RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-091544-25
Datum uitspraak: 3 december 2025
TUSSENUITSPRAAK
op de vordering van 23 september 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 27 november 2019 door the Regional Court in Wrocław, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1996,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 25 november 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. A. Kilinç, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen onder gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een decision of the District Court of Wrocław Śródmieście of 20 August 2019, on temporary detention of the suspect for the period of 14 days of the date of detention met referentie II 2 Kp 276/19.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
4. Strafbaarheid
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het eerste strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het tweede strafbare feit niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
5. De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
Gelijkstelling
Standpunt van de raadsman
De raadsman verzoekt de rechtbank om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander om zo, in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering aan de uitvaardigende lidstaat, die straf vervolgens in Nederland te kunnen ondergaan. Ter onderbouwing hiervan heeft de raadsman twee dagen voor de zitting, bij
e-mail van 23 november 2025, verschillende stukken overgelegd over het inkomen en de verblijfplaats van de opgeëiste persoon in de afgelopen vijf jaar.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich – onder verwijzing naar jurisprudentie van deze rechtbank – op het standpunt dat de stukken ten behoeve van het gelijkstellingsverweer buiten beschouwing gelaten moeten worden, omdat deze niet tijdig zijn overgelegd.
Oordeel van de rechtbank
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.
De eerste voorwaarde
Uit de jurisprudentie van de rechtbank volgt, dat in beginsel een termijn van uiterlijk tien dagen voorafgaand aan de zitting redelijk is. Indiening van de stukken ter onderbouwing van een gelijkstellingsverweer na de tiende dag voorafgaande aan de zitting kan ertoe leiden dat de rechtbank deze stukken buiten beschouwing laat.
In het onderhavige geval is de rechtbank van oordeel dat, ondanks het late moment van indienen van de stukken op 23 november 2025, deze stukken wel in behandeling worden genomen. Daarvoor acht zij de volgende bijzondere omstandigheid relevant. De opgeëiste persoon is in 2017 met haar partner tegen wie tegelijkertijd een overleveringsprocedure aanhangig is naar Nederland gekomen. Haar partner heeft inmiddels een duurzaam verblijfsrecht in Nederland. In het licht hiervan acht de rechtbank het niet billijk om de ten behoeve van de opgeëiste persoon ingediende stukken buiten beschouwing te laten, ook al zijn zij te laat ingediend.
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat zij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat de opgeëiste persoon zich op 17 november 2017 bij de gemeente Rotterdam heeft laten inschrijven als niet-ingezetene. Verder blijkt uit het UWV-overzicht dat de jaren 2018-2024 kunnen meetellen voor de duur van een uitkering. Uit het overzicht blijkt dat de opgeëiste persoon de afgelopen jaren zodanig veel uren heeft gewerkt dat vastgesteld kan worden dat zij ook in Nederland heeft verbleven. Daarnaast is gebleken dat zij samen met haar partner naar Nederland is gekomen en steeds met hem heeft samengewoond en een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. Alles overwegend, stelt de rechtbank vast dat voldaan is aan de eerste voorwaarde.
De tweede voorwaarde
Het antwoord op de vraag over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, beoordeelt de rechtbank aan de hand van informatie van de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND). Deze informatie, als ook een garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW, ontbreekt in het dossier.
De rechtbank zal daarom het onderzoek heropenen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om deze informatie op te vragen bij de IND. Daarnaast verzoekt de rechtbank de officier van justitie ook aan de uitvaardigende justitiële autoriteit een terugkeergarantie op te vragen.
6. Artikel 11 OLW
Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van haar strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Poolse detentieomstandigheden
Inleiding
Bij uitspraak van 5 juni 2024 heeft deze rechtbank een algemeen reëel gevaar aangenomen van schending van de grondrechten van gedetineerden die in Polen in het remand regime terechtkomen..
De vaststelling van een algemeen reëel gevaar voor schending van de grondrechten voor gedetineerden die terecht komen in het remand regime, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden. Het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) heeft daarom navraag gedaan bij de uitvaardigende justitiële autoriteit naar waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd en naar de omstandigheden aldaar.
Bij brief van 8 oktober 2025 heeft de Lower Silesian Regional Branch of the Organized Crime and Corruption Department in Wrocław onder andere het volgende geantwoord:
“In connection with the email received concerning [de opgeëiste persoon] ( [de opgeëiste persoon] ), born [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats] (Poland), provisionally arrested under a European Arrest Warrant issued by the District Court in Wrocław III Kop 229/19 in case PK I WZ Ds. 25.2019 of 27 November 2019, I kindly inform you that if the above-mentioned person is transferred, he will be detained at the Penitentiary Facility no. 1 in Wrocław at ul. Kleczkowska 35.”
In de aanvullende informatie van 13 oktober 2025 staat verder onder meer:
“[..] I would like to inform you that
Ms. [de opgeëiste persoon] will be provided with a minimum personal space of 3 meters - this does not include the area of the toilets,
- Mr. [de opgeëiste persoon] will be able to participate in activities of her choice, which are organized in the detention center in any situation, as long as it is justified and does not threaten public order or the safety of the inmate or her fellow inmates.”
