ECLI:NL:RBAMS:2025:9355

ECLI:NL:RBAMS:2025:9355, Rechtbank Amsterdam, 03-12-2025, 13/152780-24

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 03-12-2025
Datum publicatie 03-12-2025
Zaaknummer 13/152780-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854 BWBR0001903 BWBR0005289 BWBR0040907

Samenvatting

Een 51-jarige man wordt veroordeeld voor het om het leven brengen van zijn vriendin in de nacht van 3 op 4 mei 2024 in Amsterdam. Verdachte heeft het slachtoffer in haar woning meerdere keren met een mes in de borst en de rug gestoken waardoor zij uiteindelijk is overleden. In en rond de woning werden op veel verschillende plekken bloedsporen van het slachtoffer en verdachte gevonden die zowel aan het slachtoffer als aan verdachte toehoren, zo werd o.a. op de wasmachine in de keuken een handafdruk van verdachte in het bloed van het slachtoffer gevonden en werd op de gas- en rempedaal len van de auto van verdachte bloed van hem en het slachtoffer gevonden. Dichtbij het lichaam zijn afgebroken heften en lemmeten gevonden die zijn gebruikt om het slachtoffer om het leven te brengen. Bij het steken zijn de lemmeten van de heften afgebroken. Nu van een vooropgezet plan niet is gebleken kwalificeert de rechtbank het handelen van verdachte als doodslag. De rechtbank ziet geen aanleiding hem (sterk) verminderd toerekenbaar te achten. De maximumstraf voor doodslag is in 2023 verhoogd. Mede gelet op de in de maatschappij heersende opinie over de noodzaak van een zwaardere maximumstraf legt De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaar op.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/152780-24

Datum uitspraak: 3 december 2025

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,

thans gedetineerd in de [verblijfsplaats] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 november 2025. Het onderzoek is gesloten ter terechtzitting van 3 december 2025.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M. Modder, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.A. Neslo, naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van hetgeen mr. W. van Egmond namens de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] naar voren heeft gebracht en van hetgeen mr. N. Amine namens de benadeelde partij [benadeelde partij 3] naar voren heeft gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 4 mei 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, meerdere malen met een mes, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp voornoemde [slachtoffer] in de long(en) en/of in de borst, in elk geval in het lichaam gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3. Waardering van het bewijs

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft, onder verwijzing naar de bewijsmiddelen in het dossier, gerekwireerd tot bewezenverklaring van het opzettelijk van het leven beroven van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ). Zij heeft het handelen van verdachte gekwalificeerd als doodslag.

Voorbedachte rade kan volgens de officier van justitie niet bewezen worden. Verdachte dient daarom van de tenlastegelegde moord te worden vrijgesproken.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte ontkent het tenlastegelegde feit te hebben gepleegd. Hij is die nacht op bezoek geweest bij [slachtoffer] , met wie hij sinds een paar maanden een relatie had. Op een gegeven moment voelde zij zich niet lekker, ze was duizelig en kreeg een bloedneus. Verdachte ving haar op en haar bloed kwam op zijn kleding en handen terecht. Verdachte heeft haar geholpen haar bloedneus te stelpen. [slachtoffer] is zich in de badkamer gaan verschonen, verdachte heeft zijn spullen gepakt en is weggegaan. [slachtoffer] had hem gevraagd een tas bij het vuilnis te zetten en dat heeft hij gedaan. Op dat moment bloedde de wond aan zijn duim, die hij enkele dagen daarvoor heeft opgelopen. Onderweg naar huis bloedde zijn duim nog steeds. Daarom is hij gestopt om zich te verschonen en te plassen. Hij is op zijn sokken naar zijn woning gelopen. Hij heeft een afwijking aan zijn teen heeft en heeft daarom zonder schoenen auto gereden. Dat de politie zijn kleding en schoenen niet heeft gevonden komt doordat er niet goed is gezocht.

De raadsvrouw heeft bepleit dat niet kan worden bewezen dat verdachte degene is die [slachtoffer] , al dan niet met voorbedachten rade, van het leven heeft beroofd. Hij dient daarom van het tenlastegelegde feit te worden vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Inleiding

De onderbuurman van de woning van [slachtoffer] hoorde in de nacht van 3 op 4 mei 2024 rond 00:30 uur uit haar woning lawaai komen. Het leek op het verrichten van huishoudelijke handelingen. Rond 02:50 uur schrok de onderbuurman opnieuw wakker, ditmaal door een hoop gerommel en gestommel. Ook hoorde de onderbuurman een enorme noodkreet, een “keihard gegil” dat “door merg en been”. De volgende dag kon de onderbuurman geen contact krijgen met [slachtoffer] . In de loop van de dag, bij het zien van bloedsporen op de buitenkant en binnenkant van de portiekdeur en op het tapijt in het trappenhuis heeft de onderbuurman de politie gealarmeerd.

