ECLI:NL:RBAMS:2025:9107

ECLI:NL:RBAMS:2025:9107, Rechtbank Amsterdam, 11-11-2025, 81-102882-22

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 11-11-2025
Datum publicatie 15-12-2025
Zaaknummer 81-102882-22
Rechtsgebied Strafrecht; Strafprocesrecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Amsterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 2 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001903

Samenvatting

Beslissing op bezwaarschrift ex art. 182 lid 6 Sv. De verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek van de raadsman ziet op het controleren van de werkwijze en totstandkoming van de beslissing van de rechter-commissaris.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Strafrecht

parketnummer : 81-102882-22

raadkamernummer : 25-011239

datum beslissing : 11 november 2025

Beslissing van de meervoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 182, zesde lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1954 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

woonplaats kiezend op het kantoor van mr. S.T. van Berge Henegouwen, advocaat te Maastricht, [adres] ,

hierna te noemen: de verdachte.

Inleiding en procesgang

De verdenking (onderzoek Mariner) ten aanzien van de verdachte komt neer op het betalen van steekpenningen aan belangrijke personen binnen Russische en Wit-Russische bedrijven, met het kennelijke doel dat deze bedrijven machines van de bedrijvengroep van [naam bedrijvengroep] zouden kopen. Daarnaast is ook het vervalsen van geschriften en/of het voorhanden hebben van valse of vervalste geschriften onderdeel van de verdenking. Alles wat aan de verdachte ten laste is gelegd, is ook ten laste gelegd in de vorm van feitelijk leiding geven.

De rechter-commissaris heeft op 15 juli 2024 het verzoek namens de verdachte om getuigen te horen gedeeltelijk toegewezen. Zij heeft daarbij de verdediging en het Openbaar Ministerie verzocht om naspeuring te doen naar de adres-/contactgegevens van een aantal getuigen die nog niet in het dossier stonden. De rechter-commissaris heeft opgemerkt dat als deze getuigen zich in Rusland of Wit Rusland bevinden zij hen niet zal oproepen en dat als volgt toegelicht: “Alle rechtshulp met Rusland en Wit-Rusland ligt momenteel stil en zal ook niet in de nabije toekomst worden hervat gezien de huidige situatie. Op dit moment is het ook niet duidelijk wanneer dit wel zou kunnen worden hervat, aldus mededeling van [naam instantie] ( [naam instantie] ) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Namens de verdachte heeft de raadsman tegen de afwijzende beslissing van de rechter-commissaris een bezwaarschrift ex artikel 182 lid 6 Sv ingediend. De rechtbank heeft bij beslissing van 24 september 2024 de beslissing van de rechter-commissaris in zoverre vernietigd dat een aantal door de rechter-commissaris afgewezen getuigen alsnog zijn toegewezen. De rechtbank heeft de voorwaarde dat de getuigen zich niet in Rusland of Wit-Rusland mogen bevinden in stand gelaten. Zij heeft ten aanzien van de door haar toegewezen getuigen bepaald dat de getuigen niet worden opgeroepen als blijkt dat zij in Rusland of Wit-Rusland verblijven. De rechtbank heeft het Openbaar Ministerie en de verdediging net als de rechter-commissaris verzocht om naspeuring te doen naar de adres-/contactgegevens van de toegewezen getuigen en die aan de rechter-commissaris te verstrekken.

De raadsman heeft op 23 december 2024 onder verwijzing naar de beslissing van de rechter-commissaris van 15 juli 2024 verzocht om nadere informatie te verstrekken over het contact van de rechter-commissaris (of iemand anders) met [naam instantie] .

De rechter-commissaris heeft per e-mail van 2 januari 2025 te kennen gegeven dat zij die informatie niet met de raadsman kan delen.

De raadsman heeft op 13 januari 2025 de rechter-commissaris per e-mail verzocht om op de verdediging aangegeven punten, betrekking hebbend op het contact met [naam instantie] , nader geïnformeerd te worden en dit vast te leggen in een proces-verbaal.

De rechter-commissaris heeft de raadsman op 17 januari 2025 per e-mail laten weten dat [naam instantie] haar heeft voorgelicht over de mogelijkheden van rechtshulpverzoeken aan Rusland en Wit-Rusland, dat het antwoord op die vraag in haar beslissing op de onderzoekswensen te vinden is en dat zij de details van de beantwoording door [naam instantie] niet met de raadsman kan delen.

