RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel
zaaknummer / rolnummer: C/13/768503 / KG ZA 25-327 EAM/JT
Vonnis in kort geding van 25 juni 2025
in de zaak van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HASKONING NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amersfoort,hierna te noemen: HN,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,hierna te noemen: [eiser 2] ,
eiseressen bij dagvaarding van 2 mei 2025,hierna gezamenlijk te noemen: de Combinatie,
advocaat mr. L.C. van den Berg te Den Haag,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SCHIPHOL NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer,
gedaagde,hierna te noemen: Schiphol,
advocaten mr. M.B. Klijn en mr. O. de Wit te Rotterdam.
1. De procedure
Tijdens de mondelinge behandeling op 4 juni 2025 heeft de Combinatie de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht en op een onderdeel nader gepreciseerd. Schiphol heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties en een pleitnota ingediend. Vonnis is bepaald op 18 juni 2025.
Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:
- aan de kant van de Combinatie: [naam 1] (director business unit bij HN) en [naam 2] (architect en partner bij [eiser 2] ) met mr. Van den Berg;
- aan de kant van Schiphol: [naam 3] (legal counsel) en [naam 4] (legal counsel) met mr. Klijn en mr. De Wit.1.3. Op 18 juni 2025 is aan partijen bericht dat dit vonnis een week later, op 25 juni 2025 zal, worden gewezen.
2. De feiten
Schiphol heeft een Europese niet-openbare aanbestedingsprocedure (zoals bedoeld in artikel 3.34 Aanbestedingswet 2012 (hierna: Aw 2012)) voor diensten georganiseerd onder de titel ‘Lead-architect, Architecten en Airport Consultant’. Schiphol is de aanbestedingsprocedure gestart met haar aankondiging van 6 december 2024 en de publicatie van haar selectieleidraad van 4 december 2024 (hierna: de selectieleidraad). In de selectieleidraad is het Aanbestedingsreglement Nutssectoren 2016 (ARN2016) van toepassing verklaard. De procedure verloopt in twee fases: (i) de selectiefase en (ii) de inschrijvings- en gunningsfase.
Het doel van deze aanbesteding is adviseurs te contracteren die Schiphol terzijde kunnen staan bij de uitvoering van een grootschalig investeringsprogramma, dat zich richt op het verbeteren van de infrastructuur, de arbeidsomstandigheden en de dienstverlening aan passagiers en luchtvaartmaatschappijen.
Het gaat meer specifiek om de selectie van: (i) één lead architect die zal worden ingezet om een overkoepelende architectonische ontwerpvisie voor Schiphol te ontwikkelen en deze vervolgens te borgen binnen de op handen zijnde projecten; (ii) vier architecten die gebiedsplannen zullen maken en alle projecten ontwerpen die zijn gelegen binnen de terminal en de vrij toegankelijke passagiersgebieden; en (iii) één airport consultant die daarbij advies op het gebied van luchthaven-specifieke zaken geeft.
Voor ieder van die rollen heeft Schiphol een apart perceel gecreëerd. De in totaal zes percelen zien er schematisch als volgt uit:
In de selectieleidraad staat voor zover hier van belang het volgende:“1. De Opdracht (…) 1.5. Vorm en duur van de Opdracht
Opdrachtgever heeft de intentie om voor elk afzonderlijk Perceel één marktpartij te contracteren voor het uitvoeren van de werkzaamheden/dienstverlening die onderdeel uitmaken van dat specifieke Perceel. Een Gegadigde kan voor meerdere Percelen inschrijven en in aanmerking komen om gegund te krijgen. De Overeenkomst van elk afzonderlijk Perceel heeft een looptijd van 5 jaar en gaat in beginsel in op 1 september 2025. Naast de vaste looptijd voorziet de Overeenkomst in de mogelijkheid de Overeenkomst optioneel te verlengen een periode van 5 jaar. (…) 3. Beoordelingsprocedure Aanmeldingen (…) 3.1. Tijdigheid, volledigheid en voldoen aan vereisten
Ten eerste wordt de Aanmelding beoordeeld op tijdigheid, volledigheid en het voldoen aan de vereisten.
Indien een Aanmelding niet volledig is (zoals ontbreken van verklaringen of bescheiden), na de sluitingsdatum is ingediend of indien een Aanmelding niet aan de vereisten voldoet, kan dat leiden tot uitsluiting. 3.2. Uitsluitingsgronden
Ten tweede toetst Aanbesteder de Aanmeldingen op de gestelde Uitsluitingsgronden. Indien een Uitsluitingsgrond op een Gegadigde van toepassing is, leidt dit in beginsel tot uitsluiting. 3.3. Minimum Geschiktheidseisen
Ten derde wordt beoordeeld of aan de Minimum Geschiktheidseisen is voldaan. Indien een Gegadigde niet aan één of meerdere van de Minimum Geschiktheidseisen voldoet, kan Aanbesteder overgaan tot het terzijde leggen van de Aanmelding. 3.4. Selectiecriteria
Indien na het beoordelen van de Minimum Geschiktheidseisen meer dan vijf Gegadigden per Perceel resteren, zal het aantal door beoordeling op de Selectiecriteria tot dit aantal worden teruggebracht. Gegadigden met het hoogste aantal punten - zie voor toekenning punten Hoofdstuk 6 - komen in aanmerking voor het indienen van een Inschrijving. (…) (…) 5. Minimum Geschiktheidseisen (…) Tabel 2 geeft een overzicht van de Minimum Geschiktheidseisen en kerncompetenties (verder ook te noemen K1, K2, etc.) die per perceel van toepassing zijn (grijs gearceerd: van toepassing; wit: niet van toepassing). (…) 5.2. MG2 Kerncompetenties/Referenties
Gegadigde dient technisch en organisatorisch in staat te zijn de Opdracht uit te voeren binnen de door Aanbesteder te stellen randvoorwaarden ten aanzien van tijd, kwaliteit en kosten. Gegadigde dient aan de hand van (een) volledig ingevulde en rechtsgeldig ondertekende Standaardformulier 'Opgave Kerncompetentie/Referentie' aan te tonen over de Kerncompetenties te beschikken die Aanbesteder noodzakelijk acht voor het op een goede wijze kunnen uitvoeren van de Opdracht. Hiertoe kan Gegadigde verwijzen naar competenties die zij heeft opgedaan bij de uitvoering van Opdrachten die Gegadigde niet langer dan acht (8) jaar geleden, gerekend vanaf de sluitingsdatum voor Aanmelding, tijdig heeft afgerond, verleend uitstel daaronder begrepen. (…) Per Kerncompetentie mag maximaal één referentieproject of referentiecontract worden ingediend. Een referentieproject of referentiecontract kan worden gebruikt om meerdere kerncompetenties aan te tonen. Gegadigde levert alle aangehaalde Referenties aan. Aanbesteder behoudt zich het recht voor de juistheid van de Referentie te controleren door contact op te nemen met de contactpersoon van de referentieorganisaties. In geval van Aanmelding als een Combinatie of met inzet van Derden (onderaannemers), dienen de leden van het Combinatie of hoofd- en onderaannemers gezamenlijk aan te tonen dat Gegadigde aan bovenstaande eisen voldoet. Uw antwoord op de Kerncompetenties (K1 t/m K7) dient te worden aangeleverd als één PDF-document. Dit document dient, per Kerncompetentie en per referentieproject, opgebouwd te worden als volgt: • eerste deel: Ten aanzien van het kunnen beoordelen op de Kerncompetenties als benoemd in de
Selectieleidraad, dient de tabel volledig en naar waarheid te worden ingevuld en aangevuld. (…)
Dit document dient volledig ingevuld te worden en bevat de belangrijkste kenmerken van het referentieproject. • tweede deel: Dit betreft de nadere uitwerking van de Kerncompetenties. Dit deel mag maximaal
vier (4) A4-pagina’s beslaan (…) Per Kerncompetentie wordt een referentieproject door Gegadigde verstrekt. (…) Kerncompetentie K1: Ontwerpen van een gebouw waarin de gebruiker centraal staat
Gegadigde heeft ervaring met het vervaardigen van een architectonisch ontwerp waarbij de gebruiker centraal staat.
Het referentieproject moet aan de volgende voorwaarden voldoen: (…)”
In het door gegadigden in te vullen Standaardformulier Opgave Kerncompetentie/Referentie (hierna: het standaardformulier) is door Schiphol gevraagd aan gegadigden om bij de aanmelding een ‘opdrachtgeversverklaring’ te voegen. Naar aanleiding van een daarover gestelde vraag heeft Schiphol in de Nota van Inlichtingen Perceel 2a het volgende geantwoord:“In de Selectieleidraad wordt verwezen naar het invullen van het opgave Kerncompetentie-referentie formulier. Een onderdeel van dit formulier is de opdrachtgeversverklaring. Er wordt verwacht van de Gegadigden dat zij een opdrachtgeversverklaring toevoegen bij alle referentieprojecten die de Gegadigde aanhaalt bij MG2. Een opdrachtgeversverklaring is een document waarin de opdrachtgever bevestigt dat de werkzaamheden door Gegadigde zijn uitgevoerd.”
In het kader van de selectiefase hebben twee inlichtingenrondes plaatsgevonden. Vervolgens moesten gegadigden zich uiterlijk op 12 februari 2025 aanmelden.
De Combinatie heeft zich als gegadigde aangemeld voor percelen 2a t/m 2d en perceel 3 en daartoe een verzoek tot deelname ingediend. In totaal heeft Schiphol voor alle zes percelen samen 124 verzoeken tot deelname ontvangen. De Combinatie is geselecteerd om voor perceel 3 een inschrijving te mogen doen.
Voor wat betreft percelen 2a, 2b, 2c en 2d heeft de Combinatie met betrekking tot Kerncompetentie K1 een identiek standaardformulier, gedateerd 11 februari 2025, ingediend waarin een opdracht is beschreven voor het ontwerp van een treinstation (inclusief metro en tramstations) in de Tsjechische stad [plaats] , waarbij Správa železnic (de Tsjechische Nationale Spoorwegen; hierna ook: SZ) de opdrachtgever is. Onder het kopje Projectgegevens in het standaardformulier is door de Combinatie voor zover hier van belang het volgende ingevuld:
Om privacy-redenen is de afbeelding verwijderd.
Bij de standaardformulieren heeft de Combinatie een op 5 februari 2025 door de directeur van SZ ondertekende opdrachtgeversverklaring gevoegd in de vorm van een “statement of satisfaction”. Daarin verklaart SZ – kort gezegd – dat zij een opdracht heeft verstrekt aan [bedrijf 1] B.V. (hierna ook: [bedrijf 1] ) voor ontwerpwerkzaamheden ten behoeve van het treinstation in [plaats] en dat [bedrijf 1] die werkzaamheden naar tevredenheid heeft uitgevoerd.
Bij brief van 26 februari 2025 heeft Schiphol het volgende aan de Combinatie geschreven:“Wij hebben uw Aanmelding in het kader van de aanbesteding 2024-135 Lead-Architect, Architecten & Airport Consultant in goede orde ontvangen. Na de eerste toets van de uitsluitingsgronden en de beoordeling van de Minimale geschiktheidseisen zijn enkele onduidelijkheden geconstateerd in de door u ingediende documenten. Wij verzoeken u om voor uiterlijk Maandag 3 maart 2025 (…) onderstaande vragen te beantwoorden dan wel documenten toe te sturen.
Bij Minimum Geschiktheidseisen 2, Kerncompetentie 1 wordt in de opdrachtgeversverklaring verwezen naar [bedrijf 2] B.V. Hoe verhoudt [bedrijf 2] B.V. zich tot [eiser 2] B.V. (…)”
Bij brief van 2 maart 2025 heeft de Combinatie die vraag als volgt aan Schiphol beantwoord:“(…) [bedrijf 1] B.V. is in dit referentieproject de werkmaatschappij binnen onze 'groep' die het contract heeft gesloten. [bedrijf 1] B.V. gebruiken wij voor projecten buiten Nederland (Dit doen we om risico's te spreiden en verzekeringen gescheiden te kunnen houden.) [bedrijf 1] B.V. is een entiteit zonder personeel. De werkzaamheden worden echter feitelijk, zoals bij al onze projecten, uitgevoerd door [eiser 2] B.V. Al onze medewerkers zijn in dienst bij deze B.V.
In het bijgevoegde organogram kunt u zien hoe de vennootschapsstructuur is en hoe de drie vennootschappen zich tot elkaar verhouden. Het vetgedrukte [eiser 2] B.V. levert binnen onze structuur steeds het team dat de werkzaamheden doet/uitvoert en beschikt dus feitelijk over de voor een project noodzakelijke kennis en ervaring (technische- en beroepsbekwaamheid), steeds onder verantwoordelijkheid van dezelfde vier bestuurders. Dit betekent dus dat als wij verwijzen naar een referentiewerk van - in dit geval - [bedrijf 1] B.V. dit er feitelijk op neerkomt dat wij een beroep doen op de ervaring van [eiser 2] B.V. (dus in het kader van deze aanbesteding: op ons zelf).
Vanwege deze bedrijfsstructuur en onze gebruikelijke werkwijze hebben wij het betreffende referentieproject op deze wijze ingediend.
Wij zijn uiteraard graag tot een nadere toelichting of beantwoording van vragen bereid. (…)”
Bij (gelijkluidende) brieven van 4 april 2025 heeft Schiphol met betrekking tot percelen 2a, 2b, 2c en 2d het volgende aan de Combinatie geschreven: “(…) Helaas voldoet uw Aanmelding niet aan de gestelde vereisten en is uw Aanmelding terzijde gelegd. De motivatie voor deze beslissing lichten wij als volgt toe.
Bij Minimum Geschiktheidseis 2 'MG2 Kerncompetenties/Referenties', wordt in de opdrachtgeversverklaring voor Kerncompetentie 1 verwezen naar [bedrijf 2] B.V. In onze verificatievraag (…) hebben wij u gevraagd om de relatietussen [bedrijf 2] B.V. en [eiser 2] B.V. toe te lichten. Uit uw antwoord op deze vraag (bericht in Mercell op 2 maart 2025) blijkt dat u ten aanzien van Kerncompetentie 1 een beroep doet op een groepsvennootschap - [bedrijf 2] B.V., met andere woorden dat u beroep doet op een derde. Volgens de selectieleidraad (paragraaf 2.7.2. Inschakeling Derde(n) (hoofd- en onderaanneming) geldt dat voor Derden waar een beroep op wordt gedaan om te voldoen aan de geschiktheidseis, Gegadigde deze Derden moet vermelden in deel II C van het UEA. Zoals aangegeven in het UEA moet deze Derde zelf een ingevuld UEA indienen bij de
Aanmelding van de Gegadigde. Zoals ook aangegeven in deel II C van het UEA, hoeft deze Derde alleen deel II A, II B en deel III van het UEA in te vullen. Hiermee voldoet u niet aan Minimum Geschiktheidseis 2 'MG2 Kerncompetenties/Referenties'. Volgens de selectieleidraad (paragraaf 4.4 Gedragsverklaring aanbesteden) had ook de GVA van Derden waarop Gegadigde zich (financieel en / of technisch) beroept verstrekt moeten worden. Ook aan die eis heeft u niet voldaan. Als u het niet eens bent met dit besluit, dan kunt u binnen vijf (5) dagen na dagtekening van deze brief schriftelijk bezwaar maken bij ondergetekende (…) Indien u de beslissing middels een kort geding aanhangig wenst te maken dan heeft u daarna nog een periode van tien (10) dagen conform artikel 13.5 van het ARN 2016. (…)”
Bij brief van 9 april 2025 (met bijgevoegde opdrachtgeversverklaring van [bedrijf 1] ) gericht aan Schiphol heeft de Combinatie bezwaar gemaakt tegen de terzijdelegging. In die brief staat voor zover hier van belang het volgende:(…)Voor de genoemde percelen (steeds afzonderlijk) hebben wij het door u opgestelde standaardformulier ‘Opgave kerncompetentie/referentie’ ingevuld en ondertekend. Wij hebben daarbij verwezen naar het project dat wij in Tsjechië ( [plaats] ) hebben verricht. Dat project betreft het ontwerp van een nieuw treinstation voor de stad [plaats] . In de verklaring is aangegeven dat [eiser 2] de hoofdontwerper/architect van dit project is. Het project voldoet aan alle voor de kerncompetentie gestelde eisen.In de Selectieleidraad is ten aanzien van de Minimum Geschiktheidseisen onder meer het volgende bepaald:5.2. MG Kerncompetenties/Referenties (…) Aan dit vereiste is door ons voldaan met de volledig ingevulde en ondertekende ‘opgave kerncompetentie’. In die verklaring is aangegeven dat de relevante ervaring berust bij [eiser 2] BV. Zoals door ons is toegelicht in het kader van de verduidelijkingsvraag is dat ook de realiteit. Het referentiewerk is (in onderaanneming van [bedrijf 1] BV) materieel volledig uitgevoerd door [eiser 2] B.V.Daaraan doet niet af dat de referentie-opdracht in [plaats] in hoofdaanneming is aangenomen door [bedrijf 1] B.V. Wij hebben u toegelicht dat deze vennootschap geen personeel in dienst heeft. Dit is objectief verifieerbaar in het Handelsregister:(…)Zoals de doelomschrijving van deze vennootschap al aangeeft, voert [bedrijf 1] BV haar werkzaamheden ‘al dan niet in samenwerking met derden’ uit. Wij hebben u in het kader van de gevraagde verduidelijking al aangegeven dat in de praktijk geen werkzaamheden door [bedrijf 1] BV worden verricht maar alle werkzaamheden worden doorgelegd naar [eiser 2] BV.
Zou [bedrijf 1] BV met het referentieproject [plaats] hebben ingeschreven op de
onderhavige opdracht, dan zou zij dat niet hebben kunnen doen zonder daarbij haar onderaannemer [eiser 2] BV, omdat daar nu eenmaal alle ervaring is opgedaan (en berust).
Anders dan u stelt, doen wij dan ook geen beroep op de kennis en kunde van de groepsvennootschap [bedrijf 1] BV maar doen wij een beroep op onze eigen ervaring, opgedaan op het opgevoerde referentiewerk.
In dat kader wijzen wij u er nog op dat in de Selectieleidraad niet de eis is gesteld dat de kerncompetentie als hoofdaannemer of hoofdopdrachtgever moet zijn verricht. Vereist is slechts dat de gevraagde ervaring daadwerkelijk is opgedaan. (…) (…) Ten bewijze dat de werkzaamheden van [eiser 2] BV tot tevredenheid van haar
opdrachtgever [bedrijf 1] BV zijn uitgevoerd, zenden wij u hierbij nog een
opdrachtgeversverklaring van die laatste vennootschap mee (bijlage). Daarin wordt bevestigd dat [eiser 2] BV het referentiewerk in onderaanneming van [bedrijf 1] BV heeft uitgevoerd. Volledigheidshalve vermelden wij u dat dit geen wijziging van onze aanmelding inhoudt nu wij met de ondertekende Opgave kerncompetentie al hebben aangetoond over de vereiste ervaring te beschikken. (…) Op grond van al het voorgaande menen wij dat de uitsluiting van onze aanmelding onterecht is. Daarnaast wijzen wij u er nog op dat onze aanmelding hoe dan ook voldoet aan de door u gestelde eisen. Naast het project [plaats] hebben wij in het kader van kerncompetentie K2 de referentie Herinrichting Terminal 1 opgevoerd. Die referentie is uitgevoerd voor Schiphol zelf. Die referentie voldoet ook aan alle eisen die voor kerncompetentie K1 zijn gesteld. Dat is door Schiphol zelf ook getoetst en bevestigd nu hetzelfde referentiewerk voor de gelijkluidende kerncompetentie K1 van perceel 3 is opgevoerd en akkoord is bevonden. In de Selectieleidraad is opgenomen dat één referentieproject voor meerdere kerncompetenties mag worden opgevoerd. Het zou dus zonder meer toegestaan zijn deze referentie ook voor Kerncompetentie 1 te gebruiken. Aldus voldoen wij zonder meer aan de door u gestelde minimumeisen. (…) (…) Daarbij wijzen wij er nog op dat de Selectieleidraad ook niet uitgaat van een automatische uitsluiting indien niet aan alle Minimum Geschiktheidseisen wordt voldaan: (…) Deze bevoegdheid tot terzijdelegging dient te worden uitgeoefend met inachtneming van het
zorgvuldigheidsbeginsel en met inachtneming van het proportionaliteitsbeginsel. (…) (…) Op deze gronden maken wij bezwaar tegen de terzijdelegging van onze aanmelding. Wij verzoeken u deze ongedaan te maken en om ons alsnog toe te laten tot de verdere aanbestedingsprocedure. (…)”
Bij brief van 22 april 2025 gericht aan de Combinatie heeft Schiphol (aangeduid als SNBV) haar zienswijze op het bezwaar meegedeeld. In die brief staat voor zover hier van belang het volgende:“(…)SNBV heeft uw bezwaar beoordeeld om na te gaan of dit aanleiding geeft tot toelating van uw Aanmelding en derhalve een herziening van het voorgenomen selectieresultaat. SNBV is tot de conclusie gekomen dat zij daartoe niet zal overgaan. (…)(…) Bij uw Aanmelding heeft u voor Kerncompetentie 1 een opdrachtgeversverklaring van Správa železnic voor het project [plaats] toegevoegd. In deze opdrachtgeversverklaring is [bedrijf 1] B.V. opgevoerd als contractant. De in de verklaring opgenomen evaluatie bevestigt tevens dat [bedrijf 1] B.V. de activiteiten heeft uitgevoerd ten behoeve van het project [plaats] . SNBV heeft daaruit opgemaakt dat u voor deze Kerncompetentie een beroep heeft willen doen op de draagkracht van [bedrijf 1] B.V.In de Selectieleidraad is in paragraaf 2.7.2 opgenomen dat in het geval een Gegadigde een beroep wil doen op een Derde om te voldoen aan een geschiktheidseis, Gegadigde deze Derde moet vermelden in deel II C van het UEA en deze Derde zelf een ingevuld UEA moet indienen bij Aanmelding van de Gegadigde. Bij uw Aanmelding heeft u echter [bedrijf 1] B.V. niet vermeld in deel II C van het UEA en ontbreekt een door [bedrijf 1] B.V. ingevuld UEA.Daarom heeft SNBV u een verificatievraag gesteld, zodat u de relatie tussen beide vennootschappen kon toelichten. In dat kader heeft u aangegeven dat [bedrijf 1] B.V. een vennootschap zonder personeel is en dat de werkzaamheden voor het project [plaats] zijn uitgevoerd door [eiser 2] B.V., waardoor de ervaring daadwerkelijk berust bij Gegadigde. Echter, het feit dat het een groepsvennootschap betreft en beide partijen gezamenlijk een onderneming drijven doet vanuit aanbestedingsrechtelijk perspectief niet ter zake. [bedrijf 1] B.V. had moeten worden aangemerkt als een Derde waar Gegadigde een beroep op doet, had daarom vermeld moeten worden in deel II C van het UEA en had daarom ook een UEA moeten indienen.(…)In paragraaf 5.2 van de Selectieleidraad is bepaald dat een referentieproject of referentiecontract kan worden gebruikt om meerdere kerncompetenties aan te tonen. In uw Aanmelding heeft u gekozen om voor Kerncompetentie 1 het project [plaats] als referentieproject op te voeren. Bij de overige Kerncompetenties voor de Percelen 2A, 2B, 2C en 2D heeft u gekozen voor andere referenties, waaronder het project Herinrichting Terminal 1. Omdat volgens u het project Herinrichting Terminal 1 ook bij Kerncompetentie 1 had kunnen worden opgevoerd, voldoet uw Aanmelding aan de eisen en had uw Aanmelding niet terzijde mogen worden gelegd. U heeft echter in uw Aanmelding de keuze gemaakt om voor Kerncompetentie 1 geen gebruik te maken van project Herinrichting Terminal 1, maar voor project [plaats] . Als u een referentieproject voor meerdere Kerncompetenties had willen gebruiken, had u dit in uw Aanmelding moeten aangeven. Dit heeft u niet gedaan. Daarbij komt dat het niet aan de aanbestedende dienst is om, wanneer een referentieproject niet geldig is, na te gaan of een ander ingediend referentieproject in plaats daarvan kan worden gebruikt.
Tot slot verwijst u naar de bevoegdheid van SNBV zoals opgenomen in de Selectieleidraad om uw Aanmelding niet automatisch terzijde te leggen, maar te beoordelen of er omstandigheden zijn waarin uw Aanmelding toch in aanmerking kan worden genomen. Dit betreft een discretionaire bevoegdheid van SNBV en wij zijn van mening dat - gelet op het gelijkheidsbeginsel - in dit geval geen ruimte bestaat om van deze bevoegdheid gebruik te maken en uw Aanmelding toch toe te laten. (…) Indien u het nog steeds niet eens bent met het voorgenomen selectieresultaat ten aanzien van de Percelen 2A. 2B, 2C en 2D kunt u gedurende een periode van tien (10) kalenderdagen na dagtekening van deze brief een kort geding bij de burgerlijk rechter aanhangig maken conform artikel 13.5 van het ARN2016. (…)”
3. Het geschil
De Combinatie vordert, zoals ter zitting gepreciseerd, met betrekking tot alle percelen 2 (dus 2a, 2b, 2c, en 2d) om bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
I. Schiphol te gebieden de beslissing tot terzijdelegging van de aanmelding van de Combinatie in te trekken, althans daar geen verder gevolg aan te geven;
II. Schiphol te gebieden de Combinatie weer toe te laten tot de aanbestedings-procedure in de stand waarin deze zich bevindt, althans Schiphol te bevelen de aanmeldingen (alsnog of opnieuw) te beoordelen aan de hand van de selectiecriteria (althans in ieder geval de aanmelding van de Combinatie), alvorens de aanbesteding voort te zetten;
III. Schiphol te gebieden de aanbestedingsprocedure te schorsen en geschorst te houden totdat aan de vorderingen sub I. en/of II. zal zijn voldaan;
IV. Schiphol te veroordelen tot betaling van een eenmalige dwangsom van € 100.000,00 indien en voor zover zij in strijd handelt voornoemde geboden, waarbij deze vordering voorwaardelijk wordt ingesteld voor het geval Schiphol in deze procedure niet ondubbelzinnig zelf aangeeft aan het in deze procedure te wijzen vonnis te zullen voldoen;
V. Schiphol te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente.
De Combinatie stelt daartoe – kort gezegd en in lijn met haar brief van 9 april 2025 – (primair) dat de terzijdelegging berust op onjuiste gronden en (subsidiair) dat de terzijdelegging onterecht en disproportioneel is.
Schiphol voert daartegen – samengevat – het volgende verweer.
De Combinatie heeft zich aangemeld voor deelname aan de aanbestedingsprocedure, maar zij heeft in haar verzoek tot deelneming een fout gemaakt, door daarbij een verkeerde verklaring te voegen. Schiphol ziet zich daarom gehouden om het verzoek van de Combinatie als ongeldig terzijde te leggen en ziet geen ruimte voor de Combinatie om haar fout te herstellen.