De politie betrad rond 17:00 uur de woning van [slachtoffer] aan het adres [adres] en de verbalisanten troffen daar op de grond tussen de salontafel en de bank een levenloze vrouw aan in een hemd doordrenkt met bloed. Aan de hand van de in de woning aangetroffen ID-kaart kon zij worden geïdentificeerd als [slachtoffer] .

De politie heeft onderzoek gedaan in en nabij de woning van [slachtoffer] . Op camerabeelden van die nacht is een man te zien die rond 00:30 uur zijn auto op de Spuistraat parkeert en richting haar woning loopt. Rond 02:47 uur komt dezelfde man teruglopen uit de richting van de Nieuwendijk, hij stapt in zijn auto en rijdt weg. De man draagt een blauwe polo met een rode kraag en licht bruine halfhoge schoenen. Verdachte heeft pas in zijn vijfde en laatste politieverhoor van 24 juli 2024, verklaard de persoon te zijn die op de beelden te zien is. Eerder ontkende hij dit.

Verdachte is die nacht vanuit zijn woonplaats [woonplaats] naar Amsterdam gereden om op bezoek te gaan bij [slachtoffer] . Later die nacht is verdachte weer teruggereden naar zijn woning in [woonplaats] . Normaal gesproken zou die rit op dat tijdstip ongeveer één uur duren, maar verdachte heeft er die nacht één uur en veertig minuten over gedaan. Volgens verdachte heeft hij er langer over gedaan, omdat er wegwerkzaamheden waren en hij onderweg tweemaal een stop heeft gemaakt. Op camerabeelden is te zien dat verdachte bij terugkomst in [woonplaats] niet meer gekleed was in het blauwe poloshirt dat hij in Amsterdam droeg, maar een zwart T-shirt met een witte tekst aan had. Daarnaast liep verdachte op zijn sokken – zonder de schoenen die hij eerder droeg – naar zijn voordeur.

In de woning van [slachtoffer] , het trappenhuis en de openbare weg rondom die woning heeft forensisch onderzoek plaatsgevonden. Een tweetal handvatten en daarvan afgebroken lemmeten zijn in de buurt van het lichaam in de woonkamer gevonden. De heften en lemmeten zaten onder het bloed. Op de muren zijn bloedspatten en -vegen aangetroffen, op de vloer rondom het lichaam lag bij de benen een bloedpoel en op andere plekken in de woning waren in bloed gezette voet- en schoensporen. Ook op deuren en traptreden zijn bloeddruppels aangetroffen. Op de wasmachine in de keuken is een handpalmspoor gevonden dat was gezet met (vers) bloed. Vanaf het portiek van de woning aan de [adres] is een bloedspoor gevonden dat doorliep tot aan de Spuistraat ter hoogte van nummer [nummer] . Daarnaast zijn in de auto van verdachte op de gas- en rempedalen bloedsporen gevonden. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte een rode verkleuring op zijn handpalm heeft en getuigen hebben verklaard dat de kleding, handen, tas en schoenen van verdachte onder het bloed zaten.

Hoe is [slachtoffer] om het leven gekomen?

Een forensisch arts van de GGD Amsterdam heeft het lichaam van [slachtoffer] onderworpen aan een schouw. Later is door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) sectieonderzoek verricht. Er zijn aan de ledematen, de borst en de rug negen snij- en steekwonden waargenomen. Deze letsels zijn ontstaan door krachtinwerking met één of meerdere scherpe voorwerpen (zoals een mes). Bij drie steekletsels ter hoogte van de borstkas is sprake van perforatie van de linker ondersleutelbeenader, beide borstholten en longen. Bij dergelijke verwondingen is sprake van een geleidelijke afname van de handelingsbekwaamheid, dit door toenemend bloedverlies en functieverlies van organen. Uit de sectie volgt dat deze drie steekletsels aanleiding hebben gegeven tot ernstig bloedverlies en ademhalingsfunctiestoornissen op basis waarvan het overlijden zonder meer wordt verklaard. De rechtbank volgt de conclusies van de deskundigen dat [slachtoffer] door deze drie steekverwondingen om het leven is gekomen.

In de woning zijn twee afgebroken heften en lemmeten gevonden waarvan de politie vermoedt dat deze samen twee messen hebben gevormd die zijn gebruikt om [slachtoffer] te steken. De politie acht het mogelijk dat de dader/daders hierbij ook gewond was/waren geraakt. Dat de aangetroffen onderdelen samen twee messen vormden die zijn gebruikt bij het toebrengen van de letsels staat naar het oordeel van de rechtbank vast. De afgebroken onderdelen lagen dicht bij het lichaam van [slachtoffer] en zaten onder het bloed. Uit onderzoek is gebleken dat wanneer een eenvoudig mes, zoals aangetroffen, wordt gebruikt om iemand neer te steken en daarbij botst op één van de ribben of wervels gemakkelijk kan afbreken. Voor het afbreken van het lemmet van het heft is wel vereist dat er met meer dan geringe betekenis wordt gestoken. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat [slachtoffer] met de aangetroffen messen is gestoken.