De inhoud van de e-mail van 17 januari 2025 is weergegeven in een proces-verbaal van bevindingen van de rechter-commissaris van 23 januari 2025. In dit proces-verbaal vermeldt de rechter-commissaris dat de raadsman informatie heeft aangeleverd met mogelijke adres-/contactgegevens van de toegewezen getuigen, die op verzoek van de rechter-commissaris door het Openbaar Ministerie zijn onderzocht en waarvan de FIOD proces-verbaal heeft opgemaakt. Op basis van die informatie heeft de rechter-commissaris geconstateerd dat het aannemelijk is dat de getuigen zich in (Wit-)Rusland bevinden, althans dat er geen aanwijzingen zijn dat zij zich in een land buiten dat gebied bevinden. In datzelfde proces-verbaal heeft de rechter-commissaris herhaald dat zij van [naam instantie] heeft vernomen dat alle rechtshulp met Rusland en Wit-Rusland momenteel stil ligt en ook niet in de nabije toekomst zal worden hervat gezien de huidige situatie, en dat op dit moment niet duidelijk is wanneer dit wel zou kunnen worden hervat. Dit betekent dat deze getuigen niet op een aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord en dat het onderzoek van de rechter-commissaris zal worden gesloten, aldus de rechter-commissaris.

De raadsman heeft bij bezwaarschrift van 23 januari 2025 namens de verdachte bezwaar aangetekend tegen de weigering van de rechter-commissaris om een proces-verbaal op te maken over haar contact met [naam instantie] zoals verwoord in haar e-mail van 17 januari 2025.

De rechtbank heeft bij beslissing van 10 april 2025 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar.

De overweging van de rechtbank luidt als volgt:

Artikel 182, zesde lid, Sv, bepaalt dat de verdachte een bezwaarschrift kan indienen als de rechter-commissaris weigert om de door de verdachte gewenste onderzoekshandelingen te verrichten.

In dit geval richt het bezwaarschrift zich tegen de weigering van de rechter-commissaris om informatie te verstrekken over het contact met [naam instantie] en dit vast te leggen in een proces-verbaal in verband met het horen van een aantal getuigen. De vraag is of die beslissing een onderzoekshandeling is in de zin van deze bepaling.

Het begrip ‘onderzoekshandeling’ is in het Wetboek van Strafvordering niet gedefinieerd. Ook de wettekst en de wetsgeschiedenis van artikel 182, zesde lid, Sv, bieden geen uitsluitsel over de reikwijdte van dit begrip en de bezwaarmogelijkheid van de wetsbepaling.

De rechtbank overweegt dat een redelijke wetsuitleg met zich brengt dat het begrip ‘onderzoekshandeling’ betrekking heeft op de onderzoekshandeling als zodanig en niet op de wijze waarop deze wordt uitgevoerd.

De weigering van de rechter-commissaris om details van de beantwoording door [naam instantie] te verstrekken en vast te leggen in een proces-verbaal heeft in het licht van deze wetsuitleg geen betrekking op een onderzoekshandeling als zodanig, maar op de wijze waarop een eerdere onderzoekshandeling, in dit geval het horen van getuigen, wordt uitgevoerd. Dat gaat ook op het voor het subsidiaire verzoek van de raadsman tot het horen van de rechter-commissaris hierover.

Dat maakt dat de beslissing (de weigering) van de rechter-commissaris geen betrekking heeft op een onderzoekshandeling en dus niet vatbaar is voor bezwaar.

De vraag of de procedure in haar geheel aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces voldoet, zal beantwoord moeten worden door de rechtbank voordat zij einduitspraak doet.

Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank het bezwaarschrift niet-ontvankelijk zal verklaren en dat zij niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het bezwaarschrift en het (subsidiaire) verzoek tot het horen van de rechter-commissaris.”

De raadsman van de verdachte heeft bij brief van 23 april 2025 de rechter-commissaris verzocht een ‘NN-persoon, werkzaam bij de [naam instantie] in Strafzaken ( [naam instantie] )’ als getuige te horen.

