RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11803958 \ CV EXPL 25-9890
Vonnis van 14 november 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Q-PARK OPERATIONS NETHERLANDS B.V.,
gevestigd te Maastricht,
eisende partij,
gemachtigde: mr. C.F.P.M. Spreksel,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.
1. De procedure
Bij dagvaarding van 17 juli 2025, met producties, heeft eisende partij een vordering ingesteld tegen de gedaagde partij.
Gedaagde partij heeft geen uitstel verzocht en evenmin geantwoord, zodat tegen gedaagde partij verstek is verleend. Daarna is een datum voor vonnis bepaald.
2. De beoordeling
Eisende partij vordert dat gedaagde partij wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 18,00 aan verschuldigd parkeergeld, € 382,41 aan schadevergoeding en € 60,06 aan buitengerechtelijke kosten, alles te vermeerderen met wettelijke rente, met veroordeling van gedaagde partij in de proceskosten. Volgens eisende partij is tussen partijen een (parkeer)overeenkomst tot stand gekomen. Met het voertuig waarvan het kenteken op naam van gedaagde partij staat, is op 25 april 2025 treintje gereden en daarmee is in strijd gehandeld met de overeenkomst en de algemene voorwaarden. Gedaagde partij is op grond van artikel 5.5 van de algemene voorwaarden schadevergoeding en parkeergeld verschuldigd.
Volgens eisende partij is het parkeergeld berekend aan de hand van het parkeertarief per uur in de betreffende parkeergarage, uitgaande van het tijdstip waarop het voertuig is binnen gereden en het tijdstip van de gedraging. De schadevergoeding is gebaseerd op de schade die eisende partij lijdt wanneer parkeerders treintje rijden, onder andere vanwege omzetderving, gemaakte kosten, uitgevoerde werkzaamheden, gedane en toekomstige investeringen en het inschakelen van derden. In veel gevallen is ook schade toegebracht aan de slagboom, aldus eisende partij.
De overeenkomst waarop eisende partij zich beroept, is gesloten met een consument. In dat geval moet de kantonrechter ambtshalve onderzoeken of eisende partij de informatieplichten ten tijde van het sluiten van de overeenkomst heeft nageleefd.
De overeenkomst is tot stand is gekomen binnen de verkoopruimte. Eisende partij heeft voldoende onderbouwd gesteld dat zij voldaan heeft aan de informatieplichten die zij heeft op grond van artikel 6:230l BW.
De kantonrechter moet ook uit eigen beweging beoordelen of de bedingen in de overeenkomst en de algemene voorwaarden oneerlijk zijn in de zin van Richtlijn 93/13/EEG (de richtlijn oneerlijke bedingen, hierna: de richtlijn). Bij die beoordeling gaat het erom of een beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort (artikel 3 lid 1 van de richtlijn). Daarbij moet onder meer rekening worden gehouden met alle andere bedingen van die overeenkomst.
In artikelen 5.5, 6.6, 7.5 en 8.1 van de in deze zaak overgelegde versie van de algemene voorwaarden (versie 02.2025) zijn bepalingen opgenomen over de door de consument te vergoeden schade:
‘5. Gebruikersvoorschriften (…)
Het met een Motorvoertuig of enig onder voertuig verlaten van de Parkeerfaciliteit zonder gebruikmaking van een geldig door Q-Park geaccepteerd Parkeerbewijs (bijvoorbeeld door langs de slagboom te rijden of door middel van het zogenoemde “treintje rijden”, waarbij de Klant direct achter zijn voorganger onder de slagboom doorrijdt,) is onder geen beding toegestaan. Indien Q-Park gebruik van de Parkeerfaciliteit in strijd met het bepaalde in dit artikel constateert, is de Klant het voor de betreffende Parkeerfaciliteit vastgestelde tarief “verloren kaart” (zoals vermeld bij de inrit van de Parkeerfaciliteit) verschuldigd, alsmede een bedrag aan aanvullende schadevergoeding ad € 382,41 (prijspeil 2025).