De Combinatie heeft gesteld dat zij geen beroep doet op een derde. Daarmee is niet in geschil dat zij niet voldoet aan de voorwaarden voor een rechtsgeldig beroep op een derde. Zij stelt echter dat zij op een andere wijze zou kunnen voldoen aan geschiktheidseis MG2, op basis van de door haar ingediende stukken en zonder een beroep op een derde. Dit is onterecht. Schiphol kon aan de hand van het door de Combinatie ingediende verzoek tot deelneming niet beoordelen of de Combinatie beschikt over de kerncompetenties waarom is gevraagd in geschiktheidseis MG2. Het referentieproject zoals beschreven in het standaardformulier met toelichting (dat leek te gaan om een referentieproject van [eiser 2] ) kwam niet overeen met de door de Combinatie ingediende opdrachtgeversverklaring (dat ging om een referentieproject van [bedrijf 1] , een derde op wie geen beroep werd gedaan). Een opdrachtgeversverklaring van SZ ten behoeve van [bedrijf 1] is voor een referentieproject van [eiser 2] onvoldoende, aangezien aan de hand daarvan niet kan worden vastgesteld of [eiser 2] haar referentieproject zoals beschreven in het verzoek tot deelneming voor haar opdrachtgever heeft uitgevoerd. Dit was juist de bedoeling van de opdrachtgeversverklaring. Aan de hand van de inhoud van het verzoek tot deelneming was onduidelijk wie [bedrijf 1] was in relatie tot [eiser 2] of de Combinatie en evenmin in verhouding tot het referentieproject beschreven in het verzoek tot deelneming. Doordat een opdrachtgeversverklaring van [bedrijf 1] ten behoeve van [eiser 2] ontbreekt, is het ingediende verzoek tot deelneming onvolledig voor de doeleinden van geschiktheidseis MG2. Schiphol kon niet vaststellen of de Combinatie daaraan voldoet. Op basis van artikel 3.1 van de selectieleidraad kan een onvolledig verzoek tot deelneming leiden tot uitsluiting en op basis van artikel 3.3. van de selectieleidraad kunnen gegadigden die niet voldoen aan de geschiktheidseisen worden uitgesloten.
De door de Combinatie alsnog op 9 april 2025 bij haar bezwaar overgelegde opdrachtgeversverklaring van [bedrijf 1] ten behoeve van [eiser 2] – waarin [bedrijf 1] verklaart tevreden te zijn over de werkzaamheden van [eiser 2] en waarin wordt toegelicht dat haar opdracht voor SZ één op één is doorgelegd naar [eiser 2] – betreft een nieuwe verklaring die Schiphol op grond van vaste jurisprudentie niet kan accepteren. Met een nieuwe verklaring zou in feite een nieuw inschrijving worden gedaan, hetgeen in strijd is met de in acht te nemen beginselen van gelijkheid en transparantie.
De uitgebreide nadere toelichting van de Combinatie over de relatie tussen [bedrijf 1] en [eiser 2] en over hoe zij zich verhielden tot het referentieproject van SZ, alsmede de nader overgelegde samenwerkingsovereenkomst van 18 december 2022 tussen die partijen, kan de Combinatie ook niet baten. Die informatie was nieuw ten opzichte van haar verzoek tot deelneming, waarin niets gezegd was over de relatie tussen [eiser 2] en [bedrijf 1] , niets gezegd was over hoe hun werkzaamheden in het kader van het referentieproject zich tot elkaar verhouden en waarbij de verklaring van [bedrijf 1] dat [eiser 2] de werkzaamheden heeft uitgevoerd ontbrak. De opdrachtgeversverklaring waarin dit allemaal wel is uitgelegd is pas opgesteld na de uiterste datum voor het indienen van een verzoek tot deelneming.
Schiphol moet alle gegadigden gelijk behandelen en als zij essentiële informatie niet tijdig hebben ingediend, terwijl daarvoor voldoende ruimte was, dan kan en mag Schiphol aanvullende informatie niet alsnog betrekken in haar toetsing van de verzoeken tot deelneming. In uitzonderlijke gevallen kan op grond van vaste Europese jurisprudentie eenvoudige precisering of herstel van een kennelijk materiële fout worden toegestaan. Volledig nieuwe informatie ingediend na de uiterste indiendatum zoals hier aan de orde, valt daar echter niet onder. De door de Combinatie aangehaalde uitspraak van de rechtbank Overijssel kan haar niet baten nu die ziet op een niet vergelijkbare situatie en uit die uitspraak juist blijkt dat een inhoudelijke aanvullende verklaring niet is toegestaan.
De Combinatie kan niet aan de eisen voldoen met een referentieproject uit een ander perceel. Van onnodig formalisme of niet proportioneel handelen zijdens Schiphol is geen sprake. Het besluit tot terzijdelegging is zorgvuldig tot stand gekomen en berust op goede gronden, aldus steeds Schiphol.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Het (spoedeisend) belang van de Combinatie volgt uit de aard van de zaak en de vorderingen.
De kern van dit geschil is de vraag of de aanmelding van de Combinatie al dan niet terecht door Schiphol in de selectiefase terzijde is gelegd.
