ECLI:NL:RBAMS:2025:8830

ECLI:NL:RBAMS:2025:8830, Rechtbank Amsterdam, 30-10-2025, 11806649 \ EA VERZ 25-825

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 30-10-2025
Datum publicatie 31-12-2025
Zaaknummer 11806649 \ EA VERZ 25-825
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Mondelinge uitspraak. Ontbinding arbeidsovereenkomst o.g.v. verwijtbaar handelen. Werknemer heeft onvoldoende inspanningen verricht om aan haar re-integratieverplichtingen te voldoen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht

Kantonrechter

Zaaknummer: 11806649 \ EA VERZ 25-825

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 30 oktober 2025

in de zaak van

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

te Den Haag,

verzoekende partij,

hierna te noemen: De Staat,

gemachtigde: O&P Rijk | Advocaten Arbeidsrecht,

tegen

[gedaagde] ,

te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

gemachtigde: FNV Amsterdam.

De zitting wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Amsterdam.

De zaak wordt behandeld door mr. J.H.J. Evers, kantonrechter, bijgestaan door mr. S.M.P. Mulder als griffier.

Aanwezig zijn:

- [naam 1] (directeur Arbeidsinspectie), [naam 2] (hoofd vakgroep Arbeidsinspectie), [naam 3] (woordvoerder Arbeidsinspectie) en [naam 4] (HR business partner) namens de Staat,

- mr. I.M. Schouten namens de gemachtigde van de Staat,

- [gedaagde] ,

- mr. C.M.J. Moerkens namens de gemachtigde van [gedaagde] .

Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de kantonrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.

1. De beoordeling

[gedaagde] was met ingang van 1 oktober 2019 werkzaam voor de Staat, laatstelijk in de functie van medewerker toezicht/inspecteur. Op 15 januari 2024 heeft [gedaagde] zich ziek gemeld. Bij brieven van 24 oktober 2024 en 22 januari 2025 heeft de Staat [gedaagde] gemaand tot nakoming van de voor haar geldende re-integratieverplichtingen, in het bijzonder het bezoeken van de bedrijfsarts. Bij brief van 25 februari 2025 heeft de Staat de loonbetaling aan [gedaagde] per 24 februari 2025 opgeschort, omdat [gedaagde] niet aan de voor haar geldende re-integratieverplichtingen heeft voldaan. Volgens het deskundigenoordeel van de arbeidsdeskundige van 12 juni 2025 is [gedaagde] zonder geldige reden niet verschenen op consulten bij de bedrijfsarts op 24 februari 2025, op 17 maart 2025 en op 31 maart 2025 en is daarmee sprake van een tekortkoming in de re-integratie-inspanningen van [gedaagde] . De arbeidsdeskundige stelt tevens vast dat [gedaagde] niet is verschenen op een aantal andere afspraken met de bedrijfsarts.

De Staat verzoekt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [gedaagde] . Aan dit verzoek heeft de Staat in de eerste plaats ten grondslag gelegd dat sprake is van verwijtbaar handelen door [gedaagde] (de e-grond). De onderbouwing daarvan is dat de re-integratie-inspanningen van [gedaagde] onvoldoende zijn. De wetgever heeft dat erkend als een invulling van verwijtbaar handelen en stelt daaraan voorwaarden in artikel 7:671b lid 5 sub b Burgerlijk Wetboek (BW). De werkgever moet de werknemer wel hebben gewaarschuwd. In dit geval is er door de Staat twee keer gewaarschuwd, namelijk bij brieven van 24 oktober 2024 en 22 januari 2025. Dus aan de waarschuwingsplicht is door de Staat voldaan. Verder moet de loonbetaling zijn gestaakt als mindere sanctie. Ook dat is gebeurd. De wetgever zegt ook nog dat een verklaring van een arbeidsdeskundige voldoende kan zijn als een waarschuwing en een loonopschorting ontbreken. In dit geval zijn er zowel twee waarschuwingen, een loonopschorting en een deskundigenoordeel van een arbeidsdeskundige. Uit het deskundigenoordeel volgt dat [gedaagde] op drie consulten bij de bedrijfsarts zonder geldige reden niet is verschenen. Dat is volgens de bedrijfsarts een tekortkoming in de re-integratieverplichtingen van [gedaagde] . Anders dan de bedrijfsarts is de kantonrechter van oordeel dat van [gedaagde] ook mag worden verwacht dat zij op een roostervrije dag naar een consult bij de bedrijfsarts gaat. Van haar mag enige flexibiliteit worden verwacht. Misschien kan daar soms een uitzondering op worden gemaakt, maar een roostervrije dag en het wel of niet hebben van kinderopvang is in beginsel geen reden om niet naar een consult bij de bedrijfsarts te gaan. De kantonrechter is van oordeel dat meer dan de door de arbeidsdeskundige vastgestelde afspraken ten onrechte zijn gemist door [gedaagde] . Met de arbeidsdeskundige is de kantonrechter in ieder geval van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende inspanningen heeft verricht om aan haar re-integratieverplichtingen te voldoen.

