ECLI:NL:RBAMS:2025:8955

ECLI:NL:RBAMS:2025:8955, Rechtbank Amsterdam, 19-02-2025, C/13/762228 / KG ZA 25-5

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 19-02-2025
Datum publicatie 11-12-2025
Zaaknummer C/13/762228 / KG ZA 25-5
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005289

Samenvatting

kort geding, gevorderd voorschot schadevergoeding beperkt toegewezen

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/762228 / KG ZA 25-5 IHJK/JT

Vonnis in kort geding van 19 februari 2025

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HUMAKO HOLDING B.V.,

gevestigd te Rijsenhout,

eiseres bij dagvaarding van 23 januari 2025,

advocaat mr. M. Bitter te Haarlem,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. C.C.M. Rijken te Utrecht.

Partijen zullen hierna Humako en [gedaagde] worden genoemd.

1. De procedure

Tijdens de mondelinge behandeling op 4 februari 2025 heeft Humako de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding en akte eiswijziging toegelicht. [gedaagde] heeft verweer gevoerd, mede aan de hand van een op voorhand ingediende conclusie van antwoord. Beide partijen hebben producties ingediend en Humako tevens een pleitnota.

Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:

- aan de kant van Humako: [naam 1] ( [naam functie 1] ) en [naam 2] ( [naam functie 2] ) met mr. Bitter;

- aan de kant van [gedaagde] : [naam 3] ( [naam functie 3] ) en [naam 4] ( [naam functie 4] ) met mr. Rijken.

Vonnis is aanvankelijk bepaald op 18 februari 2025. Op die dag is aan partijen bericht dat het vonnis een dag later, op 19 februari 2025 zal worden gewezen.

2. De feiten

Humako is een onderneming die zich richt op teelt van eenjarige gewassen, voornamelijk kamerplanten. Zij beschikt over bedrijfsgebouwen en kassen. Zowel met het oog op de teelt als om de bedrijfsgebouwen warm te stoken, heeft zij de beschikking over een zogeheten warmte kracht koppeling (hierna: WKK) die stroom produceert waarbij warmte vrijkomt. De stroom gebruikt zij zowel zelf, onder meer ten behoeven van de belichting van de teelt, alsook om deze (terug) te leveren aan het net om daarmee haar kosten te beperken.

Humako heeft in 2021 (in aanvulling op een reeds aanwezige WKK) een WKK besteld bij A/B Services B.V. (hierna: AB) voor een prijs van € 99.466,80 exclusief btw.

[gedaagde] is een onderneming die onder meer gespecialiseerd is in de installatie van machines in de tuinbouwtechniek. Humako heeft [gedaagde] verzocht om de gaszijdige aansluiting van de WKK aan te sluiten. In dat kader heeft [gedaagde] op 25 mei 2021 een offerte aan Humako gezonden, welke vervolgens door Humako is geaccordeerd. In die offerte staat een prijsopgave van € 7.689,00 en staat verder voor zover hier van belang het volgende:

4.4. Verzekering Voor alle met ons afgesloten opdrachten hebben wij een doorlopende CAR (Constructie All risks) verzekering. Hier geldt een eigen risico van EUR 2500 per gebeurtenis. Om dit eigen risico te verzekeren, adviseren wij u dit risico tijdig aan uw verzekeraar door te geven. (…) 4.9. Algemene voorwaarden Op al onze leveringen en werkzaamheden zijn de Metaalunievoorwaarden van toepassing die bijgevoegd zijn. Als Metaalunievoorwaarden niet overeenkomen met de offertetekst dan prevaleert de offertetekst.”

