RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-229935-25
Datum uitspraak: 27 november 2025
TUSSENUITSPRAAK
op de vordering van 2 september 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 12 juli 2021 door the Regional Court in Poznań, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1987,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De zitting van 30 oktober 2025
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 30 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. W.L. M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. Römer, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
De tussenuitspraak van 13 november 2025
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en gelijktijdig geschorst voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit vragen te stellen met betrekking tot de omzettingsbeslissing van 13 december 2017 (referentie II Ko 1920/17).
De zitting van 19 november 2025
De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op de zitting van 19 november 2025 – na toestemming van partijen – in gewijzigde samenstelling hervat, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.P Slewe, advocaat in Amsterdam, (waarnemend voor mr. S.J. Römer, eveneens advocaat in Amsterdam) en door een tolk in de Poolse taal.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. De tussenuitspraak van 13 november 2025
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank al geoordeeld over de grondslag en de inhoud van het EAB (paragraaf 3), deels over artikel 12 OLW, te weten: ten aanzien van het vonnis van 20 april 2017 met kenmerk II K 910/14 (paragraaf 3.1), de strafbaarheid van het feit (paragraaf 4) en deels over artikel 6a OLW (paragraaf 5). Wat de rechtbank daarover heeft overwogen, wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.
4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Ten aanzien van de beslissing van 13 december 2017 (referentie II Ko 1920/17)
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank onder meer overwogen dat uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof van Justitie) van 23 maart 2023 volgt dat een beslissing inzake de tenuitvoerlegging of toepassing van een eerder uitgesproken vrijheidsstraf, in beginsel geen beslissing vormt die valt onder de reikwijdte van artikel 12 OLW.
Daarnaast heeft de rechtbank (in de kern) overwogen dat uit het arrest van het Hof van Justitie van 9 oktober 2025 volgt dat van een beslissing die wel onder de reikwijdte van artikel 12 OLW valt sprake is indien (kort gezegd) aan de betrokkene – ter vervanging van een eerder opgelegde vrijheidsbeperkende straf – alsnog een vrijheidsbenemende straf wordt opgelegd waartoe hij nog niet eerder, ook niet in voorwaardelijke zin, was veroordeeld en waarbij de rechter heeft beschikt over een beoordelingsbevoegdheid (om de vrijheidsbeperkende straf al dan niet om te zetten in een vrijheidsbenemende straf).
Zoals geoordeeld in de tussenuitspraak van 13 november 2025, volgt uit de aanvullende informatie van 27 oktober 2025 dat de Poolse rechter beoordelingsbevoegdheid toekwam bij de vraag of de voorwaarden van het vonnis van 20 april 2017 waren geschonden. Het was echter onduidelijk of de Poolse rechter bij de beslissing van 13 december 2017 beoordelingsbevoegdheid heeft gehad bij het omzetten van de vrijheidsbeperkende werkstraf in de vrijheidsbenemende straf. De rechtbank heeft daarom het onderzoek ter zitting heropend onder gelijktijdige schorsing voor onbepaalde tijd teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om de onder 3.1 in de tussenuitspraak vermelde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen.
In een mailbericht van 14 november 2025 heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) van het openbaar ministerie, onder verwijzing naar de tussenuitspraak, de volgende vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:
“(…) Could you please indicate whether the District Court of Gniezno, when deciding on case ref. no. II Ko 1920/17 resulting in the decision of 13 December 2017, had any margin of assessment with regards to the conversion of the penalty of restricted liberty (judgement II K 910/14) into the penalty of imprisonment, in the sense that the Court was not obliged to convert the penalty into a replacement penalty of imprisonment when the Court established that the wanted person violated the conditions set in judgement II K 910/14?
The Regional Court in Poznań heeft per mailbericht van 19 november 2025 een brief van the District Court in Gniezno van 18 november 2025 gestuurd waarin – voor zover relevant – de volgende aanvullende informatie is verstrekt:
“(…) when ruling on case Il Ko I 920/17, the court was obliged to order the enforcement of a substitute custodial sentence in a situation where it was found that the sentenced person had failed to perform community service for reasons attributable to him: otherwise, the court would have disregarded the probation officer’s request to order the enforcement of a substitute custodial sentence.”
De standpunten van partijen
De partijen hebben hun standpunten op de zitting kenbaar gemaakt. De standpunten worden hieronder kort en zakelijk weergegeven. Voor de verdere inhoud van de standpunten wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting van 19 november 2025.
