RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11648667 \ CV EXPL 25-5905
Vonnis van 4 november 2025
in de zaak van
[eiser] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M. Booij,
tegen
[naam] (h.o.d.n. [gedaagde] ),
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. B.J. Davidse.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 31 maart 2025, met producties;
de conclusie van antwoord van 24 juni 2025, met producties;
het tussenvonnis van 8 juli 2025 waarin de mondelinge behandeling is bepaald;
het bericht van 25 en 26 september 2025 met nadere producties van [eiser] ;
de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen verschenen, vergezeld door hun gemachtigde en bijgestaan door een tolk in de Engelse taal. Partijen hebben het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Ten slotte is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald.
2. De feiten
[eiser] heeft in 2023 met [gedaagde] afgesproken dat [gedaagde] een Peugeot Boxer (hierna: de Peugeot) met kenteken [kenteken] en Chassisnummer [nummer] zou verschepen vanuit Nederland naar de haven Port-Harcourt in Nigeria.
Tussen partijen is een geschil ontstaan met betrekking tot deze overeenkomst waarna [eiser] de overeenkomst buitengerechtelijk heeft ontbonden en de Peugeot heeft opgehaald van het terrein van [gedaagde] .
Op 2 september 2023 heeft [eiser] de Peugeot alsnog door een ander exportbedrijf, te weten DBJ Global, naar Port-Harcourt in Nigeria laten verschepen. De lading is op 27 september 2025 in Port-Harcourt aangekomen.
Bij aankomst van de Peugeot constateerde de Nigeriaanse douane dat de Peugeot reeds als ingevoerd stond geregistreerd. Gebleken is dat [gedaagde] in november 2022 een vracht heeft verscheept, waarbij de Peugeot op de betreffende ladingsbrief stond vermeld.
Met behulp van een door [eiser] ingeschakelde agent is de Peugeot uiteindelijk ingeklaard.
3. Het geschil
[eiser] vordert - samengevat - een verklaring voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld en de schade van [eiser] moet vergoeden. De onrechtmatige handeling bestaat er uit dat [gedaagde] de Peugeot ten onrechte op 5 november 2022 op haar ladingsbrief heeft vermeld, terwijl zij de Peugeot in werkelijkheid niet heeft vervoerd. [eiser] vordert betaling van als gevolg van dit onrechtmatige handelen door haar geleden schade. De door haar ingeschakelde agent heeft een bedrag van 8.500.000,- Nigeriaanse Naira (hierna: Naira) moeten betalen om de Peugeot alsnog in te klaren. Zij vordert dat [gedaagde] dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente en om te rekenen naar Euro's op basis van de wisselkoers van de dag van het vonnis, aan haar betaalt.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Partijen zijn het er over eens dat de Peugeot ten onrechte op de ladingsbrief stond vermeld van een lading die [gedaagde] op 5 november 2022 naar Nigeria heeft vervoerd. Of het hier nou boos opzet betrof of een menselijke vergissing is niet relevant; dit handelen is op zichzelf als onrechtmatig te bestempelen.
Geen schadevergoeding verschuldigd
Partijen zijn het er echter niet over eens of [eiser] hierdoor schade heeft geleden en zo ja, hoe hoog die schade was. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij door het handelen van [gedaagde] schade heeft geleden die vatbaar is voor vergoeding door [gedaagde] . Daarvoor is het volgende van belang.
[eiser] heeft gesteld dat de door haar ingeschakelde agent een bedrag van Naire 8.500.000,- heeft moeten betalen om er voor te zorgen dat de lading uiteindelijk kon worden ingeklaard. Ter onderbouwing hiervan heeft zij een brief van haar agent overgelegd waarin hij dit bedrag bij [eiser] in rekening brengt voor zijn werkzaamheden. [gedaagde] weerspreekt deze schade. Fouten in een ladingsbrief kunnen naar zijn zeggen ook achteraf administratief worden hersteld. Daarvoor wordt aan de vervoerder slechts € 85,- aan administratiekosten in rekening gebracht. Hij heeft noch van [eiser] , noch van haar agent of vervoerder het verzoek gekregen om de betreffende ladingsbrief van 5 november 2022 te herstellen.
Dat de door [eiser] ingeschakelde agent voor een bedrag van Naire 8.500.000,- aan extra werkzaamheden heeft moeten verrichten is niet onderbouwd. Zo blijft onduidelijkheid bestaan hoe lang het heeft geduurd voordat de lading kon worden ingeklaard. Hoewel [eiser] aanvankelijk stelde dat dit enkele weken heeft geduurd, heeft zij op de mondelinge behandeling verklaard dat de Peugeot op 4 oktober 2025 is ingeklaard. [gedaagde] heeft onweersproken gesteld dat een inklaringsproces van twee tot drie weken niet ongebruikelijk is. Volgens hem heeft het inklaringsproces in dit geval 14 dagen heeft geduurd. Hoe het precies zit is al met al niet duidelijk, maar de kantonrechter heeft geen aanwijzingen dat het inklaringsproces in het onderhavige geval ongebruikelijk lang heeft geduurd.
In hoeverre de fout van [gedaagde] met betrekking tot de ladingsbrief van 5 november 2022 tot extra kosten heeft geleid is niet nader toegelicht. Wel heeft [eiser] ter zitting verteld dat de agent steekpenningen aan de douane heeft betaald. Indien dit het geval is, kunnen deze kosten niet aan de schadevergoeding ten grondslag worden gelegd. Betaling van steekpenningen is in strijd met de goede zeden en op grond van artikel 3:40 BW een nietige rechtshandeling. Deze betaling kan daarom niet succesvol ten grondslag worden gelegd aan de vordering tot schadevergoeding.
Conclusie
Op grond van het bovenstaande komt de kantonrechter tot de conclusie dat [gedaagde] weliswaar onrechtmatig heeft gehandeld door de Peugeot op haar ladingsbrief van 5 november 2022 te vermelden, maar dat niet is gebleken dat hierdoor schade is ontstaan die voor vergoeding door [gedaagde] in aanmerking komt. De vorderingen van [eiser] zullen daarom worden afgewezen.
Proceskosten
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
542,00
(2 punten × € 271,00)
- nakosten
€
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
609,50
5. De beslissing
De kantonrechter:
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 609,50, te betalen aan [gedaagde] binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Bilderbeek, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2025.