RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/040039-25
Datum uitspraak: 10 juli 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2002 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op [adres 1]
,
thans gedetineerd te: [detentieplaats] ,
hierna te noemen: verdachte.
1. Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 juni 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S. van der Linde en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.W. Bouwman, naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is, zoals op de zitting nader is omschreven, kort gezegd ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
feit 1
het een beroep of gewoonte maken van het zonder erkenning vervaardigen, transformeren en verhandelen van vuurwapens, in de periode van 3 januari 2023 tot en met 5 februari 2025 te Amsterdam;
feit 2
het medeplegen van het voorhanden hebben van meerdere wapens (pistolen) en munitie,
op 5 februari 2025 te Amsterdam;
feit 3
het medeplegen van het voorhanden hebben van een geluiddemper,
op 5 februari 2025 te Amsterdam.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3. Waardering van het bewijs
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de drie ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Uit het dossier blijkt niet dat de goederen die in de Albert Heijn-tas in het cellencomplex zijn aangetroffen, de goederen zijn die verdachte bij zich had op het moment van de aanhouding. Verder is het DNA onderzoek ook niet naar behoren verricht. Uit het dossier blijkt niet hoe het DNA is bemonsterd en welke SIN-nummers aan de bemonsteringen zijn toegekend. Dit raakt de integriteit van het onderzoek. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank dan ook om het dactyloscopisch onderzoek als bewijs uit te sluiten. Tot slot stelt de raadsvrouw dat in de telefoon berichten zijn aangetroffen waarin bepaalde afspraken zijn gemaakt, maar dat niet is gebleken dat die afspraken daadwerkelijke tot uitvoering zijn gebracht.
Oordeel van de rechtbank
Feit 1: beproefd, onderhandeld en een gewoonte van gemaakt
Verbalisant ziet op 27 januari 2024 op de openbare berichtendienst ‘Telegram’ dat door ‘ [verkoper] ’ (gekoppeld aan gebruikersnaam: [gebruikersnaam verkoper] ) in een openbare chatgroep het bericht ‘Fgc 9 te koop’ is geplaatst. Een FGC 9 betreft een semi-automatisch vuurwapen. Daarop stuurt verbalisant (hierna: de pseudokoper), die zich voordoet als koper, een privé-chatbericht naar ‘ [verkoper] ’ en vraagt onder meer hoeveel [verkoper] ervoor vraagt. “2 K” antwoordt [verkoper] . Als de pseudokoper onderhandelt over de prijs zegt ‘ [verkoper] ’: “1900 minimaal. Lager ga ik niet.” [verkoper] . stuurt tevens een afbeelding van een vuurwapen naar de pseudokoper. Dan vraagt de pseudokoper “Heb j m getest bro”. “Ja”, antwoordt ‘ [verkoper] ’. Op de vraag van de pseudokoper of hij misschien een filmpje of iets heeft, stuurt ‘ [verkoper] ’ een video terug, waarop te zien is dat iemand vanuit een geopend raam in de lucht schiet met een FGC.
Op basis van diverse omgevingskenmerken die op de video zijn waar te nemen heeft een verbalisant geconcludeerd dat de locatie op de video vermoedelijk een woning op de vierde verdieping van de [straatnaam] in Amsterdam betreft, hij schat perceel [nummer 1] tot en met [nummer 2] .
Op 5 februari 2025 geeft [verkoper] aan de pseudokoper het tijdstip en de locatie ( [locatie] ) door waar kort daarna de overeengekomen koop en wapenoverdracht zal plaatsvinden. Kort daarna worden verdachte en medeverdachte aangehouden op [locatie] .
Verdachte staat ingeschreven op het adres [adres 2] . Tijdens de doorzoeking van de woning [adres 2] zijn foto’s gemaakt om te onderzoeken of de video van het proefschieten overeenkomsten vertoont qua locatie. Verbalisant concludeert dat de omgevingskenmerken op de video en die op de foto’s overeenkomsten vertonen. De rechtbank stelt op basis van de bevindingen vast dat de video is opgenomen op [adres 2] .
Uit het dossier blijkt voorts dat verdachte de gebruiker is van het Telegramaccount ‘ [verkoper] ’. Nu verdachte gebruik maakte van het Telegramaccount ‘ [verkoper] ’ acht de rechtbank bewezen dat verdachte degene is die het wapen FGC 9 te koop heeft aangeboden en daarover heeft onderhandeld en dat verdachte de video van het testen van een soortgelijk wapen heeft verzonden. Nu verdachte bovendien op de locatie woont waar deze video is opgenomen, oordeelt de rechtbank dat verdachte ook degene is die het wapen heeft beproefd.
