ECLI:NL:RBAMS:2025:9438

ECLI:NL:RBAMS:2025:9438, Rechtbank Amsterdam, 05-03-2025, 13/267176-24

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 05-03-2025
Datum publicatie 05-12-2025
Zaaknummer 13/267176-24
Rechtsgebied Strafrecht; Strafprocesrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854 BWBR0006297

Samenvatting

primair poging moord subsidiair poging zware mishandeling met voorbedachten raden meer subsidiair mishandeling met voorbedachten raden. bewezen: mishandeling. Psychische overmacht verweer (slaagt niet). Hulp bij zelfdoding. Gev 120 dagen waarvan 15 dagen voorwaardelijk. meldplicht, ambulante behandeling.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/267176-24

Datum uitspraak: 5 maart 2025

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1962,

wonende op het adres [adres] ,

hierna: verdachte.

1. Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 februari 2025.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. E.W. Stein, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.J. Schimmel, advocaat te Midden-Nederland, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 20 augustus 2024 te Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan:

primair:

poging moord van [slachtoffer] door met een mes in haar zij te steken;

subsidiair:

poging zware mishandeling met voorbedachten raden van [slachtoffer] door met een mes in haar zij te steken;

meer subsidiair:

mishandeling met voorbedachten raden van [slachtoffer] door met een mes in haar zij te steken.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3. Waardering van het bewijs

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 20 augustus 2024 krijgt de politie de melding dat [slachtoffer] (hierna: slachtoffer) gestoken zou zijn. Ter plaatse treft de politie het slachtoffer en verdachte aan. De politie ziet dat het slachtoffer een steekwond van ongeveer twee centimeter aan de rechterzijde van haar lichaam heeft die bijna niet meer bloedt. Als de politie vraagt of verdachte haar heeft gestoken, antwoordt het slachtoffer dat dit klopt maar dat het niet uitmaakt omdat hij haar helpt. Ze verklaart dat zij namelijk euthanasie wil laten plegen maar daar geen toestemming voor krijgt. De politie treft een keukenmes aan met nog zichtbare bloedsporen. Ter terechtzitting verklaart verdachte dat hij slachtoffer inderdaad met een mes heeft ”geprikt”. Hij verklaart dat hij haar niet heeft willen doden maar haar uit de waan wilde halen waarin zij op dat moment zat.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat is gebleken dat verdachte slachtoffer niet heeft gestoken om haar te doden of verwonden maar om zichzelf uit een conflictsituatie te halen. De oplossing, het steken van slachtoffer, was hiermee een bewuste keuze. Verdachte heeft haar van achteren en redelijk diep in de zij gestoken met een mes met een lemmet van 10 centimeter. Verdachte heeft verklaard dat hij bang was dat het slachtoffer dood kon gaan door het steken. Gelet op deze omstandigheden kan worden vastgesteld dat verdachte er rekening mee hield dat hij het slachtoffer zwaar zou verwonden. Hij heeft daarmee voorwaardelijk opzet gehad op de zware mishandeling met voorbedachten rade, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte heeft gehandeld in een opwelling, waardoor er geen sprake is van voorbedachte raad. Verder had verdachte niet het doel om het slachtoffer te doden of te verwonden, maar wilde hij haar slechts uit haar waan halen. Gelet op voorgaande dient verdachte van de ten laste gelegde poging moord en de impliciet ten laste gelegde poging tot doodslag te worden vrijgesproken.

Ten aanzien de ten laste gelegde poging zware mishandeling met voorbedachten rade geldt eveneens dat er geen sprake is geweest van voorbedachte raad. Verder was er geen sprake van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. Verdachte dient daarom van dit subsidiair ten laste gelegde feit te worden vrijgesproken.

Tot slot dient verdachte ook te worden vrijgesproken van de mishandeling met voorbedachten rade. Uit het dossier blijkt immers dat het slachtoffer niet meer wilde leven en meermaals heeft aangegeven dat zij wilde dat verdachte haar zou doodmaken. Door haar te steken, heeft hij gehoor gegeven aan de wens van het slachtoffer. De wederrechtelijkheid van het handelen ontbreekt hiermee. Verdachte dient te worden vrijgesproken van de mishandeling.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak primair en subsidiair ten laste gelegde feiten

3.4.1.1. Geen voorbedachten rade

Uit het dossier blijkt dat verdachte en slachtoffer eerder hebben gesproken over een plan waarbij verdachte het slachtoffer zou doden. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat het op 20 augustus 2024 erg slecht ging met het slachtoffer. Zij was hysterisch en verdachte en slachtoffer kregen geen hulp van instanties. Verdachte verklaart meerdere pogingen te hebben gedaan om het slachtoffer uit haar waan te krijgen. Hij zou tegen haar hebben gepraat, haar handen hebben vastgehouden en haar een tik in haar gezicht hebben gegeven. Hij voelde zich machteloos en wilde haar helpen. Nadat de pogingen om het slachtoffer tot rust te krijgen niet werkten, heeft verdachte haar gestoken in een poging haar uit haar waan te halen. Verdachte heeft ter zitting en bij de politie verklaard dat hij het slachtoffer niet wilde doden. Ook heeft hij eerdere verzoeken om haar te helpen bij haar wens om te sterven, geweigerd. Gelet op voornoemde gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte op 20 augustus 2024 handelde uit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Hoewel verdachte en slachtoffer inderdaad eerder samen een plan hebben besproken om haar te doden, is niet gebleken dat de handelingen op 20 augustus 2024 de uitvoering waren van dit plan. De rechtbank volgt de verklaring van verdachte ter zitting en gaat ervan uit dat verdachte in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling heeft gehandeld. Er is geen sprake geweest van een moment van kalm beraad waarna hij zou hebben besloten de handeling uit te voeren. De rechtbank acht daarom niet bewezen dat verdachte met voorbedachten rade het slachtoffer heeft gestoken.