Voor de vaststelling van het tijdstip van overlijden is met behulp van de methode van Henssge een schatting gedaan aan de hand van de gemeten lichaams- en omgevingstemperatuur. Uit het onderzoek volgt een 95% betrouwbaarheidsinterval van 19,5 uur tot 26 uur. De meting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2024 om 23:16 uur. Terugrekenend vanaf het moment van de meting zou [slachtoffer] overleden zijn tussen 21:46 uur op 3 mei 2024 en 03:45 uur op 4 mei 2024. Dat [slachtoffer] na 00:30 uur is overleden, staat naar het oordeel van de rechtbank vast. Verdachte heeft verklaard rond 00:30 uur bij haar te zijn geweest terwijl ze nog leefde en de onderbuurman hoorde rond datzelfde tijdstip gerommel en gestommel in de woning en rond 02:50 uur hoorde hij een ijzige gil.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat [slachtoffer] op 4 mei 2024 tussen 00:30 en 03:45 uur in haar woning om het leven is gebracht als gevolg van meerdere krachtige messteken in de borst en rug. Zij is niet direct na de haar toegebrachte steekverwondingen om het leven gekomen. De dood heeft zijn intrede gedaan door bloedverlies en functieverlies van organen dat mogelijk minuten of langer geduurd heeft.

Wie heeft [slachtoffer] om het leven gebracht?

De rechtbank acht bewezen dat verdachte degene is geweest die door voornoemde handelingen [slachtoffer] van het leven heeft beroofd en overweegt daartoe als volgt.

Onder 3.3.1. is reeds uiteengezet dat een grote hoeveelheid bloedsporen in en rond de woning is aangetroffen. Een deel hiervan is bemonsterd voor vergelijkend DNA-onderzoek. Uit dit onderzoek is vast komen te staan dat er bloed van zowel [slachtoffer] als van verdachte is aangetroffen.

Zo zijn er op de onderzijde van de kraan, op de muur tussen de keuken en de slaapkamer, boven het slot aan de binnenzijde van de voordeur van de woning, op de Spuistraat ter hoogte van nummer [nummer] en op de binnenzijde van de woning bloedsporen aangetroffen waaruit enkelvoudige DNA-profielen zijn verkregen. Na onderzoek is gebleken dat deze DNA-profielen overeenkomen met het DNA-profiel van verdachte, steeds met een bewijskracht van meer dan 1 miljard.

Van de bloedsporen op het gas- en rempedaal in de auto van verdachte zijn DNA-mengprofielen verkregen. Onderzoek wees uit dat het zeer veel waarschijnlijker is dat deze DNA-profielen overeenkomen met de DNA-profielen van verdachte en [slachtoffer] dan van een ander/anderen.

Op de wasmachine in de keuken is een met een handpalmafdruk gezet bloedspoor aangetroffen waarvan is gebleken dat het in het spoor aangetroffen DNA-profiel overeenkomt met het DNA-profiel van [slachtoffer] . Over de herkomst van deze handpalmafdruk zal de rechtbank later nader ingaan.

Bloed van verdachte

Verdachte heeft verklaard dat zijn bloed in de woning is aangetroffen omdat hij aan de duim van zijn linkerhand een wond had die, terwijl hij daar was, opnieuw open is gegaan en heftig bloedde. Over het ontstaan van die wond heeft verdachte wisselend verklaard. Hij verklaarde in eerste instantie dat hij zich had gesneden aan het glas van een gebroken aquarium. Later, ook ter terechtzitting, verklaart verdachte dat de wond zou zijn ontstaan doordat hij zich enkele dagen voor de dood van [slachtoffer] had gesneden in zijn woning tijdens het koken. Dat verdachte een wond aan zijn duim heeft gehad en dat deze die nacht opnieuw open is gegaan waardoor het is gaan bloeden, valt op basis van het dossier niet uit te sluiten. De aanwezigheid van zijn bloed in en nabij de woning van [slachtoffer] vormt op zichzelf dan ook geen sluitend bewijs voor zijn betrokkenheid bij haar dood, maar kan wel, in samenhang met ander bewijs, daaraan bijdragen.

Bloed van [slachtoffer]

De aangetroffen bloedsporen van [slachtoffer] die in verband te brengen zijn met verdachte zijn volgens hem het gevolg geweest van een heftige bloedneus die zij zou hebben gehad op het moment dat hij in haar woning was. Zij zou drie à vier keer per week last hebben van een spontane bloedneus, zo ook deze nacht. Verdachte heeft verklaard haar bij het stelpen hiervan te hebben geholpen. Nadat verdachte haar had geholpen, ging [slachtoffer] zich opfrissen en vertrok verdachte naar [woonplaats] . Verdachte zou [slachtoffer] , los van de bloedneus, in goede gezondheid in haar woning hebben achtergelaten. De rechtbank acht de verklaring van verdachte over de bloedneus van [slachtoffer] als uitleg voor de belastende sporen hoogst onwaarschijnlijk en onbetrouwbaar en schuift die terzijde. Daartoe wordt allereerst overwogen dat verdachte deze verklaring pas in een laat stadium (24 juli 2024) heeft afgelegd. Hij beschikte toen al over veel van de onderzoeksresultaten. Verdiepende vragen daarover heeft hij bovendien maar mondjesmaat willen beantwoorden.