Verder blijkt uit onderzoek van de gegevens uit de telefoon van verdachte dat hij zich ook vóór de periode van 27 januari 2025 tot en met 5 februari 2025 bezig heeft gehouden met wapenhandel. Er zijn meerdere chats aangetroffen waarin hij (onder verschillende namen) onderhandelt over de (ver)koop van wapens. Er wordt onder meer gesproken en onderhandeld over de prijs van verschillende wapens, met verschillende afnemers. Deze chats zien op een langere periode. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte over de transacties voor de aankoop, verkoop of levering van de wapens heeft onderhandeld in de periode van 3 januari 2023 tot en met 5 februari 2025 en dat verdachte hiervan een gewoonte heeft gemaakt.
Feit 2 en 3: goederen Albert Heijn-tas
De raadsvrouw van verdachte heeft gesteld dat niet is gebleken dat de wapens en munitie die in de sluis van het cellencomplex zijn aangetroffen, de goederen zijn die verdachte en medeverdachte bij hun aanhouding bij zich hadden. De rechtbank concludeert anders.
De rechtbank maakt uit het dossier over de herkomst van de wapens en munitie die in de sluis van het cellencomplex zijn aangetroffen en vervolgens onderzocht het volgende op.
Een verbalisant (hierna: de pseudokoper) deed zich voor als koper van een aangeboden vuurwapen en had via Telegram een chatgesprek met verdachte over een wapen dat door verdachte te koop werd aangeboden. Verdachte en de pseudokoper kwamen tot een overeenkomst over de koop/verkoop van een FGC 9 en 9mm munitie voor een bedrag van
€ 1.900,-. Verdachte had op 5 februari 2025 vanaf ongeveer 15:30 uur regelmatig chatcontact met de pseudokoper over hun afgesproken ontmoeting, die rond 16:00 uur zou plaatsvinden op de locatie [locatie] . Om 15:45 uur stuurde verdachte een bericht naar de pseudokoper “Ik moet helemaal met die ding naar daar komen nu” en stuurde tegelijk een foto van een geopende Albert Heijn-tas waarin iets donkers te zien is. De pseudokoper reageerde door meteen een foto te sturen van een bundel bankbiljetten die schijnbaar naast iemand op de bestuurdersstoel van een auto ligt. “Oke”, reageerde verdachte om 15:45 uur, “geef me 3 min.”
Op 5 februari 2025 omstreeks 15:45 uur zag een verbalisant twee personen lopen ter hoogte van [locatie] , naar later bleek verdachte en [medeverdachte] . [verdachte] droeg een Albert Heijn-tas en was met zijn telefoon bezig. Om 15:53 uur werden de verdachten op [locatie] aangehouden en aan hun kleding onderzocht.
In het proces verbaal van aanhouding is daarover onder meer het volgende gerelateerd:
”Op grond van artikel 7 lid 4 van de Politiewet 2012 werd de te vervoeren persoon aan zijn kleding onderzocht op de aanwezigheid van voorwerpen die een gevaar voor de veiligheid van betrokkene of voor anderen kunnen vormen. Hierbij werd aangetroffen:
Een doorgeladen handvuurwapen model BERETTA achter zijn broeksband aan de voorzijde van het lichaam. Een vuurwapen model FSG9 in een blauwe, plastic, Albert Heijn-tas met daarnaast een patroonhouder voorzien van 9mm munitie, deze tas werd door de verdachte gedragen ten tijde van de aanhouding. Daarnaast droeg verdachte een kogelwerend vest, zwart van kleur. De goederen werden overgedragen aan het onderzoeksteam.”
In het proces-verbaal van (vuur)wapenonderzoek, opgemaakt door een forensisch onderzoekster, wordt verwezen naar de aanhouding van verdachten op 5 februari 2025 en de bij hen aangetroffen (vuur)wapens. De forensisch onderzoekster verwijst voor de wijze van aantreffen en veiligstellen van de – naar de rechtbank begrijpt – door haar onderzochte- vuurwapens naar een foto in het proces-verbaal, gemaakt op 5 februari 2025 te 16:42 uur in de sluis van het cellencomplex te [plaats] . Op de foto is te zien dat op de grond een Albert Heijn-tas ligt met daarbij/daarop vuurwapens.
De forensisch onderzoekster heeft de wapens op de foto onderzocht. Uit het onderzoek blijkt dat één van de aangetroffen wapens een (geprinte) FCG9 betreft. Dit is het type wapen dat verdachte op het punt stond te verkopen aan de (pseudo)koper toen hij werd aangehouden.
Op grond van vorengenoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat de onderzochte wapens de wapens zijn die verdachte bij zijn aanhouding op 5 februari 2025 bij zich had in een Albert Heijn-tas en op zijn lijf.
Feit 2 en 3: medeplegen
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.