Standpunt van de raadsman
De raadsman bepleit dat de overlevering moet worden geweigerd. Uit de aanvullende informatie blijkt immers dat de rechter beoordelingsvrijheid heeft gehad om de taakstraf om te zetten in een gevangenisstraf. Dat brengt met zich dat de beslissing met kenmerk II Ko 1920/17 getoetst moet worden aan artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon is niet verschenen bij dit proces en de beslissing is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Uit de aanvullende informatie blijkt voorts niet of de aan de opgeëiste persoon verstrekte adresinstructie ook gold voor de omzettingsprocedure.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich – onder verwijzing naar het Tupikas-arrest en het Ardic-arrest – primair op het standpunt dat het Abbottly-arrest niet van toepassing is in deze zaak, omdat de rechtbank in haar tussenuitspraak van 13 november 2025 het Abbottly-arrest te extensief heeft uitgelegd. Dit arrest ziet volgens de officier van justitie immers op de situatie dat een bijkomende straf is opgelegd (naast een hoofdstraf). Bovendien moet de vrijheidsbeperkende straf die voor deze bijkomende straf is opgelegd, worden omgezet in een vrijheidsbenemende straf wegens het niet nakomen van de aan de bijkomende straf verbonden voorwaarden.
Uit het EAB en de aanvullende informatie blijkt dat aan de opgeëiste persoon als hoofdstraf een vrijheidsbeperkende straf is opgelegd. Als de opgeëiste persoon deze straf niet uitvoert, wordt deze omgezet volgens een standaardformule, namelijk één dag gevangenisstraf voor iedere twee dagen vrijheidsbeperkende straf. Volgens de officier van justitie blijkt uit de eerder verstrekte aanvullende informatie dat de rechtbank geen beoordelingsruimte had. De omzetting is dus geen nieuwe bestraffing die aan artikel 12 OLW moet worden getoetst. Daarmee is het Abbottly-arrest niet van toepassing en valt de beslissing niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. Het was niet nodig de vragen te stellen.
Subsidiair – indien de rechtbank van oordeel is dat de beslissing met kenmerk II Ko 1920/17 wel getoetst moet worden aan artikel 12 OLW - verzoekt de officier van justitie om af te zien van de weigeringsgrond. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon kennelijk onzorgvuldig heeft gehandeld. De opgeëiste persoon was immers op de hoogte van de strafprocedure en heeft een adresinstructie ontvangen. Uit het derde gedachtestreepje van de aanvullende informatie van 18 november 2025 volgt dat de adresinstructie ook gold voor de executieperiode. De opgeëiste persoon is vervolgens vertrokken uit Polen zonder een adreswijziging door te geven. Het is aan hemzelf te wijten dat hij zijn verdediging niet op de zitting heeft kunnen voeren.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal eerst ingaan op het standpunt van de officier van justitie dat het Abbottly-arrest in dit geval niet van toepassing is. Vervolgens zal de rechtbank ingaan op de vraag of de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW zal worden toegepast.
Toepasselijkheid van het arrest van het Hof van Justitie van 9 oktober 2025
Zoals hiervoor (en in de tussenuitspraak van 13 november 2025) reeds is overwogen, volgt uit het Abbottly-arrest dat als aan de betrokkene – ter vervanging van een eerder opgelegde vrijheidsbeperkende straf – alsnog een vrijheidsbenemende straf wordt opgelegd waartoe hij nog niet eerder, ook niet in voorwaardelijke zin, is veroordeeld – en waardoor dus sprake is van een nieuwe vrijheidsbenemende straf – deze beslissing tot omzetting valt onder de reikwijdte van art. 4 bis Kaderbesluit 2002/584/JBZ), mits de rechter heeft beschikt over een beoordelingsbevoegdheid, om de vrijheidsbeperkende straf (al dan niet) om te zetten in een vrijheidsbenemende straf. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat deze situatie zich zowel bij de omzetting (vervanging) van een hoofdstraf kan voordoen als bij de omzetting (vervanging) van een bijkomende straf. Het cruciale verschil tussen onder andere het arrest Ardic en het arrest Abbottly is immers dat de omzettingsbeslissing geen betrekking heeft op de tenuitvoerlegging of toepassing van een eerder uitgesproken vrijheidsbenemende straf, maar als zodanig een nieuwe beslissing vormt waarbij aan de betrokkene een vrijheidsbenemende straf wordt opgelegd waartoe hij nog niet eerder was veroordeeld ter omzetting (vervanging) van de oorspronkelijke vrijheidsbeperkende straf.
