ECLI:NL:RBAMS:2025:8818

ECLI:NL:RBAMS:2025:8818, Rechtbank Amsterdam, 08-10-2025, C/13/771390 / FA RK 25-4740 C/13/776833/FA RK 25-7730

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 08-10-2025
Datum publicatie 31-12-2025
Zaaknummer C/13/771390 / FA RK 25-4740 C/13/776833/FA RK 25-7730
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Gezag na overlijden moeder. Ene kind voogdij naar JBRA, andere kind ouderlijk gezag bij vader

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

Zaak- en / rekestnummers:

C/13/771390 / FA RK 25-4740 (AL/NN)

C/13/776833 / FA RK 25-7730 (AL/NN)

Beschikking van 8 oktober 2025 betreffende wijziging van het gezag en vaststelling hoofdverblijf

In de zaak met zaak- en rekestnummer C/13/771390 / FA RK 25-4740 van:

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

advocaat mr. M.B. Chylinska te Zaandam,

met als belanghebbenden:

de Raad voor de Kinderbescherming regio Noord-Holland, locatie [locatie] , gevestigd te Den Haag, hierna te noemen de Raad,

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI.

En in de zaak met zaak- en rekestnummer C/13/776833 / FA RK 25-7730 van:

de Raad voor de Kinderbescherming regio Noord-Holland, locatie [locatie] , gevestigd te Den Haag, hierna te noemen de Raad,

met als belanghebbenden:

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI,

[de vader] , voornoemd.

1. De procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

het verzoek van de vader, ingekomen op 19 juni 2025;

het rapport van de Raad van 25 augustus 2025, ingekomen op 8 oktober 2025;

het verzoekschrift van de Raad, zoals mondeling ter zitting van 8 oktober 2025 gedaan en schriftelijk ingekomen op 9 oktober 2025.

De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2025.

Tijdens deze behandeling zijn verschenen:

de vader en zijn advocaat;

een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1] ;

twee vertegenwoordigers van de GI, [naam 2] en [naam 3] .

Tijdens de mondelinge behandeling is bekend geworden dat de Raad onderzoek gedaan heeft naar de definitieve voorziening in het gezag van de minderjarigen en een verzoekschrift hiertoe bij de rechtbank Noord-Holland, locatie [locatie] ingediend heeft. De vertegenwoordiger van de Raad heeft het verzoek ter zitting mondeling bij deze rechtbank aangebracht en nader toegelicht. Gelet op de onderlinge samenhang heeft de rechtbank besloten om beide verzoeken gezamenlijk te behandelen.

De rechtbank heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. Zij hebben direct voorafgaand aan de mondelinge behandeling hierover een gesprek gevoerd met de rechter. Tijdens de zitting heeft de rechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2. De feiten

Op [overlijdensdatum] 2025 is overleden:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

die van rechtswege alleen het gezag uitoefende over de minderjarigen:

[minderjarige 1], hierna te noemen [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 2008;

[minderjarige 2], hierna te noemen [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 2] 2010;

hierna tezamen te noemen de kinderen.

De kinderen zijn erkend door de vader.

[minderjarige 1] woont in een gezinshuis in [woonplaats 1] en [minderjarige 2] woont bij zijn vader in [woonplaats 2] .

Bij beschikking van 17 juni 2025 van de rechtbank Noord-Holland, locatie [locatie] is de GI belast met de voorlopige voogdij over de kinderen.

3. De verzoeken

In de zaak met zaak- en rekestnummer C/13/771390 / FA RK 25-4740

De vader verzoekt de rechtbank om bij beschikking:

de vader te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] ;

de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bij de vader te bepalen;

dan wel beslissingen te nemen in goede justitie;

de beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Het verzoek is als volgt onderbouwd. De moeder is op [overlijdensdatum] 2025 overleden. De moeder oefende tot haar overlijden alleen het gezag uit over de kinderen. [minderjarige 2] verblijft sinds het overlijden van zijn moeder bij de vader en wordt door hem verzorgd en opgevoed. Zoals ook in andere gezinnen gaat dat met ups en downs. Het is wennen, maar het gaat overall goed. [minderjarige 1] verblijft in een gezinshuis. De vader vindt dat hij als vader zijnde het zijn plicht is om ook het gezag over [minderjarige 1] te vragen. Maar hij kan zich er ook in vinden als de voogdij over [minderjarige 1] bij de GI komt te liggen. Zeker als dit de wens van [minderjarige 1] is en daarnaast wordt zij in maart aanstaande meerderjarig.