De bij de offerte gevoegde Metaalunievoorwaarden van 1 januari 2019 luiden voor zover hier van belang als volgt:

Artikel 13: Aansprakelijkheid 13.1. In geval van een toerekenbare tekortkoming is opdrachtnemer gehouden zijn contractuele verplichtingen, met inachtneming van artikel 14, alsnog na te komen. 13.2. De verplichting van opdrachtnemer tot het vergoeden van schade op grond van welke grondslag ook, is beperkt tot die schade waartegen opdrachtnemer uit hoofde van een door of ten behoeve van hem gesloten verzekering is verzekerd. De omvang van deze verplichting is echter nooit groter dan het bedrag dat in het betreffende geval onder deze verzekering wordt uitbetaald. 13.3. Als opdrachtnemer om welke reden dan ook geen beroep toekomt op lid 2 van dit artikel, is de verplichting tot het vergoeden van schade beperkt tot maximaal 15% van de totale opdrachtsom (exclusief btw). Als de overeenkomst bestaat uit onderdelen of deelleveringen, is deze verplichting beperkt tot maximaal 15% (exclusief btw) van de opdrachtsom van dat onderdeel of die deellevering. In geval van duurovereenkomsten is de verplichting tot het vergoeden van schade beperkt tot maximaal 15% (exclusief btw) van de verschuldigde op drachtsom over de laatste twaalf maanden voorafgaand aan de schadeveroorzakende gebeurtenis. 13.4. Niet voor vergoeding in aanmerking komen: a. gevolgschade. Onder gevolgschade wordt onder meer verstaan stagnatieschade, productieverlies, gederfde winst, boetes, transportkosten en reis- en verblijfkosten; b. opzichtschade. Onder opzichtschade wordt onder andere verstaan schade die door of tijdens de uitvoering van het werk wordt toegebracht aan zaken waaraan wordt gewerkt of aan zaken die zich bevinden in de nabijheid van de plaats waar wordt gewerkt; c. schade veroorzaakt door opzet of bewuste roekeloosheid van hulppersonen of niet leidinggevende ondergeschikten van opdrachtnemer. Opdrachtgever kan zich indien mogelijk tegen deze schades verzekeren. 13.5. Opdrachtnemer is niet gehouden tot het vergoeden van schade aan door of namens opdrachtgever aangeleverd materiaal als gevolg van een niet deugdelijk uitgevoerde bewerking. 13.6. Opdrachtgever vrijwaart opdrachtnemer voor alle aanspraken van derden wegens productaansprakelijkheid als gevolg van een gebrek in een product dat door opdrachtgever aan een derde is geleverd en waarvan de door opdrachtnemer geleverde producten of materialen onderdeel uit maken. Opdrachtgever is gehouden alle voor opdrachtnemer in dit verband geleden schade waaronder de (volledige) kosten van verweer te vergoeden. (…) Artikel 15: Klachtplicht 15.1. Opdrachtgever kan op een gebrek in de prestatie geen beroep meer doen, als hij hierover niet binnen veertien dagen nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken, schriftelijk bij opdrachtnemer heeft geklaagd. 15.2. Opdrachtgever moet klachten over de factuur, op straffe van verval van alle rechten, binnen de betalingstermijn schriftelijk bij opdrachtnemer hebben ingediend. Als de betalingstermijn langer is dan dertig dagen, moet opdrachtgever uiterlijk binnen dertig dagen na factuurdatum schriftelijk hebben geklaagd. (…) Artikel 17: Betaling (…) 17.4. Het recht van opdrachtgever om zijn vorderingen op opdrachtnemer te verrekenen of om de nakoming van zijn verplichtingen op te schorten is uitgesloten, tenzij er sprake is van surseance van betaling of faillissement van opdracht nemer of de wettelijke schuldsanering op opdrachtnemer van toepassing is.”

In het najaar van 2021 heeft AB de WKK geïnstalleerd en heeft Humako de gaszijdige aansluiting van de WKK aangesloten. De WKK is op 1 december 2021 opgeleverd.

Vervolgens hebben zich in de periode van 9 december 2021 tot en met 27 december 2023 een achttal storingen voorgedaan waardoor de WKK een groot aantal dagen niet kon worden gebruikt. Bij die storingen heeft Humako telkens AB langs laten komen voor (herstel)werkzaamheden.