In de periode van 2 tot en met 5 februari 2025 was verdachte [verdachte] bezig met de verkoop van een wapen. Hij was met de (pseudo)koper over de verkoop en de prijs tot overeenstemming gekomen en het wapen zou op 5 februari 2025 rond 16:00 uur op de locatie [locatie] aan de (pseudo)koper worden overhandigd, tegen betaling van de overeengekomen koopsom. Verdachte verscheen, samen met [medeverdachte] , omstreeks het afgesproken tijdstip op de met de (pseudo)koper afgesproken locatie en werd daar aangehouden. Na de aanhouding van beide verdachten bleek dat zij allebei een kogelwerend vest droegen en allebei een geladen vuurwapen binnen handbereik hadden. Verdachte had het wapen dat verkocht en overhandigd zou worden in een Albert Heijn-tas bij zich. In het daarop volgende onderzoek is de telefoon van verdachte uitgelezen. In die telefoon is onder meer een (chat)gesprek tussen [medeverdachte] en [verdachte] aangetroffen van de dag van hun aanhouding. Uit dit gesprek blijkt dat zij samenwerkten aan het bouwen van een wapen en zouden delen in de buit.
De rechtbank oordeelt bovendien dat beide verdachten op het moment van hun aanhouding wisten dat ze bezig waren met wapenhandel en wisten dat ze op weg waren naar een verkoopafspraak betreffende een vuurwapen, nu zij zich allebei hadden voorbereid door zich te bewapenen en een kogelwerend vest te dragen. Het medeplegen van de feiten 2 en 3 kan dan ook wettig en overtuigend bewezen worden.
Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
feit 1
in de periode van 3 januari 2023 tot en met 5 februari 2025 te Amsterdam, zonder erkenning een vuurwapen van categorie III heeft beproefd en heeft onderhandeld over de transacties voor de aankoop, verkoop of levering van wapens en de transacties voor de aankoop, verkoop of levering van wapens of munitie heeft geregeld en daar een beroep of gewoonte van heeft gemaakt;
feit 2
op 5 februari 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, meerdere wapens van categorie III, onder 1 en 4 van de Wet wapens en munitie, te weten
- een (3D geprint) pistool, van het merk FCG-9, kaliber 9x19mm en
- een pistool, van het merk AKSA, type AK17, kaliber 9x19mm,
(telkens) zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en
- een start/alarmpistool, van het merk BBM (Bruni), type 92, kaliber 9mm Knall
en munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 categorie III en II van de Wet wapens en munitie, te weten munitie in de zin van artikel 1 onder 4 van die wet, te weten een of meer kogelpatronen, kaliber 9x19mm en 9mm Knall, voorhanden heeft gehad;
feit 3
op 5 februari 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, een wapen van categorie I, onder 3 van de Wet wapens en munitie, te weten een geluiddemper voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5. Strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straffen en maatregelen
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 45 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 15 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Daarbij heeft de officier van justitie gevorderd dat de bijzondere voorwaarden worden opgelegd zoals door de reclassering is geadviseerd in haar rapport van 25 juni 2025.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, rekening dient te worden gehouden met de jeugdige leeftijd van verdachte. De rechtbank zou de nadruk moeten leggen op de speciale preventie bij het opleggen van een straf, waarbij het van belang is dat de nog jonge verdachte uit het milieu kan komen waar hij zich in geval van bewezenverklaring van de feiten schijnbaar bevindt.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich gedurende een periode van twee jaar schuldig gemaakt aan illegale handel in vuurwapens en munitie. Daarnaast heeft hij verschillende vuurwapens en munitie voorhanden gehad. Dit zijn zeer ernstige feiten die het gevoel van veiligheid en de daadwerkelijke veiligheid van de maatschappij aantasten. Vuurwapens worden in het criminele milieu gebruikt om anderen angst aan te jagen, te doden of zwaar te verwonden.
Verdachte heeft zich gedurende een relatief lange periode schuldig gemaakt aan deze feiten. De data uit de telefoon van verdachte schetsen het beeld dat verdachte zich diep in het criminele circuit bevindt. Dit is zeer zorgwekkend. Verdachte heeft met zijn zwijgende proceshouding geen blijk gegeven van enig inzicht in zijn handelen.
Persoonlijke omstandigheden
Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van verdachte van 14 april 2025. Hieruit blijkt dat hij eerder voor vergelijkbare feiten is veroordeeld.
De reclassering heeft op 25 juni 2025 over verdachte gerapporteerd.
In het rapport komt onder meer het volgende naar voren.
De reclassering heeft de indruk dat verdachte in het delict gedrag de afgelopen jaren is verhard. Justitiële reacties hierop hebben er niet toe geleid dat verdachte zijn gedrag aanpaste. Er is sprake van een sterk vermoeden van inbedding in een negatief sociaal netwerk en van een pro criminele houding. Op basis van de aard van het ten laste gelegde, de proceshouding van verdachte en het delictverleden concludeert de reclassering dat er sprake is van recidiverisico. Vanwege de proceshouding van verdachte en het feit dat de reclassering door zijn houding geen zicht kan krijgen op het sociaal netwerk, is het voor de reclassering niet mogelijk een delict scenario interventie/behandeling in te zetten.