(…)
6. Parkeergeld en betaling
(…)
Kortparkeren
(…)
In geval van verlies of ontbreken van het Parkeerbewijs is de Parkeerder het door Q-Park voor de betreffende Parkeerfaciliteit vastgestelde tarief “verloren kaart” (zoals vermeld bij de inrit van de Parkeerfaciliteit) verschuldigd. De Parkeerder dient dit bedrag vóór het verlaten van de Parkeerfaciliteit te voldoen. Indien de Klant achteraf door middel van de klachtenprocedure aan kan tonen wat de daadwerkelijke parkeertijd was, zal eventuele restitutie op basis daarvan plaats vinden. De bewijslast met betrekking tot de daadwerkelijke parkeertijd berust bij de Klant.
(…)
7. Aansprakelijkheid
(…)
De Klant is aansprakelijk voor alle schade die door hem is veroorzaakt aan de Parkeerfaciliteit of de daarbij behorende apparatuur en installaties.’
Op grond van artikel 5.5 kan eisende partij het tarief verloren kaart en een schadevergoeding vorderen. Uit de tekst van het beding volgt dat deze vergoedingen zien op verschillende schadeposten, zodat dit beding niet tot dubbele vergoedingen zal leiden. Gelet op de gemotiveerde onderbouwing van eisende partij van de hoogte van de schadevergoeding wordt deze als niet oneerlijk beoordeeld.
Artikel 6.6 gaat ook over het tarief verloren kaart, maar gelet op de formulering leidt dit niet tot cumulatie met artikel 5.5. Artikel 7.5 gaat over schade veroorzaakt aan de parkeerfaciliteit, wat gelet op de definitie van artikel 1 doelt op (materiële) schade aan de parkeergarage of het parkeerterrein en niet op schade van eisende partij. Daarmee ziet dit artikel op andere schadeposten dan waarop artikel 5.5 ziet, zodat dit niet tot dubbele vergoedingen zal leiden.
De kantonrechter beoordeelt de hierboven geciteerde bedingen dan ook als niet oneerlijk.
Uitgangspunt is dat de vordering in verstek wordt toegewezen, tenzij deze de kantonrechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt. De gevorderde schadevergoeding komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat het bedrag van € 382,41 toewijsbaar is.
Eisende partij vordert verder het verschuldigde parkeergeld ad € 18,00, waarbij zij stelt dat dit bedrag berekend is aan de hand van het parkeertarief per uur in de betreffende parkeergarage. Uit de overgelegde stukken blijkt echter dat het maximale dagtarief voor de parkeergarage lager ligt dan het bedrag dat eisende partij vordert. Daarmee komt dit deel van de vordering de kantonrechter ongegrond voor en wordt deze afgewezen.
Eisende partij vordert buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Omdat gedaagde partij een consument is, moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Eisende partij heeft aan gedaagde een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De gevorderde vergoeding is hoger dan het tarief dat volgens het Besluit past bij de toe te wijzen hoofdsom. Dat is het gevolg van een omstandigheid die zich na het versturen van de aanmaning heeft voorgedaan. De kantonrechter zal de gevorderde vergoeding daarom toewijzen tot het wettelijke tarief dat aansluit bij de toe te wijzen hoofdsom. Daarom zal een bedrag van € 57,36 worden toegewezen.
Omdat gedaagde partij de vordering niet op tijd heeft betaald, is hij de wettelijke rente verschuldigd. Deze zal worden toegewezen zoals gevorderd.
Gedaagde partij is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eisende partij worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
120,78
- griffierecht
€
135,00
- salaris gemachtigde
€
82,00
(1 punt × € 82,00)
- nakosten
€
41,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
378,78
3. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 382,41, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 25 april 2025 tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 57,36 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten van € 378,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagde partij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2025.
57327