RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugdzaken
locatie Amsterdam
zaaknummer / rekestnummer: C/13/741746 / FA RK 23/7345
Beschikking van 6 november 2025
in de zaak van:
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de moeder,
advocaat mr. E.A. van Velthoven, kantoorhoudende te Amsterdam,
tegen
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vader,
advocaat mr. J.D. Bakker, kantoorhoudende te Den Haag,
betreffende het minderjarige kind van partijen:
- [minderjarige 1] , (hierna [minderjarige 1] ),
geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats] .
De ouders zijn eveneens ouders van de minderjarige [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden gezamenlijk de minderjarigen/de kinderen genoemd.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,regio Amsterdam,locatie [locatie] ,hierna te noemen: de Raad.
1. Het (verdere) verloop van de procedure
De rechtbank houdt rekening met de beschikking van 20 december 2024, waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. Bij voornoemde beschikking is onder meer:
- de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;
- bepaald dat [minderjarige 1] hoofdverblijf zal hebben bij de vader en [minderjarige 2] bij de moeder;
- een zorgregeling voor [minderjarige 2] vastgesteld;
- een -wederzijdse- kinderbijdrage vastgesteld alsmede een partnerbijdrage, te betalen door de vader aan de moeder;
- beslist op de echtscheidings- verdelingszaak en de procedure met betrekking tot de voorlopige voorziening (C/13/752662 / FA RK 24-4095 (verdeling) en C/13/751812 / FA RK 24-3719 (voorlopige voorziening)
- de vaststelling van een zorgregeling voor [minderjarige 1] -inclusief een verdeling van de vakanties en feestdagen- pro forma aangehouden in afwachting van de uitkomst van een door de rechtbank gelast raadsonderzoek.
De rechtbank heeft acht geslagen op nadien ingekomen stukken waaronder:
- een brief van de Raad van 4 juli 2025 aan de rechtbank met verzoek de zaak opnieuw op een zitting te plannen;
- een brief van de Raad van 29 augustus 2025 waarbij de rechtbank wordt geïnformeerd over een door de vader ingediende klacht tegen de Raad;
De voortgezette mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2025.
Bij die gelegenheid zijn verschenen:
de moeder bijgestaan door haar advocaat mr. S.A. Raalte, optredend namens haar kantoorgenoot mr. Van Velthoven voornoemd;
de vader bijgestaan door zijn advocaat;
mw. [naam 1] namens de Raad.
2. De standpunten
De Raad heeft in haar brief van 4 juli 2025 haar zorgen geuit omtrent zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] . De Raad geeft aan dat gezien de houding van vader, de weigering om in gesprek te gaan in het omgangsonderzoek én de weigering om mee te werken aan het kinderbschermingsonderzoek én het frustreren van het verstrekken van de gegevens voor het spreken van [minderjarige 1] , maakt dat de Raad de vraag die de rechtbank aan de Raad stelt, niet gedegen zal kunnen beantwoorden. De Raad heeft om die reden verzocht de zaak opnieuw op zitting te plannen om te bespreken op welke wijze de Raad zijn werk uit kan voeren en de rechtbank van een goed advies kan voorzien.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Raad verklaard dat het onvoldoende lukt om het onderzoek zo vorm te geven zoals de Raad dat noodzakelijk acht om de rechtbank goed te kunnen adviseren. De Raad geeft aan dat er over de manier waarop de Raad onderzoek zal doen is te spreken, maar dat de regie bij de Raad moet liggen. De vader heeft aangegeven dat hij wel schriftelijk mee wil werken aan het Raadsonderzoek betreffende [minderjarige 1] . De Raad is zeker bereid om een gesprek in te plannen met de vader over de wijze waarop de communicatie tussen de Raad en de vader vorm gegeven kan worden.
De uitkomst van het Raadsrapport zal de bestaande problemen niet oplossen. De Raad kan meedenken en adviseren maar uiteindelijk zijn het de ouders die stappen moeten gaan zetten. Kinderberhartiger [naam 2] heeft aan partijen in dit kader geadviseerd om systeemtherapie bij Arkin te gaan volgen. De Raad is het eens met dit advies.
De vader heeft zijn standpunt op schrift gesteld, voorgelezen en aan de rechtbank overgelegd. De vader heeft aangegeven dat hij het van groot belang vindt dat het contact tussen [minderjarige 1] en de moeder wordt hersteld. Ook vind het van belang dat de Raad onderzoek doet op welke wijze dit contact kan worden hersteld.
De vader brengt naar voren dat hij altijd heeft meegewerkt aan het Raadsonderzoek en dit ook zal blijven doen. De wijze waarop dit onderzoek tot nu toe is verlopen is niet altijd even goed gegaan. De vader voert zeker geen strijd met de Raad, maar de Raad en het Sociaal Team hebben grote steken laten vallen, zij werken niet de-escalerend of oplossingsgericht. De klacht die de vader heeft ingediend tegen hen is ontvankelijk verklaard.