Bij de storing op 27 december 2023 bleek dat de motor van de WKK wederom defect was en is door AB vastgesteld dat er drie cilinders met de zuigers ernstig beschadigd waren. Toen na revisie van de cilinders en zuigers de motor op 2 januari 2024 weer in bedrijf werd gesteld werd een gaslucht waargenomen en bleek een drukregelaar defect. In verband met de vervanging daarvan werd een stuk gasbuis – van de oorspronkelijk door AB geleverde machine waarop destijds een zogeheten ‘fijnfilterpot’ was gemonteerd – losgenomen. Na het openen van de gasstraat en het losmaken van de gasbuis werden er in de gasstraat metaalsplinters, bramen en spaanders aangetroffen en bleek dat de fijnfilterpot ontbrak. AB heeft vervolgens Humako verzocht om het bedrijf te benaderen dat zich had bezig gehouden met de gaszijdige aansluitingen ( [gedaagde] ) om tekst en uitleg te geven.

Humako heeft vervolgens op 3 januari 2024 [gedaagde] benaderd. Diezelfde dag is [gedaagde] (in de persoon van [naam 3] ) bij Humako langsgegaan alsmede op 5 januari 2024 toen ook AB aanwezig was en expertisebureau CED Nederland B.V. (hierna: CED) de WKK heeft geïnspecteerd. Daar werd (ook) door [gedaagde] geconstateerd dat een fijnfilterpot in de installatie ontbrak. Humako en AB hebben op dat moment aan [gedaagde] meegedeeld dat door één van de monteurs van [gedaagde] een fijnfilterpot uit de installatie is weggenomen en op een andere plaats vóór de tussengasmeter is geplaatst, hetgeen niet had mogen gebeuren en schade tot gevolg heeft gehad.

Op 10 januari 2024 is de WKK wederom hersteld en is een fijnfilterpot aan het begin van de gasstraat geplaatst waar deze ontbrak.

Bij e-mail van 24 januari 2024 heeft Stichting Achmea Rechtsbijstand (namens Humako) [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de schade aan de motor van de WKK.

Op 12 maart 2024 heeft CED in opdracht van (de door Humako ingeschakelde) Stichting Achmea Rechtsbijstand en naar aanleiding van het bezoek aan Humako op 5 januari 2024 waarbij de WKK door CED is geïnspecteerd, een expertiserapport opgesteld. Daarin staat voor zover hier van belang het volgende:

“(…)

BEVINDINGEN (…) Op 5 januari 2024 bleek echter dat de motor eind december 2023 wederom defect was geraakt en dat nu drie cilinders met zuigers ernstige zogenaamde vreetschade hebben opgelopen.

(…) dat bij deze schade grove metaalslijpsel is aangetroffen in het gassysteem dat mogelijk een verband kan hebben met het ontstaan van de motorschade(s). TOEDRACHT EN OMSTANDIGHEDEN (…) De WKK is op 1 december 2021 geplaatst en opgeleverd. Al na een week (180 draaiuren), we spreken dan over 9 december 2021 ontstaat een storing /schade waardoor de installatie pas weer op 22 december 2021 in gebruik kon worden genomen.

Dan treden er regelmatig storingen /schades op en wel de volgende data: 1- 13 januari 2022 met ingebruikneming op 18 januari 2022

2- 14 februari 2022 met ingebruikneming op 15 februari 2022

3- 13 oktober 2022 met ingebruikneming op 29 november 2022

4- 29 november 2022 met ingebruikneming op 13 december 2022

5- 16 maart 2023 met ingebruikneming op 30 maart 2023 (motorschade inwendig)

6- 24 augustus 2023 met ingebruikneming op 14 september (opnieuw motorschade)

7- 27 december 2023 ernstige motorschade met ingebruikneming 10 januari 2024. Behalve deze hierboven genoemde grote storingen is de installatie na aflevering in december 2021 regelmatig stil gevallen door storingen die middels een reset konden worden verholpen.

In totaal heeft de installatie tot eind 2023 gedurende 100 dagen niet kunnen functioneren waardoor er niet alleen dure warmte moest worden ingekocht, maar ook de oogst van 150.000 planten moest worden weggegooid. (…) SCHADE-OORZAAK EN CONCLUSIE

Naar aanleiding van ons technisch onderzoek alsmede de toedracht zijn wij van mening dat de zogenaamde vreters in de motor veroorzaakt zijn door metaalslijpsel / splinters dat via het inlaatkanaal vanuit de gasleiding de motor konden binnen treden. Deze mening wordt nog eens versterkt door het feit dat bij de tussentijdse olie analyses geen oorzaak vanuit de motor zelf werden vastgesteld. Dat metaalslijpsel in een verbrandingsruimte met bewegende delen voor ernstige schade zal leiden, zal u duidelijk zijn.

De metaalsplinters en slijpsel dat wij aantroffen in het gaskleppenhuis maar ook verder in de gasleiding vanaf de tussengasmeter tonen aan dat de gasfitter, die de filterpot heeft verplaatst voor de tussengasmeter, waarbij diverse schroefdraad moet worden gesneden in de stalen buis om deze op lengte te krijgen, onrein en onzorgvuldig heeft gehandeld. Grove splinters afkomstig van het schroefdraad snijden troffen wij in het gassysteem aan. Omdat het gas dat voor brandstof dient in deze motor na de tussengasmeter niet meer werd gefilterd en er veel slijpsel was achtergebleven, kon op diverse momenten slijpsel worden meegevoerd. Omdat het gas slechts een overdruk heeft van ongeveer 50 millibar is het naar onze mening ook verklaarbaar dat er steeds slechts een beetje slijpsel werd aangevoerd maar wel met ernstige gevolgen.

Omdat het gassysteem niet bij regulier onderhoud wordt gedemonteerd om inwendig te beoordelen, kon het gebeuren dat deze motor, in ieder geval deze keer maar vrijwel zeker ook vorige keren, door achtergebleven metaalslijpsel defect is geraakt.

Conclusie

Wij zien causaliteit tussen het aantreffen van metaalslijpsel in het gassysteem en het ontstaan van ernstige motorschade. Dit impliceert direct causaliteit tussen de onreine werkzaamheden door de gasfitter en het ontstaan van de motorschade(s). (…)”

Nadien is gecorrespondeerd tussen partijen (via hun verzekeraars en advocaten).

Bij brief van 3 december 2024 heeft Stichting Achmea Rechtsbijstand namens Humako gesteld dat de Metaalunievoorwaarden niet van toepassing zijn en heeft zij, voor zover deze wel van toepassing zouden zijn, gesteld dat de exoneraties zoals opgenomen in artikel 13 van die voorwaarden onredelijk bezwarend zijn en heeft zij dat artikel buitengerechtelijk vernietigd.

In haar rapport van 5 december 2024 heeft de in opdracht van (de door Humako ingeschakelde) Stichting Achmea Rechtsbijstand schade-expert EMN voor zover hier van belang het volgende over de omvang van de schade van Humako geschreven en opgenomen:

“Op 20 september 2024 ontvingen wij van verzekerde een onderbouwd schadeoverzicht, welke wij hebben besproken, bestudeerd en waar nodig aangepast.

Voor wat betreft de extra kosten met betrekking tot het duurdere inkopen van gas en de gemiste opbrengsten in verband met het niet kunnen terug leveren van energie bepaalden wij de schade op basis van vergelijking met perioden waarin geen sprake was van uitval.

De schade aan het plantmateriaal werd bepaald op basis van beschikbare en gerealiseerde omzetcijfers van de veiling op de relevante schadedata.

De overige schade werd bepaald op basis van beschikbare facturen. De werkzaamheden in eigen beheer werden gewaardeerd op basis kostprijs uurloon van de betrokken medewerker .

Ook de eigen uren van verzekerde werden gewaardeerd op een marktconform uurloon.” (…) “Bovenstaande is weergegeven in onderstaand overzicht.”

Bij brief van 11 december 2024 heeft Stichting Achmea Rechtsbijstand namens Humako het rapport van EMN aan [gedaagde] gestuurd, vergezeld met facturen van de door CED en EMN uitgevoerde expertises ter hoogte van in totaal € 6.493,92. Daarbij is [gedaagde] gesommeerd om de aansprakelijkheid voor de schade te erkennen en een voorschot op de schadevergoeding ter hoogte van € 300.000,00 over te maken, alsmede het bedrag van € 6.493,92.

Bij e-mail van 6 januari 2025 heeft de advocaat van Humako [gedaagde] gesommeerd om een voorschot op de schadevergoeding ter hoogte van € 450.000,00 te voldoen. Daaraan is door [gedaagde] geen gevolg gegeven, hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot dit kort geding.