Nog belangrijker is dat uit het schouwverslag blijkt dat in of bij de neus van [slachtoffer] geen bloed is aangetroffen en dat in het sectierapport is vermeld dat de neusgaten vrij waren en het neustussenschot intact was. Het aantreffen van bloed en een (beperkte) verstopping in de neusgaten zou voor de hand hebben gelegen wanneer zij kort voor haar overlijden een heftige bloedneus had. Bovendien verklaart een bloedneus nog niet de onder 3.3.1 genoemde in bloed gezette voet- en schoensporen in de woning van [slachtoffer] en het bloed van [slachtoffer] dat is aangetroffen in de auto van verdachte.

Bloed in de auto

Op het gas- en rempedaal van de auto van verdachte zijn mengprofielen aangetroffen van bloedsporen die aan verdachte én aan [slachtoffer] toebehoren. Die mengsporen moeten daar zijn terechtgekomen op het moment dat het bloed van beiden nog vloeibaar was. Door getuigen is gezien dat verdachte bij het verlaten van de woning van [slachtoffer] bloed had op zijn handen, kleren, tas en schoenen. Vanwege de verwonding aan zijn hand zal in elk geval een deel van dit bloed van verdachte zelf afkomstig zijn geweest. Op de pedalen zaten echter ook bloedsporen van [slachtoffer] vermengd met die van verdachte De rechtbank acht bewezen dat die sporen door verdachte vanuit de woning van [slachtoffer] naar zijn auto zijn gebracht. In de woning zijn immers, zoals reeds benoemd, op de vloer bloedsporen gevonden die gezet zijn door iemand met blote voeten of sokken aan en/of schoenen. Deze sporen komen qua afmeting overeen met de schoenmaat van verdachte. Dit bloed is vervolgens via zijn schoenen op de pedalen van de auto terecht gekomen. Verdachte heeft voor de aanwezigheid van de mengsporen in zijn auto geen verklaring kunnen geven. Deze sporen vormen dan ook belastend bewijs voor zijn betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer] . Op de camerabeelden van de straat van verdachte is bovendien te zien dat hij ruim anderhalf uur na zijn vertrek uit Amsterdam zonder schoenen en met een ander shirt aan thuiskomt. De rechtbank acht het feit dat verdachte zich na het verlaten van de woning van [slachtoffer] heeft omgekleed en zijn bebloede kleding en schoenen vervolgens heeft laten verdwijnen eveneens een belangrijke aanwijzing voor zijn betrokkenheid bij haar dood.

Handpalmafdruk

Zoals hiervoor aangegeven, is op de wasmachine van [slachtoffer] een handpalmafdruk aangetroffen die is gezet met bloed van [slachtoffer] . Deze handpalmafdruk is geschikt gebleken voor dactyloscopisch (vinger- en handpalmafdruk) onderzoek. Uit dit onderzoek is gebleken dat de aangetroffen handpalm een zeer grote mate van overeenkomst en geen verschillen van dactyloscopische aard vertoont met de handpalmafdruk van verdachte. Verdachte heeft geen verklaring gegeven hoe deze afdruk daar is gekomen anders dan dat het een gevolg zou kunnen zijn geweest van de eerder genoemde bloedneus van [slachtoffer] . Hiervoor heeft de rechtbank al overwogen dat zij, gelet op de bevindingen van de schouwarts, niet gelooft dat [slachtoffer] kort voor haar overlijden een bloedneus heeft gehad. Daar komt bij, dat gelet op de geconcentreerde hoeveelheid bloed waarin de handpalmafdruk is gezet, de rechtbank het zeer onwaarschijnlijk acht dat dit van een bloedneus afkomstig is geweest. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de handpalmafdruk van verdachte in het bloed van [slachtoffer] niet het bloed van een bloedneus geweest kan zijn.

Al het voorgaande afwegende concludeert de rechtbank dat er die nacht maar één moment is geweest waarop het bloed van [slachtoffer] in haar woning is terechtgekomen, namelijk op het moment dat de snij- en steekletsels bij haar zijn toegebracht. Verdachte was ten tijde van het toebrengen van dit letsel in haar woning aanwezig en het was ook verdachte die hierna door de woning in het bloed van [slachtoffer] heeft gelopen en die op dat moment zijn handpalmafdruk in het nog vloeibare bloed van [slachtoffer] heeft gezet. Daarna heeft verdachte de woning verlaten en is naar zijn woning gereden. Dit verklaart de aanwezigheid van de mengsporen van [slachtoffer] en verdachte in zijn auto. Onderweg heeft hij zich ontdaan van zijn bebloede kleding en schoenen, heeft hij zich omgekleed en is hij op zijn sokken vanuit zijn auto naar zijn woning gelopen. De rechtbank acht daarmee bewezen dat verdachte [slachtoffer] die nacht om het leven heeft gebracht.