Toetsingskader 4.3. Aanbestedingsprocedures strekken er, kort gezegd, toe om eerlijke mededinging bij overheidsopdrachten te waarborgen. Dat moet ertoe leiden dat een overheidsopdracht wordt uitgevoerd door de, gezien de door de aanbestedende dienst geformuleerde behoeften, meest geschikte ondernemer. Dit wordt het beste bevorderd als een aanbestedingsprocedure (onder meer) zowel in opzet als in uitvoering voldoende transparant is voor ondernemers en zij op gelijke en niet-discriminerende wijze worden behandeld. Hoewel de aan een aanmelding/ inschrijving gestelde eisen, voor zover rechtmatig, nauwgezet en in ieder geval voor alle gegadigden/inschrijvers gelijkelijk moeten worden gehandhaafd, mag dit, gelet op het doel om de mededinging te bevorderen, niet uitmonden in formalisme waarbij te verregaande gevolgen verbonden worden aan zuivere vormfouten of onduidelijkheden.
De aanbestedende dienst zal een gegadigde/inschrijver in elk geval moeten uitsluiten als na een voldoende zorgvuldig onderzoek blijkt dat in de inschrijvingsdocumenten, als geheel beschouwd, niet alle verlangde informatie is verstrekt die nodig is voor de beoordeling van de aanmelding/inschrijving en waarvan de juistheid ten tijde van het sluiten van de termijn voor indiening niet achteraf op objectieve wijze kan worden aangetoond. In dat geval zal immers gelden dat een aanvulling, verduidelijking of verbetering neerkomt op indiening van een nieuwe aanmelding/inschrijving na het sluiten van de daarvoor geldende termijn, die als niet alle gegadigden/inschrijvers daartoe gelegenheid wordt geboden zonder meer ontoelaatbaar is gelet op het gelijkheidsbeginsel. In andere gevallen kan uit het zorgvuldigheidsbeginsel volgen dat een aanbestedende dienst een inschrijver gelegenheid biedt voor aanvulling, verduidelijking en/of verbetering, zulks binnen de perken van de aanbestedingsrechtelijke beginselen van gelijkheid en transparantie.
Terzijdelegging op (on)juiste gronden?
De terzijdelegging van de aanmelding van de Combinatie berust volledig op de eigen aanname van Schiphol zelf, die inhoudt dat de Combinatie een beroep doet op [bedrijf 1] als derde voor de opgevoerde referenties, zo blijkt uit de brieven van Schiphol van 4 en 22 april 2025. Zoals de Combinatie terecht stelt is die aanname echter niet juist, omdat de Combinatie geen beroep doet op de ervaring van [bedrijf 1] , maar op haar eigen ervaring. In haar aanmelding doet zij ook geen beroep op ervaring van [bedrijf 1] (zie 2.9).
Bij haar ingediende standaardformulier heeft de Combinatie echter een opdrachtgeversverklaring ingediend die verwijst naar [bedrijf 1] in plaats van [eiser 2] (zie 2.10). Uit de Nota van Inlichtingen volgt dat uit de opdrachtgeversverklaring moet blijken dat de werkzaamheden door de gegadigde zijn uitgevoerd (zie 2.6). Nu de opdrachtgeversverklaring door SZ is afgegeven aan [bedrijf 1] en niet aan [eiser 2] , was voor Schiphol niet zonder meer af te leiden dat de referentiewerkzaamheden door de gegadigde zijn uitgevoerd.
In zoverre is het niet vreemd dat Schiphol dit als een onduidelijkheid in de aanmelding heeft gezien en dat zij op 26 februari 2025 om een verduidelijking heeft gevraagd. Schiphol heeft daarbij enkel gevraagd hoe [bedrijf 1] en [eiser 2] zich tot elkaar verhouden. Zij heeft niet gevraagd of de Combinatie heeft beoogd om [bedrijf 1] als onderaannemer in te schakelen. Vervolgens heeft de Combinatie in haar brief van 2 maart 2025 (zie 2.12) toegelicht dat [eiser 2] de partij is die het referentiewerk feitelijk heeft uitgevoerd en dat zij zich dus op haar eigen ervaring beriep. Gelet op de overige inhoud van die brief ( [bedrijf 1] is een entiteit zonder personeel) was er voor Schiphol op dat moment geen aanleiding om er aan te twijfelen dat [eiser 2] als combinant van de gegadigde het referentiewerk ook daadwerkelijk had uitgevoerd.
De Combinatie stelt dan ook terecht dat het niet meenemen van [bedrijf 1] als onderaannemer voor kennis en kunde geen gebrek in de aanmelding vormt. Wat wel een gebrek in de aanmelding betreft is dat uit de verstrekte opdrachtgeversverklaring niet meteen duidelijk was dat de werkelijke ervaring met het referentiewerk bij [eiser 2] en daarmee bij de Combinatie berustte. De in dit kort geding te beantwoorden vraag is dan ook of de Combinatie op basis van dat gebrek mocht worden uitgesloten.
Dat gebrek is een vorm van onvolledigheid. Op grond van artikel 3.1 van de selectieleidraad kan een onvolledige aanmelding leiden tot uitsluiting. De Combinatie stelt dan ook terecht dat Schiphol bevoegd is en niet verplicht is om tot uitsluiting over te gaan bij onvolledigheid van (of een gebrek in) de stukken die bij de aanmelding zijn ingediend.
