrondende fase is van het diagnostiektraject en dat het onderzoek nog niet compleet is. Op de zitting is namens verweerder naar voren gebracht dat verweerder niet alleen diagnostiek nodig vindt, maar ook onderzoek wil laten doen naar onder meer de sociale vaardigheden van [naam] . Op de zitting is gesproken over een praktische oplossing om het onderzoek van verweerder te completeren. Op instigatie van de gemachtigde van verzoekster is afgesproken dat Levvel het Perspectiefplan als uitgangspunt kan nemen om verder onderzoek te doen, waarbij verweerder aanvullende vragen zal stellen. Verweerder kan de uitkomsten van het onderzoek door Levvel vervolgens bij de heroverweging betrekken, nog daargelaten de discussie of het nadere onderzoek via het ‘gebiedsknooppunt’ had moeten worden ingezet.
Bij deze stand van zaken is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit geschil zich niet leent voor het geven van een voorlopig rechtmatigheidsoordeel.
Conclusie
5. Al het hiervoor vermelde leidt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat bij deze stand van zaken geen aanleiding bestaat tot het treffen van een voorlopige voorziening.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: