ECLI:NL:RBAMS:2025:9410

ECLI:NL:RBAMS:2025:9410, Rechtbank Amsterdam, 02-12-2025, 13-227322-25

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 02-12-2025
Datum publicatie 10-12-2025
Zaaknummer 13-227322-25
Rechtsgebied Strafrecht; Europees strafrecht
Procedure Eerste en enige aanleg
Zittingsplaats Amsterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0016664

Samenvatting

Vervolgings-EAB Hongarije, overlevering toegestaan. Artikel 6 OLW: terugkeergarantie voldoende. Artikel 11 OLW: detentiegarantie voldoende bevonden omdat gegarandeerd wordt dat de opgeëiste persoon niet in Tiszalök komt. Verweer m.b.t. eelijk proces verworpen omdat onvoldoende objectieve, naar behoren bijgewerkte, recente gegevens zijn overgelegd. Zorgelijke situatie rondom de rechtsstaat in Hongarije maar nog geen reden om algemeen gevaar aan te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-227322-25

Datum uitspraak: 2 december 2025

UITSPRAAK

op de vordering van 15 september 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 21 augustus 2025 door de District Court of Buda Environs, Hongarije (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[De opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1958 te [geboorteplaats] (Turkije),

inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:

[adres] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1. Procesgang

Zitting van 29 oktober 2025

De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 29 oktober 2025, in aanwezigheid van K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw, mr. D.S. Altena, advocaat in Utrecht, zijn beiden niet verschenen. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden omdat – zoals vooraf aangekondigd door zijn raadsvrouw – de opgeëiste persoon wegens zijn gezondheidstoestand geen gebruik kon maken van zijn aanwezigheidsrecht.

Zitting van 18 november 2025

De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 18 november 2025, in aanwezigheid van K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. D.S. Altena, advocaat in Utrecht. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden tot de zitting van 25 november 2025 omdat er geen tolk in de Turkse taal aanwezig was.

Zitting van 25 november 2025

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 25 november 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. D.S. Altena, advocaat in Utrecht, en door een telefonische tolk in de Turkse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen onder gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2. Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3. Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van the Pest County Police Headquarters van 17 juli 2025 (referentie 13000/581/2024.bü) met autorisatie van the Pest County General Prosecutor’s Office op 4 augustus 2025 (referentie Nf. 1264-237/2024).

De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Hongaars recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.

4. Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.

Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5. De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd.

Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.

De Ministry of Justice of Hungary, Department of International Criminal Law heeft op 6 oktober 2025 de volgende garantie gegeven:

“[...] I would like to inform you that pursuant to Article 5.3 of the Council Framework Decision of 13 June 2002 on the European arrest warrant and the surrender procedures between the Member States, the Ministry of Justice of Hungary guarantees that [De opgeëiste persoon] , after being heard and upon his request, shall be returned to the Netherlands in order to serve there the custodial sentence or detention order passed against him in Hungary ."

Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW

Het EAB ziet op een feit dat geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren.

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw van de opgeëiste persoon verzoekt de overlevering op grond van dit artikel te weigeren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Het onderzoek en de berechting van het strafbare feit kunnen beter vanuit Nederland plaatsvinden. Het strafbare feit waar de opgeëiste persoon van wordt verdacht, is immers op Nederlands grondgebied gepleegd. Bovendien zou overlevering een gevaar opleveren voor de gezondheid van de opgeëiste persoon. Zijn angst voor overlevering is reëel, gelet op wat er tijdens zijn vorige detentie in Hongarije is gebeurd.

Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe aan dat het onderzoek is aangevangen in Hongarije, de bewijsmiddelen zich daar bevinden, de medeverdachten in Hongarije worden berecht, dat de verdovende middelen daar in beslag zijn genomen en het Nederlandse Openbaar Ministerie niet voornemens is de opgeëiste persoon voor dit feit te vervolgen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat:

- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;

- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.

Gelet hierop en op de door de officier van justitie gegeven argumenten, is de rechtbank van oordeel dat het gegeven dat het feit wordt geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding geeft om de weigeringsgrond toe te passen. Wat de raadsvrouw heeft aangevoerd, is onvoldoende voor de rechtbank om tot een ander oordeel te komen.

7. Artikel 11 OLW

Artikel 11 OLW: Hongaarse detentieomstandigheden

Inleiding

In eerdere uitspraken heeft de rechtbank op basis van het rapport van the Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading treatment or Punishment (hierna: CPT) van

3 december 2024 overwogen dat sprake is van een onveilige situatie in de penitentiaire inrichting van Tiszalök, gelet op de ‘ill-treatment’ van gedetineerden door het gevangenispersoneel en het geweld tussen gedetineerden onderling. Daarop heeft de rechtbank geoordeeld dat er voor gedetineerden in de penitentiaire inrichting in Tiszalök een algemeen reëel gevaar bestaat dat zij aan een onmenselijke of vernederende behandeling zullen worden blootgesteld in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest).

Op 6 oktober 2025 heeft the Ministry of Justice of Hungary, Department of International Criminal Law de volgende garantie gegeven:

"[...] the National Headquarters of the Hungarian Prison Service guarantees that [De opgeëiste persoon] will be placed in the Budapest Capital Penitentiary Institute during the course of the criminal proceedings. If he is sentenced to a custodial sentence, he will be placed the Szombathely Penitentiary Institute . It is guaranteed the he will not be placed in the Tiszalök Penitentiary Institute."

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat de overlevering op grond van artikel 11 OLW moet worden geweigerd. Hierbij verwijst zij naar het CPT-rapport van 3 december 2024, een rapportage van het Hungarian Helsinki Committee (HHC) van 6 mei 2024 en een nieuwsbericht van de website van de Ccouncil of Europe met betrekking tot een recent bezoek van het CPT aan Hongarije. De raadsvrouw stelt dat er een algemeen gevaar dient te worden aangenomen voor andere Hongaarse gevangenissen, en in ieder geval voor de detentie-instellingen Budapest Remand Prison en Szombathely Penitentiary Institute. Er bestaat een reëel gevaar voor de schending van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest), als de opgeëiste persoon wordt overgeleverd. Uit het CPT-rapport blijkt dat gedetineerden in de Budapest Remand Prison in politiecellen terechtkomen die niet geschikt zijn voor langdurig verblijf (tot 60 dagen). Op basis van de verstrekte garantie acht de raadsvrouw het aannemelijk dat de opgeëiste persoon tijdens het strafproces langer zal verblijven in een politiecel dan door het CPT geschikt wordt geacht.

Subsidiair stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat nadere garanties moeten worden gevraagd om uit te sluiten dat de opgeëiste persoon, na overlevering, in een politiecel in Budapest Remand Prison wordt gedetineerd en niet zal worden gedetineerd in de gevangenis waar hij eerder in Hongarije gedetineerd heeft gezeten.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich – onder verwijzing naar jurisprudentie van deze rechtbank – op het standpunt dat de Hongaarse detentieomstandigheden niet aan overlevering in de weg staan. Uit de aanvullende informatie van 6 oktober 2025 blijkt dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden geplaatst in Budapest Capital Penitentiary Institute, waarvoor geen algemeen gevaar voor de schending van grondrechten geldt. Er zijn ook geen gronden om een algemeen gevaar voor deze gevangenis aan te nemen. Met betrekking tot het verblijf in een politiecel refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Uit de individuele detentiegarantie van 6 oktober 2025 volgt dat de opgeëiste persoon na overlevering niet zal worden gedetineerd in Tiszalök. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de verstrekte individuele garantie, hiermee het vastgestelde algemene reële gevaar voor de opgeëiste persoon weggenomen.

Van belang is dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit volgens jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie verplicht is uitsluitend de detentieomstandigheden te onderzoeken in penitentiaire inrichtingen waar de opgeëiste persoon, volgens de informatie waarover zij beschikt, naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd, mede op tijdelijke of voorlopige basis. In dat kader moet de rechtbank vaststellen dat de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd in de penitentiaire inrichting Budapest Capital Penitentiary Institute. Ten aanzien van die instelling heeft de rechtbank voor gedetineerden geen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 van het Handvest aangenomen.

De raadsvrouw heeft verder geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit een algemeen gevaar blijkt voor personen die gedetineerd zitten in de Budapest Capital Penitentiary Institute. Over het door de raadsvrouw genoemde rapport van het CPT heeft de rechtbank al eerder geoordeeld, wat geleid heeft tot het genoemde algemene gevaar voor de gevangenis in Tiszalök. Uit het CPT-rapport van 2024 volgt niet dat – zoals door de raadsvrouw is gesteld – gedetineerden in politiecellen in Budapest Remand Prison terechtkomen, noch in Budapest Capital Penitentiary Institute. De rechtbank merkt hierbij op dat de door het CPT bezochte politiecellen geen onderdeel uitmaken van de hiervoor genoemde instellingen, maar van politiebureaus. Los van de bevindingen van het CPT omtrent politiecellen, kan het verweer reeds daarom niet slagen.