Conclusie

De rechtbank stelt vast dat het verdachte is geweest die in de nacht van 3 op 4 mei 2024 [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd door meerdere keren in en op haar lichaam te steken.

Door zijn handelen heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan doodslag. Verdachte zal partieel worden vrijgesproken van moord. Voor een bewezenverklaring van moord en het daar bijhorende bestanddeel voorbedachten rade moet immers komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Naar het oordeel van de rechtbank is daar niet van gebleken.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte op 4 mei 2024 te Amsterdam [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet, meerdere malen met messen, [slachtoffer] in de longen en in de borst gestoken, ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden.

5. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straf

De eis van de officier van justitie

Aan verdachte dient een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren te worden opgelegd met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte moet worden vrijgesproken van het feit

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Aard en ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een gruwelijke daad. Hij heeft [slachtoffer] , de vrouw met wie hij sinds enkele maanden een relatie had, van het leven beroofd. Door haar meerdere malen en op brute wijze in haar eigen woning met kracht in haar lichaam te steken heeft hij [slachtoffer] het meest fundamentele recht, namelijk het recht op leven, ontnomen. [slachtoffer] is hierna mogelijk nog enige tijd in leven geweest. Die laatste fase van haar leven zal [slachtoffer] gevoelens van angst, pijn en stress moeten hebben ervaren.

Aan de nabestaanden heeft verdachte onherstelbaar leed aangedaan. Zij zullen de rest van hun leven bij bijzondere gebeurtenissen maar ook op alledaagse momenten ermee worden geconfronteerd dat hun moeder, dochter, en zus er door toedoen van verdachte niet meer is. Uit de slachtofferverklaringen van de zoon, moeder en broer van [slachtoffer] is wel gebleken hoezeer haar dood in hun leven heeft ingegrepen.

De rechtbank heeft geen inzicht gekregen in het handelen van verdachte, nu hij geen openheid heeft gegeven over de beweegredenen voor zijn daad, over wat zich op 4 mei 2024 precies heeft afgespeeld en hoe de laatste momenten van het leven van [slachtoffer] zijn geweest. Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting over sommige onderdelen wisselende verklaringen afgelegd. Betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer] blijft hij echter ontkennen. De verantwoordelijkheid voor zijn daad neemt verdachte daarmee niet. Dit is voor de nabestaanden van [slachtoffer] extra pijnlijk, omdat zij hierdoor in het ongewis blijven over wat er is gebeurd in de nacht van 3 op 4 mei 2024, terwijl verdachte de enige is die daar helderheid over kan geven.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 17 juli 2024, waaruit blijkt dat verdachte tien jaar geleden is veroordeeld voor een geweldsdelict.

Verdachte is voor een periode van zes weken ter observatie opgenomen geweest in het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC). Door de deskundigen, G. Veen, psychiater, en T. ’t Hoen, GZ-psycholoog, is kortgezegd als volgt gerapporteerd.

Hoewel verdachte formeel volledig heeft meegewerkt aan het onderzoek is het onderzoek in enige mate beperkt door onder andere zijn procespositie en zijn persoonlijkheid in de vorm van een narcistisch gekleurde afweer. Daarnaast heeft verdachte de onderzoekers geen toestemming verleend, ten behoeve van het milieuonderzoek, contact op te nemen met zijn ex-partners.

Verdachte is geneigd om een sociaal wenselijk beeld van zichzelf te schetsen en heeft daarbij weinig zicht geboden op zijn innerlijke belevingswereld, zijn onderliggende drijfveren en motieven.

Er is geen sprake van een psychiatrische stoornis in engere zin, ook zijn er geen aanwijzingen voor een ontwikkelingsstoornis of een autismespectrumstoornis en er is geen aanleiding te concluderen dat sprake is van een persoonlijkheidsstoornis. Wel wordt bij verdachte een narcistisch gekleurde afweer en een vermijdende copingstijl gezien. Hierdoor is er een risico op het opbouwen van onderhuidse spanning.

Geconcludeerd wordt dat er geen aanwijzingen zijn dat er een stoornis in de zin van de DSM-5 bij verdachte is of ten tijde van het ten laste gelegde is geweest. De deskundigen van het PBC onthouden zich dan ook van een uitspraak ten aanzien van de toerekenbaarheid en het recidiverisico. Er is niet geadviseerd tot enige interventie.

Conclusies van de rechtbank

Nu er geen advies van gedragsdeskundigen op dit punt ligt en de rechtbank ook overigens geen aanknopingspunten ziet tot het aannemen van een (sterke) vermindering in de toerekenbaarheid, acht zij verdachte volledig toerekeningsvatbaar.