Ondanks toezeggingen dat de GI een rol zou spelen in het contactherstel tussen de vader en [minderjarige 1] is dit niet gebeurd. Gelukkig is het contact nu wel weer hersteld omdat [minderjarige 1] en de vader zelf toenadering hebben gezocht en gevonden. Hij zou graag zien dat ook het contact tussen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hersteld wordt. Verder wil de vader nog kwijt dat hij niet boos op de GI is, wel is hij soms geïrriteerd omdat de GI moeilijk bereikbaar is, beloftes niet nagekomen worden en de GI soms afspraken willen maken op tijden of termijnen die voor hem niet haalbaar zijn.

In de zaak met zaak- en rekestnummer C/13/776833 / FA RK 25-7730

De Raad verzoekt de rechtbank om uitvoerbaar bij voorraad:

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming regio Amsterdam, gevestigd te Amsterdam, tot voogd te benoemen over [minderjarige 1] , en

de vader te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] .

De Raad heeft het verzoek als volgt onderbouwd. De Raad is wat [minderjarige 1] betreft van mening dat de voogdij bij de GI moet blijven totdat zij meerderjarig is. [minderjarige 1] woont momenteel op een groep, wat ook met zich meebrengt dat er belangrijke praktische zaken geregeld moeten worden. Wanneer de vader het gezag over [minderjarige 1] zou hebben, zou dit het zowel praktisch als emotioneel lastiger maken. Praktisch doordat de vader moeilijk bereikbaar is en er het contact tussen [minderjarige 1] en de vader wel hersteld is, maar nog pril. Emotioneel doordat er eerder veel angst, onbegrip en stress zat bij [minderjarige 1] jegens haar vader. Het is in het belang van [minderjarige 1] dat zij in alle rust beslissingen kan nemen wat betreft het verdere contactherstel met haar vader, zonder dat zij hiertoe gedwongen wordt doordat hij beslissingen over haar moet nemen. Daarbij merkt de Raad op dat er, mede door de voorlopige voogdij, rust is ontstaan bij [minderjarige 1] , wat haar gezondheid heeft bevorderd.

Wat betreft [minderjarige 2] is de Raad van mening dat de vader het gezag over hem kan krijgen. De Raad houdt hierbij rekening met de voorkeurspositie van de vader en dat [minderjarige 2] bij zijn vader woont en zelf ook wil dat zijn vader gezag over hem krijgt. Daarnaast krijgt de Raad geen concrete signalen waardoor de indruk ontstaat dat de vader het gezag over [minderjarige 2] niet kan uitoefenen. Dat de samenwerking tussen vader en de GI niet soepel verloopt is een belemmering, maar dat maakt nog niet dat de vader het gezag niet zou kunnen uitoefenen. Daarbij komt dat het alternatief, namelijk de voogdij beleggen bij de GI, niet beter is. Tijdens de voorlopige voogdij is namelijk niet gebleken dat het voor [minderjarige 2] van meerwaarde is geweest. Wel is het van belang dat er meer zicht komt op [minderjarige 2] en wat hij nodig heeft, hier kan de hulpverlening mogelijk iets in betekenen.

Van belang is verder dat het contact tussen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hersteld wordt. De GI kan hierin een rol spelen waarbij goed gekeken moet worden wanneer de kinderen hier klaar voor zijn gelet op de rouwverwerking.

4. De standpunten van de kinderen en de GI

[minderjarige 1] heeft aangegeven dat zij graag wil dat de GI met de voogdij over haar belast blijft. Ze woont niet bij haar vader, maar in een gezinshuis. Dit voelt goed voor haar. Tussen [minderjarige 1] en haar vader is er weer contact, maar dat verloopt nog moeizaam.

[minderjarige 2] woont bij zijn vader en hij vindt het niet meer dan logisch dat zijn vader met het gezag over hem belast wordt.