De Combinatie heeft er terecht op gewezen dat voor de eis MG2 niet vereist is dat het referentiewerk in hoofdaanneming moet zijn verricht, maar dat slechts vereist is dat relevante ervaring is opgedaan. Aannemelijk is dat [eiser 2] die ervaring heeft opgedaan, zij het in onderaanneming van haar zustervennootschap [bedrijf 1] . Uit de door de Combinatie in het geding gebrachte overeenkomst van 18 december 2022 tussen [bedrijf 1] en [eiser 2] blijkt immers dat [bedrijf 1] de van SZ verkregen opdracht (ontwerpwerkzaamheden) back-to-back heeft opgedragen aan [eiser 2] . Bij haar bezwaar van 9 april 2025 heeft de Combinatie alsnog een verklaring van [bedrijf 1] ingediend waaruit de tevredenheid van [bedrijf 1] over het door [eiser 2] verrichte werk blijkt. Die verklaring sluit aan bij de reeds bij de aanmelding ingediende opdrachtgeversverklaring van de uiteindelijke opdrachtgever (SZ) van het referentiewerk. Het gebrek is daarmee geheeld.
Anders dan Schiphol meent heeft de Combinatie met haar nadere verklaring geen andere of nieuwe aanmelding gedaan dan zij al had gedaan. Het referentiewerk waar de Combinatie zich op beroept is nog altijd hetzelfde. De partij die de ervaring heeft opgedaan is eveneens nog altijd dezelfde. Met haar nadere verklaring heeft de Combinatie enkel duidelijk gemaakt dat [eiser 2] zelf de ervaring heeft opgedaan waarop die zich beroept. In zoverre is dit dan ook een andere situatie dan in de door Schiphol aangehaalde uitspraken. Zoals de Combinatie terecht stelt is van enig concurrentievoordeel voor de Combinatie in dit geval geen sprake. Het gebrek is binnen de grenzen van het toegestane geheeld, zonder dat de mededinging in het gedrang komt. Achteraf bezien kan immers objectief worden vastgesteld dat de Combinatie ook voor het einde van de aanmeldtermijn duidelijk had kunnen maken (op de manier zoals zij dat achteraf heeft gedaan) dat de werkelijke ervaring met het referentiewerk bij [eiser 2] en daarmee bij de Combinatie berustte. De Combinatie beroept zich bij haar verduidelijking achteraf niet op feiten of omstandigheden die voor de aanmelding niet reeds aan de orde waren. De verduidelijking achteraf levert in dit geval dus geen nieuwe aanmelding op.
Het vasthouden aan de ongeldigheid van de aanmelding van de Combinatie door Schiphol getuigt, zoals de Combinatie terecht stelt, van onnodig formalisme. Anders dan Schiphol meent is het toelaten van de Combinatie niet in strijd met de beginselen van gelijkheid en transparantie. Schiphol heeft de aanmelding van de Combinatie al met al op onjuiste gronden terzijde gelegd.
Het subsidiaire standpunt van de Combinatie dat Schiphol de eisen niet juist of disproportioneel heeft toegepast, omdat volgens haar materieel vast staat dat zij aan de gestelde eisen voldoet nu zij voor perceel 3 – waarbij exact dezelfde eisen gesteld worden voor kerncompetentie 1 – wel geselecteerd is, behoeft gelet op het voorgaande geen bespreking.
Slotsom
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen, met inachtneming van het volgende, toewijsbaar zijn. De vorderingen zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing is vermeld. Uiteraard heeft hetgeen dat wordt toegewezen betrekking op alle percelen 2 (2a, 2b, 2c en 2d).
De vordering zoals weergegeven onder 3.1 sub II voor zover die ziet op de beoordeling van de verzoeken tot deelneming van de andere gegadigden is, zoals Schiphol terecht heeft aangevoerd, onnodig en zal gelet op het volgende in zoverre worden afgewezen. De Combinatie vordert dat de aanmeldingen van de andere gegadigden opnieuw worden beoordeeld aan de hand van de selectiecriteria. Schiphol heeft echter tijdens de mondelinge behandeling in dit kort geding verklaard dat als zij zou worden geboden om de aanmelding van de Combinatie alsnog te beoordelen en te betrekken bij de selectie, zij dat zal doen en zij die beoordeling dan zal meenemen in de uitslag van de desbetreffende percelen. Voldoende aannemelijk is dat een nieuwe inhoudelijke beoordeling van de andere verzoeken tot deelneming onnodig is en zou kunnen leiden tot onwenselijke vertraging in de voortgang van de aanbestedingsprocedure en de verwezenlijking van het investeringsprogramma van Schiphol.
De voorwaardelijk gevorderde dwangsom, zoals weergegeven onder 3.1 sub IV zal worden afgewezen, nu niet aan de voorwaarde waaronder de vordering is ingesteld is voldaan. Schiphol heeft immers tijdens de mondelinge behandeling ondubbelzinnig verklaard dat zij zal voldoen aan een eventuele veroordeling in dit vonnis.
Schiphol zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Combinatie worden begroot op:
- dagvaarding € 119,40
- griffierecht € 714,00
- salaris advocaat € 1.107,00
- nakosten € 178,00
Totaal € 2.118,40.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
gebiedt Schiphol de beslissing tot terzijdelegging van de aanmelding van de Combinatie in te trekken, althans daar geen verder gevolg aan te geven,
gebiedt Schiphol de Combinatie weer toe te laten tot de aanbestedings-procedure in de stand waarin deze zich bevindt, en beveelt Schiphol de aanmelding van de Combinatie alsnog te beoordelen aan de hand van de selectiecriteria, alvorens de aanbesteding voort te zetten,
gebiedt Schiphol de aanbestedingsprocedure te schorsen en geschorst te houden totdat aan de in 5.1 en 5.2 opgelegde geboden zal zijn voldaan,
veroordeelt Schiphol in de proceskosten, aan de zijde van de Combinatie tot op heden begroot op € 2.118,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 en de kosten van betekening indien dit vonnis wordt betekend,
veroordeelt Schiphol tot betaling aan de Combinatie van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. J.E. Tiddens, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2025.