RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/072061-23
Datum uitspraak: 5 november 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres 1] ,
thans gedetineerd te: [detentieplaats] .
1. Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 oktober 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R. Zetsma, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S. Snelder, naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 29 augustus 2021 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan het plegen van handelingen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] terwijl zij in staat van lichamelijke onmacht verkeerde.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3. Vrijspraak
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde en gevorderd om verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden op te leggen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit nu niet kan worden vastgesteld dat [slachtoffer] ten tijde van het seksuele contact met verdachte in een staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde. Subsidiair stelt de verdediging dat als al sprake zou zijn van een dergelijke toestand, niet kan worden vastgesteld dat verdachte hiervan op de hoogte was.
Oordeel van de rechtbank
Juridisch kader
Er staat niet ter discussie dat verdachte en [slachtoffer] op 29 augustus 2021 seks hebben gehad. De vraag die aan de rechtbank voorligt is of kan worden vastgesteld dat [slachtoffer] op het moment dat de seksuele handelingen plaatsvonden in een staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn dan wel lichamelijke onmacht verkeerde, als bedoeld in artikel 243 Wetboek van Strafrecht (Sr) en zo ja, of de verdachte dit wist.
De rechtbank oordeelt dat op basis van het dossier en de verklaring van verdachte ter terechtzitting in ieder geval niet kan worden vastgesteld dat [slachtoffer] ten tijde van de seks bewusteloos was. Dan rest vervolgens de vraag of er bij [slachtoffer] dan sprake was van verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht.
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat van verminderd bewustzijn sprake is als iemand in een staat verkeert tussen waakzaamheid en geheel van de wereld zijn, waarbij van de persoon in redelijkheid niet kan worden verwacht dat hij weerstand biedt aan de seksuele verlangens van een ander. Van lichamelijke onmacht is sprake indien iemand fysiek weerloos is door een bij die persoon zelf bestaand lichamelijk onvermogen tot handelen. De rechtbank oordeelt dat op basis van het dossier niet is komen vast te staan dat [slachtoffer] zodanig onder invloed was van alcohol dat zij daadwerkelijk verkeerde in een staat van verminderd bewustzijn. Ook is niet komen vast te staan dat er bij [slachtoffer] sprake was van lichamelijke onmacht ten tijde van de seks. De rechtbank baseert zich hiervoor op de feiten en omstandigheden uit het dossier en overweegt het volgende.
Tijdsverloop
[slachtoffer] is met haar vriendin, [naam] , op de avond van 28 augustus 2025 naar café [naam café] in Amsterdam gegaan waar zij om 22:25 uur zijn aangekomen. Hier hebben beide vrouwen alcoholische dranken genuttigd. Uit de beelden van café [naam café] blijkt dat [slachtoffer] en haar vriendin in de nacht van 29 augustus 2025 om 00:08 uur bij het café zijn vertrokken. Vervolgens zijn zij naar een feest gegaan in het pand aan de [adres 2] waar verdachte zich ook bevond.
[naam] verklaarde dat zij rond 00:30 uur bij het feest zijn aangekomen. [slachtoffer] en [naam] hebben allebei verklaard dat zij hier een glas pure wodka aangeboden hebben gekregen. [slachtoffer] heeft gezegd hiervan een paar slokken te hebben genomen. [naam] heeft verklaard dat zij en [slachtoffer] bij aankomst op een bank hebben gelegen en zeer onder invloed waren. Uiteindelijk is [naam] bij het feest weggegaan en heeft zij een taxi gepakt. Zij heeft verklaard dat [slachtoffer] naast haar op de bank lag op het moment dat zij van het feest vertrok. Op dat moment hadden verdachte en [slachtoffer] nog geen seks gehad. De taxichauffeur bij wie [naam] in de auto zat, heeft om 3:46 uur een politieagent aangesproken omdat hij het idee had dat [naam] mogelijk gedrogeerd was. Vervolgens is de politie rond 4:50 uur met [naam] het pand aan de [adres 2] binnengetreden. De politie heeft verdachte en [slachtoffer] samen aangetroffen in een bed in een slaapkamer van de woning. De seks tussen verdachte en [slachtoffer] moet gelet op het vorenstaande hebben plaatsgevonden tussen 3:46 uur en 4:50 uur.
Overige stukken uit het dossier
De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] veel alcohol heeft gedronken die avond/nacht. Dit blijkt uit de verklaring van [naam] en uit het toxicologisch rapport van het NFI van 7 september 2021. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat [slachtoffer] op die avond naast alcohol ook enig ander verdovend middel tot zich heeft genomen of toegediend heeft gekregen.
Getuige [getuige] heeft verklaard dat [slachtoffer] in beschonken toestand binnenkwam en lodderig uit haar ogen keek. Verder heeft hij verklaard te hebben gezien dat [slachtoffer] met een man de trap opliep. Hij heeft hen toen naar beneden geroepen. [getuige] verklaarde dat dit rond een 3:00 of 3:30 uur was. Hij verklaarde ook dat [slachtoffer] in staat was om zelfstandig de trap op en af te komen. Op enig moment na 3:46 uur moet [slachtoffer] dus opnieuw de trap op zijn gegaan om de slaapkamer te bereiken waar zij met verdachte is aangetroffen rond 4:50 uur.
Conclusie
De rechtbank concludeert dat [slachtoffer] mogelijk op enig moment met [naam] op de bank heeft gelegen. Dat sluit echter niet uit dat zij, zoals getuige [getuige] heeft verklaard, in die periode ook zelf een trap op en af is gelopen. Verdachte heeft daarnaast verklaard dat [slachtoffer] ook met hem de trap op is gelopen naar de slaapkamer waar zij later zijn aangetroffen. Dit wijst in ieder geval op een zekere beheersing van haar motoriek. Er bevinden zich in het dossier geen aanwijzingen dat zij verminderd in staat was om de trap zelf op te lopen. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat ze een leuke klik hadden, van het een het ander kwam en hij absoluut niet het idee had dat [slachtoffer] te dronken was om duidelijk te maken of ze seks met verdachte wilde. Het dossier bevat verder geen informatie over de staat van zijn van [slachtoffer] nadat [naam] was vertrokken rond 3:46 uur, anders dan dat zij zichtbaar onder invloed van alcohol was. Dit enkele feit is echter onvoldoende om verminderd bewustzijn aan te nemen. Ook de door het NFI geschatte ethanolconcentratie in het bloed van [slachtoffer] van 2,5 tot 3,3 mg/ml ten tijde van het voorval betekent nog niet dat er bij haar sprake was van verminderd bewustzijn. De rechtbank kan dus niet vaststellen dat [slachtoffer] in de anderhalf uur die is gevolgd en waarin de seks met verdachte moet hebben plaatsgevonden verkeerde in een staat van verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht.
De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het ten laste gelegde feit.
4. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door
mr. K.A. Brunner, voorzitter,
mrs. H.E. Hoogendijk en L.F. Bögemann, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.T. Lo Dico, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 november 2025.
[.]