3.4.1.2. Geen aanmerkelijke kans op de dood of zwaar lichamelijk letsel

Uit het dossier is onvoldoende duidelijk geworden op welke plek van haar lichaam slachtoffer precies is gestoken. Verschillende verbalisanten omschrijven de plek van de steekwond op verschillende wijze en in het dossier bevinden zich geen foto’s van het letsel, ook omdat het slachtoffer niet wilde dat daar foto’s van gemaakt zouden worden. Voorts is uit het dossier niet gebleken met welke kracht verdachte heeft gestoken en wat de aard, scherpte en lengte van het mes is waarmee is gestoken. Hoewel het mes in beslag is genomen bevindt zich in het dossier geen foto(‘s) van het mes. Weliswaar is er door een verbalisant van forensische opsporing een proces-verbaal over het mes opgesteld, maar daaruit kan niet meer geconcludeerd worden dat het lemmet van het mes 11 centimeter is.

Het dossier bevat ook geen letselverklaring. Uit het dossier valt slechts op te maken dat het slachtoffer een oppervlakkige wond heeft die, op het moment dat de verbalisanten ter plaatse komen, nauwelijks meer bloedt. Het slachtoffer hoefde niet naar het ziekenhuis te gaan en ter zitting heeft verdachte verklaard dat geen ander ingrijpen dan het plakken van een zwaluwstaartpleister nodig is geweest om de wond te dichten. Nu in het dossier cruciale informatie ontbreekt over het mes, met hoeveel kracht en op welke plek het slachtoffer door verdachte is gestoken, oordeelt de rechtbank dat niet kan worden vastgesteld dat door het steken een aanmerkelijke kans op de dood of op zwaar lichamelijk letsel heeft bestaan.

3.4.1.3. Conclusie

De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld en dat niet is gebleken dat er sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood of zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank oordeelt om die reden dat verdachte dient te worden vrijgesproken van poging tot moord (primair), poging tot doodslag (impliciet subsidiair) en poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade (subsidiair).

Mishandeling

Verdachte heeft bekend het slachtoffer te hebben gestoken met een mes en de verbalisanten die na het incident ter plaatse zijn geweest hebben waargenomen dat het slachtoffer een steekwond had. De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de mishandeling omdat de wederrechtelijkheid van het handelen van verdachte ontbreekt.

Uit overweging 3.4.1.1. volgt dat de rechtbank van oordeel is dat het steken van verdachte het gevolg was van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Uit het dossier blijkt dat het slachtoffer, ondanks eerdere gesprekken met verdachte over mogelijke hulp bij zelfdoding, verrast werd door het handelen van verdachte en daarvan schrok. Uit die omstandigheden volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat verdachte toestemming had van het slachtoffer om haar op dat moment en op die wijze met een mes te steken. De handeling van verdachte is daarom wederrechtelijk geweest. De rechtbank acht de mishandeling, gelet op de bekennende verklaring van verdachte en het bij het slachtoffer geconstateerde letsel, wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank acht niet bewezen dat het feit is gepleegd in Amsterdam, nu uit het dossier onomstotelijk vast staat dat het bewezenverklaarde feit in Amstelveen is gepleegd. De rechtbank zal om die reden bewezen verklaren dat het feit in Nederland is gepleegd.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 20 augustus 2024 in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door: voornoemde [slachtoffer] met een mes in het lichaam te steken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5. Strafbaarheid van het feit en verdachte

Overmacht in noodtoestand

De raadsman heeft een beroep gedaan op overmacht als noodtoestand. Voor een geslaagd beroep op deze vorm van overmacht moet er sprake zijn van conflict van plichten waarbij twee rechtsbelangen tegenover elkaar staan. De rechtbank oordeelt dat niet duidelijk is geworden welk belangenconflict bestond in onderhavig geval. Er is niet gebleken welke twee rechtsbelangen tegenover elkaar zouden hebben gestaan. Daarmee is de noodtoestand niet objectiveerbaar geworden. Zij verwerpt daarom het verweer.

Psychische overmacht

Door de raadsman is verder een beroep gedaan op psychische overmacht. Van psychische overmacht is sprake wanneer er een van buiten komende drang is waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kan en ook niet behoeft te bieden. De van buiten komende drang moet van zodanige aard zijn dat de wilsvrijheid van de verdachte daardoor is aangetast en dat de verdachte die drang redelijkerwijs niet kon en ook niet behoefde te weerstaan.