3. Het geschil

Humako vordert – na wijziging van eis – om bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:I. [gedaagde] te veroordelen aan Humako te betalen een bedrag van € 450.000,00 onder de bepaling dat [gedaagde] kan volstaan met betaling van € 428.737,19, op de bankrekening van Humako dan wel door deze aan te wijzen bankrekening, voor zover [gedaagde] zich in

dat geval beroept op betaling van Humako, boven het vermelde bedrag van € 428.747,19, van een bedrag van € 9.994,56 via verrekening en zich daarenboven beroept op de haar door Humako geboden mogelijkheid, bij wijze van nakoming van de gevraagde veroordeling, een bedrag van € 11.268,26 te voldoen door dat uitsluitend aan Crea-Tech International B.V. te betalen en wel ter delging van de schuld tot dat bedrag van Humako aan Crea-Tech als in het voorgaande bedoeld, zulks, het gevraagde bedrag ad € 450.000,-- aldus, als voorschot op de schadevergoeding als bedoeld en

toegelicht in de dagvaarding, althans ander in goede justitie te bepalen bedrag, eveneens onder de bepaling dat [gedaagde] met betaling van dat bedrag, doch verminderd met in totaal € 21.262,81, aan Humako via betaling op de bankrekening, voldaan heeft aan de veroordeling, voor zover [gedaagde] een beroep doet op verrekening respectievelijk op de geboden mogelijkheid van betaling aan en t.b.v. Crea-Tech in de zin als hiervóór en voorts € 6.493,92 aan expertisekosten, vermeerderd met over elk van beide bedragen als hiervóór genoemd, de wettelijke (handels)rente vanaf 14 december 2024, althans vanaf 3 januari 2025 tot en met de dag der algehele voldoening;

II. [gedaagde] te veroordelen om op eerste verzoek van Humako alles te doen wat nodig is teneinde de ATW te herstellen, zodanig dat de goede werking ervan gedurende een redelijke periode verzekerd is, tenminste 24 maanden na herstel, zulks op straffe

van een dwangsom van € 1.500,00 per dag of gedeelte daarvan zolang [gedaagde] niet voldoet aan deze veroordeling, een en ander onder de bepaling dat Humako de kosten die [gedaagde] voor de verlangde werkzaamheden inclusief materialen in rekening zal brengen aan Humako, voor zover geaccordeerd door Humako, mag betalen via verrekening met hetgeen Humako te vorderen heeft van [gedaagde] ;

III. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente.

Humako stelt daartoe – kort gezegd – het volgende. [gedaagde] is aansprakelijk voor de schade die Humako heeft geleden, als gevolg van het verplaatsen van de fijnfilterpot en het niet schoon werken, zodat zij die schade dient te vergoeden. De Metaalunievoorwaarden zijn niet van toepassing, althans kunnen [gedaagde] niet baten, aldus Humako.

[gedaagde] voert daartegen – kort gezegd – het volgende verweer. Onduidelijk is of een werknemer van [gedaagde] de fijnfilterpot heeft verwijderd en zo ja, op wiens instructie dat is gedaan. Er is nog een flink aantal vragen dat beantwoord moet worden voordat kan worden vastgesteld wie tot vergoeding van schade zou moeten over gaan en welke schade dan zou moeten worden vergoed. Daarvoor moeten de betrokken werknemers van AB en [gedaagde] in een bodemprocedure worden gehoord. Dat [gedaagde] is tekortgeschoten staat op dit moment onvoldoende vast. Humako heeft niet voldaan aan de in artikel 15.1 van de van toepassing zijnde Metaalunievoorwaarden opgenomen klachtplicht. [gedaagde] betwist de hoogte van de door Humako gestelde schade en het causaal verband. Het grootste deel van de door Humako gestelde schade is gevolgschade, terwijl die schade op grond van artikel 13.4 sub a Metaalunievoorwaarden niet voor vergoeding in aanmerking komt, aldus [gedaagde] .

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4. De beoordeling

De gevorderde voorziening strekt tot betaling van een geldsom. Voor toewijzing van een dergelijke vordering is in kort geding slechts plaats, als het bestaan en de omvang van de vordering voldoende aannemelijk zijn en uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is. Bij de afweging van de belangen van partijen wordt mede betrokken het risico dat niet kan worden terugbetaald, in het geval de veroordeling in kort geding geen stand houdt.