[gedaagde] stelt dat er een afspraak is gemaakt dat zij niet aan haar re-integratieverplichtingen hoeft te voldoen omdat de Staat de loonbetaling heeft opgeschort. Volgens [gedaagde] is afgesproken dat de loonbetaling zou worden hervat zodra zou blijken dat de oproep voor het consult bij de bedrijfsarts op 24 februari 2025 haar niet heeft bereikt. Door de Staat wordt betwist dat een dergelijke afspraak is gemaakt en [gedaagde] heeft vervolgens niet onderbouwd dat die afspraak is gemaakt. Overigens blijkt ook niet dat de oproep voor 24 februari 2025 haar niet heeft bereikt.

[gedaagde] heeft in het verweerschrift verwezen naar een uitspraak van de Hoge Raad van 17 april 2020 (ECLI:NL:HR:2020:723). Hieruit volgt – kort gezegd - dat re-integratieverplichtingen van de werknemer kunnen worden opgeschort indien de werkgever zijn loonbetalingsverplichting niet nakomt. De feiten in die uitspraak wijken af van de feiten in deze zaak. In deze zaak vloeit de loonopschorting voort uit het niet voldoen van de re-integratieverplichtingen van [gedaagde] , hetgeen de werkgever niet is te verwijten. Daarmee is sprake van verwijtbaar handelen of nalaten van [gedaagde] , zodanig dat van de Staat in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

Herplaatsing ligt niet in de rede en behoeft niet te worden onderzocht bij een ontbinding vanwege verwijtbaar handelen.

De kantonrechter zal het verzoek om ontbinding daarom toewijzen en de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 9 sub a BW ontbinden met ingang van 1 december 2025. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure, met een minimum van een maand.

Nu de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, zal de door [gedaagde] verzochte transitievergoeding op grond van artikel 7:673 BW worden toegekend.

De verzoeken van [gedaagde] worden afgewezen. Voor zover een verklaring voor recht kan worden gegeven in een verzoekschriftprocedure, ziet de kantonrechter daarvoor geen aanleiding. De waarschuwingen zijn terecht gegeven, omdat [gedaagde] een aantal keren niet naar een consult bij de bedrijfsarts is gegaan.

Het verzoek om betaling van het achterstallige loon/ziekengeld wordt afgewezen, omdat de loonopschorting was bedoeld als prikkel aan [gedaagde] om te voldoen aan haar re-integratieverplichtingen. [gedaagde] is nooit meer naar de bedrijfsarts geweest.

Op grond van artikel 7:671b lid 9 sub c BW is voor toekenning van een billijke vergoeding alleen plaats indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Daarvan is geen sprake. De Staat heeft hiervoor onvoldoende gesteld en onderbouwd.

Bij deze uitkomst van de procedure worden de proceskosten gecompenseerd in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

2. De beslissing

De kantonrechter

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 december 2025,

veroordeelt de Staat tot betaling aan [gedaagde] van € 12.907,45 bruto aan transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 1 januari 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. J.H.J. Evers en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl AR-Updates.nl 2026-0008 VAAN-AR-Updates.nl 2026-0008
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?