De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat zij in de veronderstelling zijn dat de voorlopige voogdij voor drie maanden afgesproken is en dat deze derhalve tot 17 september jl. liep. Nadien heeft de GI dan ook geen bemoeienis meer gehad. Via een leerplichtzaak is de GI eerder betrokken geraakt bij [minderjarige 2] . Hij heeft Toezicht & Begeleiding opgelegd gekregen, de betrokken jeugdreclasseerder is echter in augustus jl. uitgevallen. Dat verklaart dat er de laatste tijd geen contact geweest is.

5. De beoordeling

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 1:241 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) vervalt de maatregel van de voorlopige voogdij na verloop van drie maanden, tenzij voor het einde van deze termijn om een (meer definitieve) voorziening in het gezag over het kind is verzocht.

Nu op 19 juni 2025 bij de rechtbank Amsterdam (verzoek vader) en op 26 augustus 2025 bij de rechtbank Noord-Holland (verzoek Raad) verzoeken binnengekomen zijn om in een definitieve voorziening in het gezag over de kinderen te voorzien, is de voorlopige voogdij van rechtswege verlengd tot er bij onherroepelijke beslissing definitief in het gezag over de kinderen is voorzien.

Op grond van artikel 1:253g van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt de rechtbank, indien de ouder met eenhoofdig gezag is overleden, dat de overlevende ouder of een derde met het gezag over de minderjarige(n) wordt belast. Het verzoek om de overlevende ouder met het gezag te belasten wordt slechts afgewezen indien het belang van de minderjarige(n) zich tegen inwilliging verzet.

Inhoudelijke beoordeling met betrekking tot het gezag

Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zowel de vader, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als de Raad en de GI zich kunnen vinden om de vader met het gezag over [minderjarige 2] te belasten en de GI met de voogdij over [minderjarige 1] te belasten. Het komt de rechtbank voor dat deze uitkomst niet strijdig is met de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De kinderen zijn er namelijk bij gebaat dat de voor hen benodigde gezagsbeslissingen genomen worden door de mensen die het dichtst bij hen betrokken zijn. Voor [minderjarige 2] is dat de vader en voor [minderjarige 1] is dat de GI. De rechtbank zal daarom dienovereenkomstig beslissen.

Inhoudelijke beoordeling met betrekking tot de hoofdverblijfplaats

Nu de vader bij deze beschikking belast wordt met het (eenhoofdig) gezag over [minderjarige 2] , is een beslissing over de hoofdverblijfplaats niet meer aan de orde. Immers, op grond van artikel 1:12 BW volgt een minderjarige woonplaats van degene die het gezag over hem uitoefent. De rechtbank wijst het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats dan ook bij gebrek aan belang af. Nu [minderjarige 1] niet bij de vader woont en de vader niet belast wordt met het gezag over haar, is de rechtbank van oordeel dat het niet in het belang van [minderjarige 1] is dat haar hoofdverblijf bij de vader vastgesteld wordt. De rechtbank zal dan ook het verzoek van de vader tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij hem afwijzen.

Tot slot wil de rechtbank nog het volgende benadrukken. Gebleken is dat de onderlinge verhoudingen tussen zowel de vader en [minderjarige 1] als tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet optimaal zijn en aandacht nodig hebben. De rechtbank vertrouwt erop dat de GI daar waar nodig en wenselijk, hulpverlening inzet om de onderlinge verhoudingen te bevorderen.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

6. De beslissing

De rechtbank:

In de zaak met zaak- en rekestnummer: C/13/771390 / FA RK 25-4740

wijst het verzoek van de vader inzake de hoofdverblijfplaats van de kinderen af;

In de zaken met zaak- en rekestnummers: C/13/771390 / FA RK 25-4740 en C/13/776833 / FA RK 25-7730

belast de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam, gevestigd te Amsterdam met de uitoefening van het gezag over:

- [minderjarige 1],geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 2008;

voor zover de bevoegdheid daartoe niet door een eerdere rechterlijke beslissing is uitgesloten;

belast de vader met de uitoefening van het gezag over:

- [minderjarige 2],geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 2] 2010;

voor zover de bevoegdheid daartoe niet door een eerdere rechterlijke beslissing is uitgesloten;

vraagt de griffier om van deze beslissing een aantekening te maken in het gezagsregister;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2025 door de rechter mr. A. van Luijck, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. N. Nauta, griffier, en op schrift gesteld op 13 oktober 2025.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. N. Nauta

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?