De weigeringsgrond van artikel 11 OLW staat met betrekking tot de detentieomstandigheden dan ook niet aan de overlevering in de weg. Voor het vragen van nadere garanties zoals door de raadsvrouw subsidiair verzocht, ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding.

Artikel 11 OLW: het recht op een eerlijk proces

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat er een algemeen gevaar bestaat dat de opgeëiste persoon na overlevering geen eerlijk proces zal krijgen in Hongarije en dat zijn grondrecht van artikel 47 Handvest op een eerlijk proces zal worden aangetast. De raadsvrouw heeft daartoe een persbericht overgelegd van de stemming in het Europees Parlement over een tussentijds rapport over de aanhoudende tekortkomingen van de Hongaarse rechtsstaat. Primair dient op deze grond de overlevering te worden geweigerd. Subsidiair dient de behandeling van de zaak te worden aangehouden om de uitkomst van deze stemming af te wachten, zodat eventueel nog aanvullende garanties kunnen worden gevraagd aan Hongarije.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op dit punt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwijst in dit kader naar haar uitspraak van 17 oktober 2019, waarin zij heeft geoordeeld dat sprake is van structurele en fundamentele gebreken wat de rechterlijke macht van Hongarije betreft, maar dat deze gebreken de rechterlijke instanties in Hongarije niet dusdanig in gevaar brengen, dat hierdoor een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de zin van artikel 47 Handvest in de kern wordt aangetast.

Hoewel de rechtbank de recente ontwikkelingen in Hongarije met betrekking tot de rechtsstaat zorgelijk acht, is de rechtbank van oordeel dat de verdediging ter onderbouwing van haar verweer geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens heeft aangevoerd om aan te kunnen nemen dat er ten aanzien van verdachten een algemeen reëel gevaar bestaat dat hun grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast.

Dit betekent dat het verweer niet slaagt. Op grond van het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding op verzoek van de raadsvrouw de behandeling van de zaak aan te houden.

8. Beroep op evenredigheid

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat het EAB niet evenredig is gelet op de medische situatie van de opgeëiste persoon en zijn eerdere ervaringen met detentie in Hongarije.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het EAB evenredig is. De stukken die zijn overgelegd met betrekking tot de medische situatie van de opgeëiste persoon zijn niet zodanig uitzonderlijk dat een beroep op de onevenredigheid van het EAB kan slagen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt in lijn met eerdere uitspraken dat voor de vraag of sprake is van (on)evenredigheid van de overlevering een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de zogenoemde stelselevenredigheid van de OLW en de evenredigheid in een concreet geval. Het stelsel van de OLW is, op de voet van het daaraan ten grondslag liggende Kaderbesluit, gebaseerd op het uitgangspunt dat het gebruik van de bevoegdheden tot overlevering, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, niet verder gaat dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit te verwezenlijken.

Uit het stelsel van overlevering en een kaderbesluitconforme uitleg volgt dat een evenredigheidsafweging in beginsel is ingebed in de afweging tot uitvaardiging van een EAB. De Hongaarse rechter heeft in deze zaak de afweging gemaakt om een EAB uit te vaardigen. Hiermee is de evenredigheid van de uitvaardiging van het EAB gegeven. Wat de raadsvrouw heeft aangevoerd maakt dat niet anders. De keuze voor het uitvaardigen van een EAB door de Hongaarse autoriteiten gaat niet verder dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit – het voorkomen van straffeloosheid – te verwezenlijken.

Dat neemt niet weg dat overlevering in een concreet individueel geval onder omstandigheden onevenredig bezwarend kan zijn voor de opgeëiste persoon. Gelet op de stelselevenredigheid kan een beroep op de onevenredigheid van een EAB echter slechts onder bijzondere omstandigheden slagen. Hoewel de rechtbank oog heeft voor de (persoonlijke) belangen en omstandigheden van de opgeëiste persoon, is naar het oordeel van de rechtbank van zulke bijzondere omstandigheden in het onderhavige geval niet gebleken. Het verweer van de raadsvrouw wordt dan ook verworpen.

9. Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

10. Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6, 7 OLW.

11. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [De opgeëiste persoon] aan the District Court of Buda Environs, Hongarije voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. J.G. Vegter, voorzitter,

mrs. D.L.S. Ceulen en J.T.H. Zimmerman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.C. Hooibrink, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 2 december 2025.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.G. Vegter

Griffier

  • mr. M.C. Hooibrink

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?