Gezien de aard en ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een langdurige gevangenisstraf. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de in de maatschappij heersende opinie over de noodzaak van een zwaardere maximum straf voor doodslag. Dit heeft onder andere geleid tot het bij wet van 22 februari 2023 verhoogde strafmaximum voor het plegen van doodslag. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De rechtbank vindt de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren passend en geboden en zal die aan verdachte opleggen.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidsstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

8. Beslag

In het onderzoek zijn de volgende goederen in beslaggenomen:

2. 1 STK Tas (G6497845, Geel, merk: Ikea);3. 1 STK Kabel (PL1300-2024104517-G6497846, Oranje, merk: Electrakabel bebloed);4. 1 STK Scheermes (G6497850);5. 1 STK Handschoen (G6497852, Zwart);6. 1 STK Mes (G6498163, Zwart, merk: Heft (spb1));7. 1 STK Mes (G6498169, Zwart, merk: Heft (spb3));8. 1 STK Mes (G6498170, Lemmet (spb 2));9. 1 STK Mes (G6498176, Lemmet);10. 1 STK Kleding (G6498790, Zwart, merk: Onderbroek);11. 1 STK Kleding (G6498826, Hemd);12. 1 STK Kleding (G6498701, Broek).

Standpunten

De officier van justitie vordert verbeurdverklaring van de goederen 2, 3, 4, 5, 10, 11 en 12 en onttrekking aan het verkeer van de goederen onder 6, 7, 8 en 9.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van het beslag geen standpunt ingenomen.

Het oordeel van de rechtbank

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank zal onderstaande in beslag genomen goederen onttrekken aan het verkeer:

6. 1 STK Mes (G6498163, Zwart, merk: Heft (spb1));

7. 1 STK Mes (G6498169, Zwart, merk: Heft (spb3));

8. 1 STK Mes (G6498170, Lemmet (spb 2));

9. 1 STK Mes (G6498176, Lemmet).

De heften en lemmeten vormden, voordat zij afgebroken waren, twee messen en daarmee is het bewezenverklaarde feit begaan. Om die reden worden deze goederen onttrokken aan het verkeer.

Bewaren voor de rechthebbende

De rechtbank zal ten aanzien van onderstaande goederen de bewaring ten behoeve van de rechthebbende(n) gelasten omdat (nog) niet is gebleken aan wie deze goederen toebehoren en daarmee deze goederen voor verbeurdverklaring niet vatbaar zijn.

2. 1 STK Tas (G6497845, Geel, merk: Ikea);3. 1 STK Kabel (PL1300-2024104517-G6497846, Oranje, merk: Electrakabel bebloed);4. 1 STK Scheermes (G6497850);5. 1 STK Handschoen (G6497852, Zwart);

10. 1 STK Kleding (G6498790, Zwart, merk: Onderbroek);11. 1 STK Kleding (G6498826, Hemd);12. 1 STK Kleding (G6498701, Broek).

9. Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen

De vorderingen

De nabestaanden van [slachtoffer] , [benadeelde partij 1] (de zoon van het slachtoffer), [benadeelde partij 2] (de moeder van het slachtoffer) en [benadeelde partij 3] (de broer van het slachtoffer), hebben zich elk als benadeelde partij in het geding gevoegd. Zij hebben de rechtbank verzocht om toewijzing van hun vordering en deze te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Daarnaast is verzocht de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte op te leggen.

[benadeelde partij 1]

De zoon van het slachtoffer vordert een bedrag van in totaal € 23.477,15 aan schadevergoeding, waarvan € 17.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, te weten affectieschade. Hij vordert daarnaast € 2.037,15 ter vergoeding van materiële schade, te weten:

- kosten woning : € 198,85

- reiskosten : € 1.092,53

- kosten t.b.v. reis juli 2024 : € 417,58

- kosten t.b.v. reis nov. 2025 : € 675,35

- kosten hotel : € 754,77

- kosten t.b.v. juli 2024 : € 470,19

- kosten t.b.v. nov. 2025 : € 275,58

Ten aanzien van het leeghalen van de woning verzoekt hij de rechtbank de vordering ten bedrage van € 3.940,00 niet ontvankelijk te verklaren nu alleen een offerte kan worden overgelegd en deze kosten (nog) niet door hem zijn betaald.

[benadeelde partij 2]

De moeder van het slachtoffer vordert een bedrag van in totaal € 18.000,00 aan schadevergoeding, waarvan € 500,00 ter vergoeding van materiële schadeposten die zien op de uitvaartkosten (grafmonument). Daarnaast vraagt zij € 17.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, te weten affectieschade.