De vader staat open voor een fysiek gesprek met de Raad op de toekomstige werkwijze met elkaar te bespreken. De vader wil dat het contact tussen de moeder en [minderjarige 1] wordt hersteld. Hij ziet dat [minderjarige 1] steeds meer de vrijheid en de behoefte voelt om contact met de moeder te hebben. Het is daarbij belangrijk, gelet op de kindproblematiek, dat zij zelf de regie kan behouden. [minderjarige 1] kan ook zelfstandig afspraken met de Raad maken. Daarbij is het fijn als [minderjarige 1] de gelegenheid krijgt om zich voor te bereiden op een gesprek met de Raad en iet wordt overvallen door een telefoongesprek.
Het Sociaal Team heeft nooit een verklarende analyse en een advies willen geven. Ook [naam 2] heeft dat niet gedaan. Opmerkingen van haar worden tot advies verheven. Daar heeft de vader moeite mee.
Voor vader staat het belang van [minderjarige 1] voorop. Als zowel de Raad als [naam 2] adviseren dat het in het belang van partijen is dat partijen systeemtherapie bij Arkin zullen gaan volgen, dan doet vader daar aan mee mits daar geen financiële consequenties aan zijn verbonden. Ook staat de vader open voor het verbeteren van de samenwerking met de Raad, maar hij weet niet wat er van hem wordt verwacht. Een gesprek met de Raad daarover gaat de vader graag aan.
De moeder heeft haar standpunt op schrift gesteld en voorgelezen, waarna zij dit aan de rechtbank heeft overgelegd. [minderjarige 1] zet voorzichtig stapjes en is inmiddels twee keer bij de moeder thuis geweest om [minderjarige 2] te zien. De moeder was hierbij niet aanwezig. Er is nauwelijks normaal contact met [minderjarige 1] . Er is veel gebeurd en er zijn dingen gezegd door de vader, ook tegen de kindbehartiger [naam 2] , wat veel strijd heeft opgeleverd. In het traject bij [naam 2] zijn zeker stappen gezet. De moeder wil graag systeemtherapie bij Arkin aangaan, maar is bang dat dit traject ook niet wordt afgemaakt door de vader en er door hem weer klachten zullen worden ingediend.
3. De beoordeling
De rechtbank merkt op dat het goed is om vast te stellen dat zowel de vader, de moeder als de Raad het van belang vinden dat het contact tussen [minderjarige 1] en de moeder wordt hersteld. Ook is het goed om vast te stellen dat beide partijen graag hun medewerking verlenen aan het Raadsonderzoek. De rechtbank stelt evenwel vast dat om verschillende redenen de samenwerking tussen de Raad en de vader op dit moment niet goed verloopt. Hier dient verandering in te komen. Ook daar is iedereen het over eens.
Om het contact tussen [minderjarige 1] en de moeder te kunnen herstellen zullen partijen zelf stappen moeten gaan maken. De rechtbank stelt vast dat beide partijen tijdens de mondelinge behandeling hebben aangegeven open te staan voor het volgen van systeemtherapie bij Arkin. Dit traject wordt zowel door de Raad als de kinderbehartiger geadviseerd. De rechtbank vindt dit een goede stap. Bij de mondelinge behandeling is afgesproken dat de advocaten van partijen de rechtbank binnen een week zullen berichten of de aanmelding bij Arkin tot stand is gekomen. Mocht dit niet tot stand komen, zal de Raad het verzoek van de rechtbank tot onderzoek verder oppakken.
De rechtbank heeft op 20 oktober 2025 van de vader en op 21 oktober 2025 van de zijde van de moeder bericht ontvangen over de aanmelding. De rechtbank gaat ervan uit dat beide partijen de verdere benodigde medewerking voor het opstarten van dit traject onverkort zullen verlenen.
Gelet hierop zal de rechtbank de zaak pro forma aanhouden tot 23 februari 2026 in afwachting van het verloop van het traject bij Arkin. Gedurende het traject bij Arkin, is het uitgangspunt dat de Raad zich op de achtergrond zal houden, zodat partijen (en [minderjarige 1] ) zich volledig kunnen richten op het traject bij Arkin. Dit is zo ook op zitting met de Raad besproken. Als blijkt dat dit traject stagneert of niet wordt afgerond, is het aan de Raad om het verzochte Raadsonderzoek voortvarend op te pakken.
Bij de mondelinge behandeling is daarnaast besproken dat de Raad op korte termijn contact zal opnemen met de vader om alvast werkafspraken met de vader te maken. De Raad en de vader dienen met elkaar in gesprek te gaan wat de verwachtingen en wensen over en weer zijn en op welke wijze zij daar samen het best uitvoering aan kunnen gaan geven. De communicatie dient helder te zijn en het is belangrijk dat het voor de vader duidelijk wordt wat er van hem wordt verwacht en wat er mogelijk is. Het belang van [minderjarige 1] dient hierbij voorop te staan.
4. De beslissing
De rechtbank:
- bepaalt dat de behandeling van de zaak pro forma wordt aangehouden tot 23 februari 2026. Partijen wordt verzocht om twee weken voor de pro forma datum de rechtbank schriftelijk te informeren over het verloop van het traject bij Arkin en de voortgang van het Raadsonderzoek.