De rechter-commissaris heeft bij e-mail van 24 april 2025 het verzoek afgewezen en dat als volgt gemotiveerd: “In uw brief van gisteren (…) verzoekt u mij een NN-persoon, werkzaam bij de [naam instantie] in Strafzaken ( [naam instantie] ) te horen als getuige. Ik zal daartoe niet overgaan. (…) [D]it geen onderzoekshandeling in de zin van artikel 182 Sv. Ik verwijs in dit verband naar de hierna ingekopieerde overweging in de beslissing van de meervoudige raadkamer op uw bezwaar van 10 april 2025, welke overweging ook opgaat voor het verzoek tot ondervraging van de [naam instantie] -medewerker. Het begrip ‘onderzoekshandeling’ is in het Wetboek van Strafvordering niet gedefinieerd. Ook de wettekst en de wetsgeschiedenis van artikel 182, zesde lid, Sv, bieden geen uitsluitsel over de reikwijdte van dit begrip en de bezwaarmogelijkheid van de wetsbepaling. De rechtbank overweegt dat een redelijke wetsuitleg met zich brengt dat het begrip ‘onderzoekshandeling’ betrekking heeft op de onderzoekshandeling als zodanig en niet op de wijze waarop deze wordt uitgevoerd.

Het bezwaarschrift is op 28 april 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

De officier van justitie heeft op voorhand haar standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.

De rechtbank heeft op 28 oktober 2025 het bezwaarschrift in besloten raadkamer behandeld.

De rechtbank heeft de gemachtigde advocaat van de verdachte, mr. S.T. van Berge Henegouwen, en de officier van justitie op zitting gehoord.

De verdachte is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

Bezwaar

Het bezwaar richt zich tegen de weigering van de rechter-commissaris de door de verdachte gewenste onderzoekshandeling te verrichten, te weten een ‘NN-persoon, werkzaam bij de [naam instantie] in Strafzaken ( [naam instantie] )’ als getuige te horen.

Namens de verdachte is ter toelichting op haar verzoek onder meer het volgende (samengevat) aangevoerd. De stelling van de rechter-commissaris dat (vooralsnog) geen rechtshulp plaatsvindt met (Wit)-)Rusland moet door de verdediging kunnen worden gecontroleerd. De verdediging beschikt in het geheel niet over stukken waaruit blijkt dat er geen rechtshulp plaatsvindt. De verdediging wenst over deze informatie te beschikken, althans in ieder geval daarover helderheid en duidelijkheid te hebben. Nu de rechter-commissaris eerder heeft geweigerd daartoe een proces-verbaal op te maken, rest de verdediging zelf de NN-persoon werkzaam bij de [naam instantie] te ondervragen als getuige. De verdediging wenst de getuige te bevragen omtrent de mededeling die de getuige heeft gedaan. Allereerst is het tijdstip onduidelijk. Wanneer is deze mededeling gedaan? Verder is de context onduidelijk. Ging het over deze zaak? Hoe luidde de mededeling precies? Waarop was dit inzicht gebaseerd?

De raadsman heeft in het bezwaarschrift onder meer aangevoerd dat in deze strafzaak verder niet ter discussie staat dat de getuigen die middels een rechtshulpverzoek in Rusland gehoord moeten worden van belang zijn voor de verdediging. Bij het horen van die getuigen gaat het om het recht op een eerlijk proces ex artikel 6 EVRM. Deze toegewezen getuigen zouden beweerdelijk niet gehoord kunnen worden omdat volgens een niet nader gespecificeerde mededeling of anderszins enige vorm van communicatie met een NN-persoon van de [naam instantie] er dus beweerdelijk geen rechtshulp met Rusland mogelijk zou zijn. Daarbij wordt onder meer (maar niet volledig) door de rechter­commissaris in ieder geval in het midden gelaten:

a. a) wanneer en in welk kader of in welke zaak deze informatie door de [naam instantie] zou zijn gedeeld met de rechter-commissaris of met iemand anders van het kabinet of met het openbaar ministerie of met nog een andere tussenpersoon;

b) hoe deze informatie werd gedeeld door de [naam instantie] met de rechter-commissaris of met iemand anders van het kabinet of met het Openbaar Ministerie of met nog een andere tussenpersoon;

c) waaruit redelijkerwijze zou kunnen worden afgeleid dat deze NN- [naam instantie] -persoon voldoende functionaliteit heeft om kennis van zaken te hebben omtrent deze informatie en wat daarvan de bron van wetenschap is;

d) wie er voor het beweerdelijk niet kunnen uitvoeren van rechtshulp verantwoordelijk is: is dat om moverende Nederland omdat Nederland dat niet wil of is dit Rusland;

e) of beperkte rechtshulp, zoals bijvoorbeeld het horen van getuigen middels video-conferentie toch mogelijk is;

f) in wat voor soort strafzaak de NN- [naam instantie] -persoon of de rechter commissaris zelf tot de conclusie is gekomen dat rechtshulp met Rusland niet mogelijk zou zijn. Immers, in de onderhavige strafzaak gaat het kort gezegd om vermeende fraude bij een diervoederfabriek. De agrarische sector en de voedselindustrie zijn tot op heden buiten de aan Rusland opgelegde sancties gehouden, zodat het niet voor te hand ligt om aan te nemen dat Rusland of Nederland rechtshulp met betrekking tot dit onderwerp zouden tegenwerken