[benadeelde partij 3]

De broer van het slachtoffer vordert een bedrag van in totaal € 16.634,73 aan schadevergoeding, bestaande uit € 15.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, te weten shockschade en € 128,50 ter vergoeding van materiële shockschade. Hij vordert daarnaast € 1.634,73 ter vergoeding van materiële schade, te weten:

- kosten van lijkbezorging : € 1.057,18

- uitvaart : € 880,00

- reiskosten heen : € 66,99

- reiskosten terug : € 110,19

- kosten i.v.m. rechtszaak : € 449,05

- reiskosten : € 142,85

- verblijfskosten : € 306,20

Standpunten

De officier van justitie acht de drie vorderingen tot schadevergoeding voldoende onderbouwd en voor toewijzing vatbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsvrouw bepleit primair tot niet ontvankelijk verklaren van de benadeelde partijen nu verdachte moet worden vrijgesproken.

Subsidiair heeft de verdediging het volgende aangevoerd.

De door [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] gevorderde immateriële schade die ziet op affectieschade is toewijsbaar. De door [benadeelde partij 1] gevorderde materiële kosten die zien op het leeghalen van de woning dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard nu deze kosten nog niet zijn gemaakt. De overige materiële schadeposten van [benadeelde partij 1] te weten de waterschapsbelasting en de reis- en hotelkosten die zijn gemaakt ten behoeve van de afwikkeling van de nalatenschap zijn toewijsbaar. De door [benadeelde partij 2] gevorderde uitvaartkosten zijn niet toewijsbaar. De kosten voor lijkbezorging gevorderd door [benadeelde partij 3] zijn toewijsbaar, de overige door [benadeelde partij 3] gevorderde materiële kosten dienen te worden afgewezen. Zijn gevorderde shockschade is voor € 12.500,00 toewijsbaar. De reis- en hotelkosten die zijn gemaakt ten behoeve van de behandeling van de strafzaak moeten worden aangemerkt als proceskosten en kunnen daarom niet als materiële schade worden aangemerkt. Deze post van [benadeelde partij 1] respectievelijk [benadeelde partij 3] dient te worden afgewezen.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vorderingen

[benadeelde partij 1]

De schade die ziet op de kosten voor het leegmaken van de woning zijn (nog) niet gemaakt en enkel onderbouwd met een offerte. Toekomstige schade komt niet in aanmerking voor vergoeding. De rechtbank zal deze dan ook niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijk rechter aanbrengen.

De materiële schade die is gevorderd en die ziet op de kosten van de woning en de reiskosten die zijn gemaakt ten behoeve van de afwikkeling van de nalatenschap zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en komen niet ongegrond of onrechtmatig voor en zullen worden toegewezen.

De reis- en hotelkosten die zijn gemaakt ten behoeve van de behandeling van de strafzaak zijn ter terechtzitting betwist. Hoewel de rechtbank zeer wel begrijpt dat de benadeelde partij deze kosten als materiële schade heeft gevorderd gelet op de verwevenheid met de zaak stelt de rechtbank vast dat de wet voor toewijzing van dergelijke posten in de zin van materiële schadevergoeding geen ruimte biedt. De rechtbank stelt vast dat deze kosten niet als materiële schade gevorderd kunnen worden nu deze moeten worden aangemerkt als proceskosten. Deze post wordt dan ook afgewezen.

Ten aanzien van de door de zoon van het slachtoffer [slachtoffer] gevorderde vergoeding van affectieschade overweegt de rechtbank als volgt. De kinderen van een door misdrijf overleden persoon komen op grond van artikel 6:108 lid 3 jo lid 4 sub d van het Burgerlijk Wetboek in aanmerking voor vergoeding van affectieschade. De vergoeding ziet op het leed en verdriet dat nabestaanden is aangedaan. De wetgever heeft in het Besluit vergoeding affectieschade (hierna: het Besluit) per categorie nabestaanden vaste bedragen opgenomen. De vordering is ter zitting niet betwist. De hoogte van de gevorderde schadevergoeding is in overeenstemming met het Besluit en zal door de rechtbank worden toegewezen.

Aan [benadeelde partij 1] wordt een bedrag van € 18.586,22 toegewezen. Het toegewezen bedrag bestaat uit immateriële schade (€ 17.500,00) en materiële schade (€ 1.086,22). Ook dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd en de schade is ontstaan, namelijk 4 mei 2024.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige niet-ontvankelijk.

Ten slotte wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

[benadeelde partij 2]

De gevorderde materiële schadevergoeding die ziet op de uitvaartkosten komt de rechtbank niet onaannemelijk of ongegrond voor. Op de zitting is toegelicht dat deze kosten zien op de grafsteen en in contanten zijn betaald, wat in Bulgarije niet ongebruikelijk is. De rechtbank wijst deze schadevergoeding toe.

Ten aanzien van de door de moeder van het slachtoffer [slachtoffer] gevorderde vergoeding van affectieschade overweegt de rechtbank als volgt. Zoals onder 9.3.1. uiteengezet, komen ook de ouders van een door misdrijf overleden persoon op grond van artikel 6:108 lid 3 jo lid 4 sub c van het Burgerlijk Wetboek in aanmerking voor vergoeding van affectieschade. De vergoeding ziet op het leed en verdriet dat nabestaanden is aangedaan. De vordering is ter zitting niet betwist. De hoogte van de gevorderde schadevergoeding is in overeenstemming met het Besluit en zal door de rechtbank worden toegewezen.