Vervolgens heeft het IRC op 23 oktober 2025 de volgende vragen gesteld:
“I refer to your e-mail date 13-10-2025 and the translated letter dated 08-10-2025 regarding the European Arrest Warrant III Kop 229/19 issued on 27 November 2019 concerning [de opgeëiste persoon] , born on [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats] , Poland (see below).
[..]
Based on this, I request you to:
- Guarantee that ms [de opgeëiste persoon] will be placed in a cell with at least 4 square meters personal space, not including sanitary facilities.
Or
- Guarantee that ms. [de opgeëiste persoon] will be able to spend at least 2 hours per day outside his cell if she requests to participate in any and all activities that are available to her under normal circumstances.”
In de brief van de Director of the Remand Centre in Wrocław van 3 november 2025 is daarop onder meer geantwoord:
“[..] During their stay at the Remand Centre in Wrocław, remand prisoners have the opportunity to participate in cultural and educational activities and religious services. In addition, within the residential wing, they can take advantage of common room activities and the library (according to the schedule). In addition to the above activities, remand prisoners are entitled to a one-hour walk once a day and a bath twice a week. Pursuant to Article 110 § 2 of the Code of Criminal Procedure, the living space per prisoner in a cell shall be no less than 3 m2. [..] Theoretically, a remand prisoner who expresses a willingness to participate in all activities offered and to perform cleaning work or take up employment may spend two hours a day or more outside their cell.”
Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich op het standpunt dat op grond van artikel 11 OLW geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB. Hierbij verwijst hij naar e-mailcorrespondentie met een Poolse advocaat, online afbeeldingen van gevangenissen van onder andere Wrocław en een document over de bezettingsgraad van gevangenissen in Polen. In de aanvullende informatie van 7 november 2025 zijn twee standaardbrieven meegestuurd. De gegeven garanties volstaan niet en binnen een redelijke termijn zullen zich ook geen wijziging van omstandigheden voordoen waardoor de overleveringsprocedure beëindigd dient te worden.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich – onder verwijzing naar jurisprudentie van deze rechtbank – op het standpunt dat artikel 11 OLW niet aan de overlevering in de weg staat. De gegeven detentiegarantie is voldoende om het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon weg te nemen, omdat gegarandeerd wordt dat de tijd buiten de cel kan oplopen tot twee uur per dag als de opgeëiste persoon meedoet aan alle aangeboden activiteiten.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op grond van voornoemde individuele garantie van 8 oktober 2025 en 13 oktober 2025 vast dat de opgeëiste persoon na overlevering minimaal 3 m2, exclusief sanitair, persoonlijke leefruimte zal hebben in een meerpersoonscel in de detentie-instelling in Wrocław. Dit betekent dat relevant is hoeveel tijd zij buiten haar cel kan doorbrengen.
Recent heeft de rechtbank aanleiding gezien haar oordeel op dit punt als volgt te preciseren. Het algemene reële gevaar dat een opgeëiste persoon wordt blootgesteld aan een structureel verblijf van 23 uur per dag in een cel met een persoonlijke ruimte tussen de 3 en 4 m2 wordt in ieder geval weggenomen met de garantie dat deze persoon minimaal twee uur per dag buiten de cel kan verblijven. Wanneer de autoriteiten een dergelijke garantie niet kunnen geven, heeft de rechtbank concrete informatie nodig over hoeveel uur een opgeëiste persoon onder normale omstandigheden, en wanneer deze persoon ervoor kiest om aan de aangeboden activiteiten deel te nemen, gemiddeld buiten haar cel kan verblijven. Met andere woorden: de rechtbank heeft informatie nodig waaruit blijkt aan welke activiteiten de opgeëiste persoon dagelijks kan deelnemen en wat de duur van die activiteiten is, alsmede de omstandigheden waarvan deelname en duur afhankelijk zijn.
Met de informatie uit de brief van 3 november 2025 is de rechtbank van oordeel dat dergelijke concrete informatie is gegeven. De opgeëiste persoon kan tenminste één uur per dag wandelen. Zij kan dagelijks, als zij meedoet aan alle aangeboden activiteiten, twee uur buiten haar cel verblijven.
Gelet op het voorgaande is de aanvullende informatie, gelezen in samenhang met de door het IRC gestelde vragen waarin is gevraagd naar de activiteiten per dag, voldoende om het algemene reële gevaar van schending van grondrechten voor de opgeëiste persoon weg te nemen nu hieruit volgt dat zij niet structureel 23 uur per dag in haar cel hoeft door te brengen. De detentieomstandigheden staan daarom niet aan overlevering in de weg.
7. Beslissing
HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 5 genoemde informatie op te vragen bij de IND en de uitvaardigende justitiële autoriteit.
BEPAALT dat de zaak zo mogelijk op 10 of 11 december 2025 of zo ver mogelijk vóór verstrijken van de verlengde beslistermijn op 15 december 2025, opnieuw op zitting wordt gepland.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen de nader te bepalen datum en het nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan haar raadsman.
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen de voornoemde nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en J.T.H. Zimmerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.C. Hooibrink, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.