Uit het dossier blijkt dat het slachtoffer meermaals het verzoek aan verdachte heeft gedaan om haar te helpen bij zelfdoding. Verdachte heeft bij die gelegenheden telkens wel weerstand weten te bieden tegen die drang. Onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat op 20 augustus 2024, anders dan die andere keren, wel sprake was van een dusdanige van buiten komende drang dat verdachte hier geen weerstand tegen kon en behoefde te bieden.

Conclusie

Gelet op voorgaande is het bestaan van een strafuitsluitingsgrond niet aannemelijk geworden. Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor ook strafbaar. De rechtbank zal echter, gelet op het psychologisch onderzoek naar verdachte, het bewezen geachte feit in verminderde mate aan verdachte toerekenen.

6. Motivering van de straffen en maatregelen

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte subsidiaire feit zal worden veroordeeld tot een en gevangenisstraf van 180 dagen waarvan 75 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Hieraan dienen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld. Indien de rechtbank tot het oordeel zou komen dat het subsidiair tenlastegelegde niet kan worden bewezen, geeft de officier van justitie de rechtbank in overweging om ambtshalve een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel te bepalen waarmee een vergelijkbaar toezicht vorm kan worden gegeven.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Indien de rechtbank desondanks tot een strafoplegging komt, heeft de raadsman gesteld dat een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel een te zware maatregel is, gelet op de context waarbinnen het feit zich heeft afgespeeld. Voorts heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen langere gevangenisstraf opgelegd zou moeten krijgen dan de tijd die hij reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 3 december 2024. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit.

De rechtbank houdt rekening met het feit dat het handelen van verdachte hem in mindere mate toegerekend dient te worden, zoals geadviseerd door de psycholoog in het rapport van 14 november 2024. Uit dit rapport blijkt dat bij verdachte sprake is van een verstandelijke beperking en een persoonlijkheidsstoornis met vermijdende en afhankelijke trekken, gekenmerkt door een laag zelfbeeld, een vermijdende en passieve coping en moeite met confrontaties en voor zichzelf op te komen. De rechtbank heeft verder acht geslagen op het rapport van de reclassering van 10 februari 2025, waarin een ambulante behandeling en begeleiding passend bij zijn verstandelijke beperking wordt geadviseerd.

De bewezenverklaarde mishandeling heeft plaatsgevonden in een hele specifieke setting, waarbij ook de persoonlijke omstandigheden van verdachte maken dat geen sprake is van een doorsnee situatie, waarvoor de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht als uitgangspunt kunnen dienen voor de afdoening. De rechtbank heeft daarom gekozen voor een afdoening die naar haar oordeel recht doet aan die specifieke situatie. In deze zaak is sprake van een complexe thuissituatie waarbij verdachte en het slachtoffer elkaars partner waren en nog steeds zijn. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij het slachtoffer met een mes heeft gestoken. Wat er ook zij van de wens van het slachtoffer om euthanasie te willen laten plegen, het is niet aan verdachte om, al dan niet ter uitvoering van haar wens, met een mes in haar lichaam te steken. De rechtbank vindt het zorgelijk dat verdachte, afgaande op zijn eigen verklaring ter zitting, in een oplopende conflictsituatie kennelijk geen andere uitweg heeft gezien dan het slachtoffer te steken met een mes. De rechtbank vindt het van belang dat verdachte beter leert om te gaan met dergelijke voor hem stressvolle situaties en acht een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden en toezicht van de reclassering van groot belang. Nu verdachte en slachtoffer nog steeds samen wonen, vindt de rechtbank een flink voorwaardelijk strafdeel ook van belang, om verdachte ervan te weerhouden nogmaals een dergelijke fout te begaan. De rechtbank vindt het niet nodig dat verdachte, wiens voorlopige hechtenis met voorwaarden is geschorst, weer terug gaat naar de gevangenis.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 120 dagen, waarvan 15 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering is geadviseerd in haar rapport van 10 februari 2025, passend en geboden.

7. Beslag

Onder verdachte is het volgende voorwerp in beslag genomen:

1 STK mes, goednummer: PL1300-2024196952-6542755.

Nu met behulp van dit voorwerp het bewezen geachte feit is begaan en het van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, wordt dit voorwerp onttrokken aan het verkeer.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Het bewezen verklaarde levert op:

meer subsidiair: mishandeling.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Bepaalt dat een gedeelte, groot 15 (vijftien) dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Meldplicht bij reclassering

Veroordeelde meldt zich op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak.

Ambulante behandeling

Veroordeelde laat zich behandelen door een forensische polikliniek, rekening houdend met zijn verstandelijke beperking, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.

Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd

Onttrekt aan het verkeer:

1. STK mes, goednummer: PL1300-2024196952-6542755.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.A. Spoel, voorzitter,

mrs. G. Oldekamp en M.F.A.M. Smeets, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.T. Lo Dico, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 maart 2025.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.A. Spoel

Griffier

  • mr. R.T. Lo Dico

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?