De reclassering heeft expliciet de afweging gemaakt of reclasseringsinterventies in onderhavige casus geadviseerd kunnen worden. Vanwege de jonge leeftijd van verdachte en de zorgen die zij hebben over de ontwikkeling van het criminele gedrag, achten zij het wenselijk om toch interventies te adviseren. Met dergelijke interventies kan verdachte worden geholpen praktische zaken op orde te krijgen en heeft de reclassering de mogelijkheid het sociaal netwerk in combinatie met het steeds meer verhardende delictgedrag van betrokkene te kunnen bespreken en te onderzoeken.
De reclassering adviseert tevens om het volwassenenstrafrecht toe te passen.
De rechtbank neemt de bevindingen en conclusies van de reclassering over en maakt die tot de hare.
Ter zitting heeft verdachte aangegeven bereid te zijn mee te werken aan voorwaarden die de reclassering nodig acht.
Strafverzwarende omstandigheden
In strafverzwarende zin neemt de rechtbank het volgende mee. Ten eerste heeft verdachte, midden op de dag, vuurwapens en munitie op de openbare weg gedragen. Daarbij had hij het vuurwapen dat bij hem is aangetroffen binnen handbereik, namelijk achter zijn broeksband. Tot slot was het vuurwapen dat hij bij zich droeg doorgeladen. Blijkbaar zag verdachte een reden om, terwijl hij zelf een kogelwerend vest droeg, een vuurwapen dat klaar was voor gebruik en binnen handbereik, bij zich te dragen toen hij in de middag naar een afspraak op de openbare weg ging. Dit zijn allemaal omstandigheden die het gevaar dat een vuurwapen daadwerkelijk wordt gebruikt vergroot.
Straf
De rechtbank ziet, gelet op al het voorgaande, geen reden om af te wijken van de strafeis van de officier van justitie. De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 45 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 15 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Daarbij zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden aan verdachte opleggen zoals door de reclassering is geadviseerd.
8. Beslag
Onder verdachte is het volgende voorwerpen in beslag genomen:
Verbeurdverklaring
Voorwerp 16 behoort aan verdachte toe. Nu met behulp van dit voorwerp het onder feit 1 bewezen geachte is begaan, wordt dit voorwerp verbeurdverklaard.
Onttrekking aan het verkeer
Nu de bewezen geachte feiten zijn begaan met betrekking tot de voorwerpen 2, 3, 4, 17, 24, 25, 26, 28 en 29 en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.
De voorwerpen 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 18, 19, 20, 21, 22, 23 en 27 zijn aangetroffen in het onderzoek naar de misdrijven waarvan verdachte werd verdacht, terwijl zij kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven en van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. Daarom worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.
Teruggave aan verdachte
Niet is gebleken dat het inbeslaggenomen geld, voorwerp 1, is verkregen door het plegen van de bewezen geachte feiten. Het geld dient daarom aan verdachte te worden teruggegeven.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9, 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
10. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
feit 1
handelen in strijd met art. 9 lid 1 van de WWM, begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, en van het beproeven/verhandelen van wapens/munitie een gewoonte maken, strafbaar gesteld bij art. 55 lid 4 van de WWM;
feit 2
medeplegen van handelen in strijd met art. 26 lid 1 van de WWM en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en munitie van categorie II en III, strafbaar gesteld bij art. 55 lid 3 onder a van de WWM;
feit 3
medeplegen van handelen in strijd met art. 13 lid 1 van de WWM, strafbaar gesteld bij art. 55 lid 1 van de WWM.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 45 (vijfenveertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 15 (vijftien) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering
Veroordeelde meldt zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland op het adres Wibautstraat 12. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
Ambulante behandeling
Veroordeelde laat zich behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering.
De behandeling start bij aanvang van de proeftijd. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De behandelaar heeft ook de mogelijkheid diagnostiek af te nemen bij veroordeelde. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Indien een gedragsinterventie passender bij de casus blijkt, kan de reclassering dat inzetten.
Contactverbod
Veroordeelde heeft of zoekt op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met de [medeverdachte] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.
Dagbesteding
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Meewerken aan schuldhulpverlening
Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
Beslag
Verklaart verbeurd:
1 STK Telefoontoestel, goednummer: G6617910.
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
Gelast de teruggave aan [verdachte] van:
1.000,00 EUR, goednummer: G6616570.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.A.E. Somsen, voorzitter,
mrs. P. Sloot en D.A. Segbedzi, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.T. Lo Dico, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 juli 2025.
[...]