De rechtbank concludeert dat het bedrag zoals gevorderd, te weten, een bedrag van € 18.000,00 aan vergoeding van immateriële (€ 17.500,00) en materiële schade (€ 500,00) toewijsbaar is aan [benadeelde partij 2] . Het toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd en de schade is ontstaan, namelijk 4 mei 2024.

Ten slotte dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

[benadeelde partij 3]

De kosten van lijkbezorging, bestaande uit de uitvaartkosten en reiskosten ten behoeve van de afwikkeling van de nalatenschap zijn niet betwist en komen de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen.

De kosten voor de vertaling van medische documenten zijn ter terechtzitting betwist. Hoewel deze kosten strikt genomen niet volledig zijn onderbouwd met stukken acht de rechtbank gelet op de verklaring die ter terechtzitting is gegeven voldoende aannemelijk, niet onrechtmatig of ongegrond en zal dit dan ook toewijzen.

Zoals onder 9.3.1. is overwogen komen de door [benadeelde partij 3] gevorderde reis- en hotelkosten ten behoeve van de behandeling van de strafzaak niet in aanmerking voor vergoeding. De rechtbank wijst dit dan ook af.

Ten aanzien van de gevorderd shockschade overweegt de rechtbank als volgt. Bij shockschade gaat het om schade van de benadeelde partij zelf bij wie door het zien van een ernstige gebeurtenis of vanwege de directe confrontatie van de ernstige gevolgen daarvan, een hevige emotionele schok ontstaat, waardoor diegene geestelijk letsel krijgt. Dat geestelijk letsel zal zich vooral kunnen voordoen als iemand in een nauwe relatie staat met degene die bij het ongeval is gedood of gewond is geraakt.

De broer van [slachtoffer] is bij het moeten leeghalen van de woning veelvuldig geconfronteerd met het bloed in de woning van zijn zus. Daarnaast heeft hij bij het zien van het gehavende lichaam kennis genomen van de vele verwondingen die haar zijn aangedaan. Bij [benadeelde partij 3] is een posttraumatisch stressstoornis (PTSS) vastgesteld en hij heeft een behandeling bij een psycholoog ondergaan.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [benadeelde partij 3] is geconfronteerd met de gruwelijke gevolgen van de doodslag op zijn zus. Deze confrontatie heeft een schok bij hem teweeggebracht waardoor hij een trauma heeft opgelopen. De rechtbank acht het gevorderde bedrag passend en zal dat dan ook toewijzen.

Een bedrag van € 16.185,68 is als schadevergoeding toewijsbaar aan [benadeelde partij 3] . Dit bedrag bestaat uit immateriële shockschade (€ 15.000,00), materiële shockschade (€ 128,50) en materiële schade (€ 1.057,18), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 mei 2024, het moment waarop het strafbare feit is gepleegd en de schade is ontstaan. Het overige bedrag wijst de rechtbank af.

Ten slotte wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Schadevergoedingsmaatregel

In het belang van voornoemde benadeelde partijen wordt, als extra waarborg voor betaling, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

11. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

doodslag

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 16 (zestien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de volgende voorwerpen

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 17.500,00 (zegge: zeventienduizend vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade en € 1.086,22 (zegge: duizend zesentachtig euro en tweeëntwintig eurocent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (4 mei 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt veroordeelde tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt veroordeelde voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt veroordeelde de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat € 18.586,22 (zegge: achttienduizend vijfhonderdzesentachtig euro en tweeëntwintig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (4 mei 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 127 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover veroordeelde aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] geheel toe tot een bedrag van € 17.500,00 (zegge: zeventienduizend vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade en € 500,00 (zegge: vijfhonderd euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (4 mei 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt veroordeelde tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 2] voornoemd.

Veroordeelt veroordeelde voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt veroordeelde de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan de Staat € 18.000,00 (zegge: achttienduizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (4 mei 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 125 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover veroordeelde aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 15.000,00 (zegge: vijftienduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, € 128,50 (zegge: honderdachtentwintig euro en vijftig eurocent en € 1.057,18 (zegge: duizend zevenenvijftig euro en achttien eurocent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (4 mei 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt veroordeelde tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 3] voornoemd.

Wijst de vordering voor het overige af.

Veroordeelt veroordeelde voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt veroordeelde de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 3] aan de Staat € 16.185,68 (zegge: zestienduizend honderdvijfentachtig euro en achtenzestig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (4 mei 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 115 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover veroordeelde aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.E. Degenaar, voorzitter,

mr. B.C. Langendoen en mr. D.G. Bertsch, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.F. Wormhoudt, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 december 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?