De raadsman heeft in het bezwaarschrift voorts het volgende aangevoerd. De rechter-commissaris maakt er gewag van dat een onderzoekswens in het Wetboek van Strafvordering niet is gedefinieerd. Dat zou dan een legitieme reden zijn om het verzoek om de gevraagde getuige te horen te kunnen afwijzen of naast zich neer te leggen. De rechter-commissaris verwijst daarvoor naar een eerdere beslissing in deze strafzaak door de raadkamer van de rechtbank. Echter, in die beslissing ging het om het verzoek om een (aanvullend) proces-verbaal te laten opmaken. Van specifiek deze gevraagde onderzoekswens meende de rechtbank dat dit geen onderzoekshandeling in de zin van de wet is. Dat geldt echter niet voor onderzoekshandelingen bestaande uit het horen van getuigen. Deze zijn juist wel expliciet in de wet als onderzoekshandelingen genoemd. De artikelen 186 tot en met 191 Sv noemen expliciet het horen van getuigen als onderzoekshandelingen. En in de artikelen 210 Sv en volgende wordt de uitvoering van getuigenverhoren door de rechter-commissaris nog verder geregeld.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift ongegrond verklaard dient te worden en daartoe (samengevat) het volgende aangevoerd. Zoals bij de behandeling van het vorige bezwaarschrift naar voren gebracht is, kan het verzoek om informatie rondom het contact met [naam instantie] te verschaffen en dit vast te leggen in een proces-verbaal niet als een verzoek om een onderzoekshandeling worden aangemerkt. Er zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd of gebleken die zouden kunnen leiden tot nieuwe onderzoekswensen. Het verzoek tot het horen van een NN getuige bij [naam instantie] is een (onoorbare) manier om de niet-ontvankelijkheid van het vorige bezwaarschrift aan te vechten en lijkt ook een poging om de voortgang van de strafzaak onnodig te vertragen. De regiefase is gesloten en het Openbaar Ministerie zal overgaan tot het dagvaarden van de verdachte en haar medeverdachten.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte niet-ontvankelijk is in haar bezwaar. Zij overweegt daartoe het volgende.

De rechter-commissaris heeft op grond van artikel 170 lid 2 Sv als rechter in het vooronderzoek de taak toezicht uit te oefenen op het verloop van het opsporingsonderzoek. Het gaat om toezicht op de rechtmatige toepassing van opsporingsbevoegdheden, de voortgang van het onderzoek en de evenwichtigheid en volledigheid van het onderzoek. Degene die als verdachte van een strafbaar feit is verhoord, of die reeds ter zake van een strafbaar feit wordt vervolgd kan ingevolge artikel 182 lid 1 Sv de rechter-commissaris verzoeken dienaangaande onderzoekshandelingen te verrichten.

Het verzoek van de raadsman ziet op het controleren van de werkwijze en totstandkoming van de beslissing van de rechter-commissaris. De rechtbank gaat vooralsnog uit van de juistheid van de mededeling van de rechter-commissaris dat haar door de [naam instantie] van het Ministerie van Buitenlandse Zaken is meegedeeld, inhoudende

(i) dat alle rechtshulp met Rusland en Wit-Rusland momenteel stilligt en ook niet in de nabije toekomst zal worden hervat gezien de huidige situatie en dat op dit moment het ook niet duidelijk is wanneer dit wel zou kunnen worden hervat, en

(ii) dat [naam instantie] haar heeft voorgelicht over de mogelijkheden van rechtshulpverzoeken aan Rusland en Wit-Rusland en dat zij de details van de beantwoording door [naam instantie] niet met de raadsman kan delen, zoals neergelegd in haar proces-verbaal van bevindingen van 23 januari 2025.

De verdachte wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard. Eventuele verweren op dit punt kunnen tijdens de inhoudelijke behandeling naar worden gebracht.

Beslissing

De rechtbank verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in haar bezwaar.

Deze beslissing is gegeven door de raadkamer,

mr. D. Bode, voorzitter,

mr. G. Oldekamp en mr. P.K. Oosterling-van der Maarel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier,

en uitgesproken op 11 november 2025.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. D. Bode
  • mr. G. Oldekamp
  • mr. P.K. Oosterling-van der Maarel

Griffier

  • mr. M. Cordia

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?