Vooropgesteld wordt dat partijen het erover eens zijn dat het ontbreken van de fijnfilterpot op de daarvoor bestemde plaats schade heeft veroorzaakt in de motor van de WKK.

Anders dan [gedaagde] meent is, gelet op de in het geding gebrachte stukken en hetgeen partijen over en weer naar voren hebben gebracht, voldoende aannemelijk dat (een werknemer van) [gedaagde] de fijnfilterpot van de daarvoor bestemde plaats heeft verwijderd. Niet aannemelijk is dat die werknemer dat heeft gedaan op instructie van AB. Humako heeft [gedaagde] immers ingeschakeld voor het gasfit-/aansluitwerk en rechtstreeks met [gedaagde] gecontracteerd; van onderaanneming was geen sprake. AB heeft slechts het apparaat geleverd en is zelf niet in staat het installatiewerk uit te voeren. Daarnaast is voldoende aannemelijk dat (een werknemer van) [gedaagde] het ertoe heeft geleid dat er deeltjes (o.a. slijpsel) in de motor terecht zijn gekomen door niet ‘schoon’ te werken. Het expertiserapport van CED is daar duidelijk over. Al met al is voldoende aannemelijk dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die is ontstaan door het ontbreken van de fijnfilterpot.

Anders dan Humako meent is voldoende aannemelijk dat de Metaalunievoorwaarden van toepassing zijn. Humako is met die voorwaarden kennelijk akkoord gedaan bij acceptatie van de offerte van [gedaagde] . Dat de buitengerechtelijke vernietiging van artikel 13.4 sub a (exoneratie voor gevolgschade) zal standhouden in een bodemprocedure heeft Humako niet aannemelijk gemaakt. Voorshands is er ook geen reden om ervan uit te gaan dat een beroep op die voorwaarden in strijd zou zijn met de goede trouw of onaanvaardbaar zou zijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.

[gedaagde] wordt niet gevolgd in haar standpunt dat Humako te laat zou hebben geklaagd en daarmee niet aan haar klachtplicht zou hebben voldaan. Voldoende aannemelijk is dat voor Humako niet eerder dan op 2 januari 2024 (zie 2.7) duidelijk was wat er nu precies aan de hand was. Op die datum zijn er immers metaalsplinters, bramen en spaanders aangetroffen en bleek dat de fijnfilterpot ontbrak. Vervolgens is ( [naam 3] van) [gedaagde] op verzoek van Humako op 3 (en 5) januari bij Humako langsgekomen om tekst en uitleg te geven met betrekking tot de ontdekte oorzaak van de schade. Humako heeft dan ook op tijd (binnen veertien dagen na ontdekking van het gebrek) geklaagd. Het is niet onlogisch dat Humako zich voor 2 januari 2024 altijd heeft gewend tot AB, nu AB de leverancier van de WKK is en het in beginsel niet voor de hand lag dat de oorzaak van het probleem bij [gedaagde] zou liggen. Humako had de oorzaak van het gebrek dan ook redelijkerwijs niet eerder hoeven ontdekken. Voor zover [gedaagde] zich beroept op het schriftelijkheidsvereiste van artikel 15.1 van de Metaalunievoorwaarden kan haar dat niet baten. Er is op verzoek van Humako direct iemand ( [naam 3] ) van [gedaagde] langsgekomen. [gedaagde] kan zich er dan in redelijkheid niet op beroepen dat Humako haar klacht alsnog op schrift had moeten stellen. De bedoeling van het schriftelijkheidsvereiste is immers dat voor de opdrachtnemer duidelijk is dat de opdrachtgever een klacht heeft. Dat was hier op 5 januari 2024 reeds overduidelijk, nu toen reeds door Humako is meegedeeld dat de medewerker van [gedaagde] de fijnfilterpot niet had mogen verwijderen en dat dit schade tot gevolg heeft gehad. [gedaagde] was bovendien aanwezig bij de inspectie door CED op 5 januari 2024.