In deze zaak gaat het bij de beslissing van 13 december 2017 (referentie II Ko 1920/17) om een omzetting van een vrijheidsbeperkende straf (namelijk een werkstraf) in een vrijheidsbenemende straf (detentie). Deze vrijheidsbenemende straf was niet eerder – ook niet in voorwaardelijke zin – aan de opgeëiste persoon opgelegd. Vervolgens moet, gelet op het arrest Abbottly, worden beoordeeld of er sprake was van een beoordelingsbevoegdheid van de rechter ten aanzien van deze omzetting. Om dit laatste te beoordelen, zijn nadere vragen gesteld. Het Abbottly-arrest is in zoverre van toepassing dat nadere informatie vereist was, om te kunnen beoordelen of er aan artikel 12 OLW moet worden getoetst.
De beslissing van 13 december 2017 (referentie II Ko 1920/17) in het licht van artikel 12 OLW
De rechtbank is gelet op de aanvullende informatie van 18 november 2025, meer specifiek de zinsnede “the court was obliged to order the enforcement of a substitute custodial sentence” van oordeel dat aan de Poolse rechter geen beoordelingsbevoegdheid toekwam ten aanzien van de omzettingsbeslissing. Het was immers een verplichting, omdat is vastgesteld dat de opgeëiste persoon verwijtbaar zijn taakstraf niet heeft uitgevoerd.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de beslissing van 13 december 2017 (referentie II Ko 1920/17) niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW valt. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW is dan ook niet aan de orde.
5. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen in paragraaf 5 van de tussenuitspraak van 13 november 2025. De overwegingen in deze paragraaf worden hier eveneens als herhaald en ingelast beschouwd.
In het bijzonder brengt de rechtbank in herinnering dat zij in de tussenuitspraak heeft geoordeeld dat niet was voldaan aan het eerste vereiste voor gelijkstelling, omdat met de overgelegde stukken niet is aangetoond dat de opgeëiste persoon ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000. Ten aanzien van het inkomen was namelijk onvoldoende aangetoond dat sprake was van een ononderbroken rechtmatig verblijf. In 2022 heeft de opgeëiste persoon minder dan 50 procent van de bijstandsnorm verdiend. Dat de opgeëiste persoon een aanzienlijk deel van dit jaar ziek is geweest en daardoor minder heeft verdiend, was onvoldoende door de raadsman onderbouwd. De opgeëiste persoon kwam dan ook geen beroep op gelijkstelling toe.
Standpunt raadsman
De raadsman verzoekt de rechtbank alsnog om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander en de overlevering te weigeren onder gelijktijdige strafovername. De opgeëiste persoon heeft al vanaf 2018 een duurzame huishouding met zijn partner en gezamenlijk hadden zij in het jaar 2022 voldoende inkomsten. De raadsman verwijst hierbij naar de stukken die hij op 17 november 2025 aan de rechtbank heeft verstrekt. De raadsman stelt zich voorts op het standpunt dat de opgeëiste persoon sinds 2017 tot en met 2023 – en daarna tot heden – onafgebroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven, waardoor hij duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Sindsdien hebben zich geen omstandigheden voorgedaan waardoor hij dit verblijfsrecht zou hebben verloren. Gelet op het arrest van het Hof van Justitie gewezen in de zaak CJ (C-305/22) (hierna C.J.)verzoekt de raadsman om eerst toestemming te vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om de straf over te nemen en de zaak derhalve aan te houden.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie stelt zich primair op het standpunt dat de overgelegde stukken buiten beschouwing moeten worden gelaten, omdat deze niet tijdig zijn overgelegd. Er is geen sprake van een verschoonbare vertraging. Door de te laat aangeleverde stukken is het voor het openbaar ministerie niet mogelijk geweest om de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) te bevragen en, gelet op het arrest C.J., het certificaat en het veroordelend vonnis bij Poolse autoriteiten op te vragen. Volgens de officier van justitie is sinds het arrest C.J. het belang toegenomen, dat bij het indienen van stukken voor een gelijkstellingsverweer, de in jurisprudentie vastgelegde tien dagentermijn voor de zitting in acht wordt genomen. De officier van justitie verwijst hiervoor naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam.
Voor zover de rechtbank de stukken niet buiten beschouwing laat, stelt de officier van justitie zich subsidiair op het standpunt dat het beroep op gelijkstelling niet kan slagen, omdat het niet aan partijen en de rechtbank is om een conclusie te trekken over het al dan niet verliezen van het verblijfsrecht van de opgeëiste persoon. Dit is iets waar de IND zich over zou moeten uitlaten.
Meer subsidiair refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de vraag of de IND moet worden bevraagd en het certificaat en het veroordelend vonnis moeten worden opgevraagd bij de Poolse autoriteiten.
