RECHTBANK AMSTERDAM
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser/verzoeker
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
Samenvatting
RECTIFICATIE p.5 (27 nov 2025)
Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 25/5773 (vovo) en 25/5780 (beroep)
uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 november 2025 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
en
(gemachtigde: mr. D.R. de Vries).
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers aanvraag voor een tweede parkeervergunning voor bewoners (hierna: bewonersvergunning). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de afwijzing van de aanvraag.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder ten onrechte de aanvraag voor de tweede bewonersvergunning heeft geweigerd. Eiser beschikte op het moment van de aanvraag niet over een stallingsplaats, zoals verweerder hem tegenwerpt. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. De voorzieningenrechter voorziet zelf in de zaak en bepaalt dat verweerder alsnog een tweede bewonersvergunning verleent. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Procesverloop
Eiser heeft op 25 februari 2025 een aanvraag ingediend voor een tweede bewonersvergunning voor het kenteken [kentekennummer] op het adres [adres] in Amsterdam. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 27 februari 2025 afgewezen omdat eiser – kort gezegd – kan beschikken over een stallingsplaats.
Eiser heeft op 17 maart 2025 bezwaar gemaakt tegen dit besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft op 17 juni 2025 dat verzoek toegewezen in de zin dat het college verzoeker tot zes weken na de beslissing op bezwaar behandelt als ware hij in het bezit van een bewonersvergunning voor zijn auto met het kenteken [kentekennummer] .
Op 30 september 2025 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. De bij wijze van voorlopige voorziening toegekende bewonersvergunning wordt door verweerder beëindigd met ingang van 1 december 2025.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter wederom verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiser daartegen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Het adres van eiser is gelegen in deelvergunninggebied [naam gebied] . Niet in geschil is dat in dit gebied per adres maximaal twee bewonersvergunningen kunnen worden verleend. Voorwaarde is dan wel dat de bewoner van dat adres over twee motorvoertuigen beschikt. Ook dat is hier niet in geschil. Eiser beschikt over twee motorvoertuigen (auto’s). Een voor een bewoner op enig moment beschikbare stallingsplaats telt als verleende vergunning. Een vergunning wordt geweigerd als op het woonadres geen vergunning voor verlening beschikbaar is.
Verweerder heeft eiser bij het weigeren van de vergunning tegengeworpen dat hij over een stallingsplaats beschikt. Uit openbare bronnen is gebleken eiser voor het beleidsvoornemen tot invoering van betaald parkeren van 23 september 2023 in de tuin parkeerde. Ook heeft eiser nadien een hekwerk geplaatst. Er heeft in ieder geval geen aard- en nagelvaste verbouwing plaatsgevonden voor de invoering van het beleidsvoornemen. Eiser heeft daarom recht op maar één bewonersvergunning en die is al aan hem verleend.
Eiser heeft – kort gezegd – aangevoerd dat hij niet beschikt over een stallingsplaats. De voortuin heeft hij in het verleden wel eens gebruikt om (kortstondig) te parkeren. In 2020 heeft eiser een beukenhaag geplant en in 2024 heeft hij een hekwerk neergezet. Eiser parkeert altijd op de openbare weg, waar ook voldoende plek is. De tuin is niet bedoeld om te parkeren.
De voorzieningenrechter overweegt dat uit de Parkeerverordening volgt dat onder stallingsplaats wordt verstaan een plaats die juridisch, feitelijk of planologisch is bestemd of bedoeld om motorvoertuigen te stallen, gelegen buiten de openbare weg en niet voor het openbaar verkeer openstaand of toegankelijk of een plaats die aan deze omschrijving voldeed op het moment waarop in een beleidsvoorstel bekend is gemaakt dat betaald parkeren wordt ingevoerd op het adres van degene die over de plaats kon beschikken en na de bekendmaking van het beleidsvoorstel aard- en nagelvast is verbouwd waardoor deze niet meer voldoet aan de hiervoor bedoelde omschrijving.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de voortuin van eiser geen plaats is die juridisch of planologisch bestemd of bedoeld is om motorvoertuigen te stallen. Dat is ook niet in geschil. De vraag die moet worden beantwoord is of de voortuin daar feitelijk voor bestemd of bedoeld is. Daarbij komt naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval meer gewicht toe aan het feitelijke gebruik van de voortuin dan aan de inrichting van de tuin. Anders gezegd, het feit dat de voortuin van eiser betegeld is waardoor er een auto zou kunnen staan, is minder van belang. Dit zou bijvoorbeeld anders zijn als er duidelijk sprake is van een oprit, wat hier niet zo is. Verweerder heeft vier foto’s (van Google streetview) overgelegd over de periode augustus 2016 tot juli 2018 waaruit blijkt dat op die momenten in de voortuin van eiser een auto staat geparkeerd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan op basis van die foto’s worden gesteld dat in die periode de voortuin feitelijk bedoeld was om een motorvoertuig te stallen, aangezien de voortuin daarvoor door eiser als zodanig werd gebruikt. Eiser heeft dat ook niet betwist en op de zitting verklaard dat hij in die periode af en toe in de voortuin heeft geparkeerd vanwege de gezinssituatie met destijds kleine kinderen.
In september 2023 heeft verweerder het beleidsvoornemen tot invoering van betaald parkeren genomen. De vraag die beantwoord moet worden, is of de voortuin van eiser ook op dat moment nog feitelijk bestemd of bedoeld was om motorvoertuigen te stallen. De voorzieningenrechter stelt vast dat de feitelijke inrichting van de voortuin nagenoeg hetzelfde is gebleven, enkel is de buxushaag vervangen door een beukenhaag. Er is echter sprake van een ruim tijdsverloop tussen de laatste constatering dat de voortuin feitelijk werd gebruikt als parkeerplaats en het beleidsvoornemen tot invoering van betaald parkeren. Niet is gebleken dat eiser in de tussenliggende periode de voortuin ook nog gebruikte als parkeerplek. Onder die omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder bij de afwijzing van de aanvraag eiser niet had mogen tegenwerpen dat hij beschikt over een stallingsplaats. Dat was immers feitelijk niet (langer) het geval. Deze beroepsgrond slaagt. De overige beroepsgronden hoeven daarom geen bespreking meer.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit.
5. De voorzieningenrechter neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en bepaalt dat verweerder aan eiser een tweede bewonersvergunning verleent (deelvergunninggebied [naam gebied] ). De bewonersvergunning geldt gedurende maximaal zes maanden, met dien verstande dat de geldigheidsduur telkens stilzwijgend met zes kalendermaanden wordt verlengd zolang de vergunninghouder voldoet aan artikel 3.2. van de Parkeerverordening. Omdat het beroep gegrond is en de voorzieningenrechter zelf een beslissing neemt, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
6. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een tweede bewonersvergunning verleent (deelvergunninggebied [naam gebied] ) en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- € 388,- (2x € 194,-) aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.