Dan resteert de vraag welk schadebedrag door [gedaagde] dient te worden vergoed. Er ligt thans een rapport van EMN (zie 2.14) waarin het schadebedrag is begroot op een bedrag van € 574.310,69. [gedaagde] heeft aangevoerd dat het grootste deel van de door Humako en EMN gestelde posten (onder meer de extra gaskosten, de gemiste inkomsten elektra en de afgevoerde planten) gevolgschade betreft en dat die schade op grond van artikel 13.4 sub a Metaalunievoorwaarden niet voor vergoeding in aanmerking komt. Daarnaast heeft [gedaagde] aangevoerd dat uit de diverse door Humako overgelegde overzichten en facturen niet blijkt waarom deze kosten voor rekening van [gedaagde] zouden moeten komen en zien bepaalde facturen volgens [gedaagde] op een andere kwestie.

De vraag welke schadeposten kwalificeren als gevolgschade kan in dit kort geding niet ten gronde worden beantwoord. Voorshands is in ieder geval wel voldoende aannemelijk dat de posten extra kosten gas ad € 133.620,00 en gemiste kosten elektra ad € 86.347,00 geen gevolgschade maar directe schade betreffen. Door het buiten werking geweest zijn van de WKK heeft Humako immers meer gebruik moeten maken van haar oude gasinstallatie (wat minder efficiënt en duurder is) en heeft zij geen elektra aan het net kunnen (terug)leveren, terwijl zij de nieuwe WKK nu juist had aangeschaft om op een meer efficiënte manier met energie om te gaan en kosten te besparen. Dat de overige kostenposten zoals die met betrekking tot de afgevoerde planten en de arbeidsuren directe schade betreffen is in dit kort geding onvoldoende aannemelijk geworden.

Al met al zal de voor vergoeding in aanmerking komende schade voorshands schattenderwijs (en naar beneden afgerond) worden begroot op € 200.000,00.

Gelet op het voorgaande is het bestaan en de omvang van de vordering zoals weergegeven onder 3.1 sub I (waaronder de gevorderde vergoeding van expertisekosten) voldoende aannemelijk tot een bedrag van € 200.000,00. Gezien haar financieel nijpende situatie en het aandringen van haar huisbankier op het inlossen van een flinke roodstand op haar rekening-courant, heeft Humako een voldoende spoedeisend belang bij toewijzing van dat bedrag.

Van een restitutierisico lijkt voorshands geen sprake te zijn. Humako stelt weliswaar dat het water haar momenteel aan de lippen staat en zij thans een liquiditeitsprobleem heeft, maar een solvabiliteitsprobleem lijkt zij niet te hebben. Zij heeft onbetwist aangevoerd dat zij over voldoende onroerend goed beschikt waarop [gedaagde] zich zo nodig kan verhalen, in het geval dat zij in een andere procedure alsnog in het gelijk zal worden gesteld.

De vordering zoals weergegeven onder 3.1 sub II zal worden afgewezen. Deze vordering is onvoldoende met stukken onderbouwd. Bovendien heeft [gedaagde] een beroep op opschorting gedaan in verband met door Humako onbetaald gelaten facturen. Humako heeft aangeboden dat [gedaagde] deze facturen kan verrekenen met de aan haar te vergoeden schade. Het is aan partijen om hier in goed overleg onderling uit te komen. 4.12. Het bedrag tot voldoening waarvan [gedaagde] zal worden veroordeeld, geldt als voorschot op en ter nadere verrekening met hetgeen zij ten gronde zal blijken verschuldigd te zijn.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Humako worden begroot op:

- dagvaarding € 122,35

- griffierecht 6.861,00

- salaris advocaat 1.107,00

- nakosten 178,00

Totaal € 8.268,35.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

veroordeelt [gedaagde] om aan Humako te betalen een bedrag van € 200.000,00 (zegge: tweehonderdduizend euro), vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over dat bedrag met ingang van 14 december 2024 tot aan de dag van volledige voldoening,

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Humako tot op heden begroot op € 8.268,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 en de kosten van betekening indien dit vonnis moet worden betekend,

veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.H.J. Konings, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. J.E. Tiddens, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2025.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J.E. Tiddens

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?