Oordeel van de rechtbank
Uit de jurisprudentie van de rechtbank volgt, dat in beginsel een termijn van uiterlijk tien dagen voorafgaand aan de zitting redelijk is. Indiening van de stukken ter onderbouwing van een gelijkstellingsverweer na de tiende dag voorafgaande aan de zitting kan ertoe leiden dat de rechtbank deze stukken buiten beschouwing laat.
In het onderhavige geval is de rechtbank van oordeel dat, ondanks het late moment van indienen van de stukken op 17 november 2025, deze stukken wel in behandeling worden genomen. Daarvoor acht zij de volgende omstandigheden relevant. (i) Het gaat om aanvullende stukken, die nadere duiding geven aan reeds eerder ingediende stukken die aan de tussenuitspraak ten grondslag lagen. (ii) Het gaat om een beperkt aantal pagina’s, zodat de omvang van de stukken gering is. (iii) De aanvullende stukken zijn voorzien van een beknopte toelichting, waarin de inhoud van de aanvullende stukken voldoende wordt geduid.
De rechtbank is voorts van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Uit de door de raadsman op 17 november 2025 overgelegde stukken volgt dat sprake is geweest van een duurzame relatie tussen de opgeëiste persoon en zijn partner. De opgeëiste persoon staat sinds 2017 ingeschreven op het betreffende adres en de partner van de opgeëiste persoon staat eveneens op de huurovereenkomst (met ingangsdatum 14 december 2017) van het betreffende adres vermeld. Bovendien blijkt uit de stukken over het jaar 2022 dat zij op dat moment nog steeds op dit adres woonachtig was. Hiermee staat vast dat de opgeëiste persoon en zijn partner gedurende de gehele periode op hetzelfde adres hebben verbleven. Hoewel de rechtbank in de tussenuitspraak heeft geoordeeld dat de opgeëiste persoon in het jaar 2022 minder dan 50 procent van de bijstandsnorm heeft verdiend, is nu met jaaropgaven en salarisspecificaties van zijn partner aangetoond dat zij gezamenlijk in het jaar 2022 voldoende inkomen hebben genoten. Aan de eerste voorwaarde is dus voldaan.
De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de IND over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Deze informatie ontbreekt echter in het dossier.
De rechtbank zal daarom het onderzoek heropenen en schorsen voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen deze informatie bij de IND op te vragen. Als ook aan de tweede voorwaarde is voldaan, wordt de officier van justitie verzocht om bij de uitvaardigende justitiële autoriteit een certificaat en het veroordelende vonnis op te vragen gelet op het arrest C.J. De rechtbank is namelijk van oordeel dat de in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden niet in de weg staan aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon voldoende economische, maatschappelijke en familiale banden met Nederland. De opgeëiste persoon heeft derhalve het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie.
Verlenging van de termijn
De rechtbank acht aannemelijk dat uit de verklaring van de IND niet zal blijken dat de verwachting bestaat dat de opgeëiste persoon zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Desalniettemin zal dit advies worden opgevraagd. Daarnaast zullen het certificaat en het veroordelende vonnis ook moeten worden opgevraagd aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. In verband met de tijd die daarmee gemoeid zal zijn, overweegt de rechtbank over de beslistermijn en de termijn waarop de zaak opnieuw ter zitting gepland moet worden als volgt. Zoals bepaald in artikel 22, vierde lid OLW kan de rechtbank in uitzonderlijke gevallen de beslistermijn met telkens 60 dagen verlengen. Nu de rechtspraak, de raadsman en de officier van justitie recent zijn geconfronteerd met de gevolgen van het arrest C.J. en de wetgever artikel 6a OLW op dit punt (nog) niet heeft gewijzigd, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 22, vierde lid, OLW, zodat de rechtbank de beslistermijn met 60 dagen zal verlengen. De termijn verloopt dan 60 dagen na 28 november 2025. De rechtbank zal gelijktijdig de (geschorste) overleveringsdetentie verlengen op grond van artikel 27, derde lid, OLW. De zaak zal dan zo snel mogelijk, maar uiterlijk 14 dagen vóór het verstrijken van de verlengde beslistermijn opnieuw op zitting moeten worden gepland.
6. Beslissing
HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 5 genoemde informatie op te vragen bij de IND en indien nodig een certificaat en onderliggend vonnis op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit.
VERLENGT de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met 60 dagen (eindigend op 27 januari 2026), onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
BEPAALT dat de zaak zo snel mogelijk, maar uiterlijk 14 dagen vóór het verstrijken van de verlengde beslistermijn, dus uiterlijk op 13 januari 2025, opnieuw op zitting wordt aangebracht.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen de nader te bepalen datum en het nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen de voornoemde nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en D.P. Hein, rechters,
in tegenwoordigheid van M.L. Kole, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 27 november 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.