RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/070429-25
Datum uitspraak: 26 juni 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2000 te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres] ,
thans gedetineerd te: [detentieplaats] ,
hierna: verdachte.
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 juni 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.I.P. Hofstee, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. H.G. Koopman, naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 4 maart 2025 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan
feit 1
medeplegen van het aanwezig hebben van 1,52 kilogram cocaïne;
feit 2
medeplegen van het in voorraad hebben van 14,83 kilogram ketamine, terwijl hij daar geen registratie voor had;
feit 3
medeplegen van het opzettelijk in voorraad hebben van bankbiljetten, waarvan de valsheid hem bekend was toen hij ze ontving, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst te doen uitgeven.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3. Vrijspraak
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Vrijspraak feit 1: aanwezig hebben cocaïne
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van feit 1 op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat er geen definitieve test op cocaïne in het dossier zit. Het BVH-nummer van het proces-verbaal van de goederen die indicatief zijn getest als cocaïne komt niet overeen met het BHV-nummer van het rapport van de goederen die bij het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) definitief zijn getest als cocaïne. De officier van justitie kan daarom niet vaststellen dat de door het NFI geteste cocaïne ook het goed is dat in het huis van verdachte is aangetroffen. Hij dient om die reden te worden vrijgesproken van feit 1.
Vrijspraak feit 3: in voorraad hebben valse bankbiljetten
Met betrekking tot feit 3 stelt de officier van justitie dat er geen nader onderzoek heeft plaatsgevonden naar het aangetroffen (vermoedelijk) valse geld. Daarnaast is onduidelijk hoeveel coupures er zijn aangetroffen. Gelet op voorgaande bevat het dossier bevat onvoldoende wettig bewijs voor een bewezenverklaring van feit 3.
Bewezen feit 2: in voorraad hebben ketamine
Met betrekking tot feit 2 stelt de officier van justitie dat uit het dossier blijkt dat het middel dat in de woning waar verdachte verbleef is aangetroffen, ketamine betreft. Verdachte maakte geregeld gebruik van de kamer die als opslagruimte werd gebruikt; zo blijkt uit de verklaring van hemzelf en van medeverdachte. De officier van justitie acht niet aannemelijk dat de aangetroffen ketamine van de vriend die eerder bij verdachte verbleef is. Als bewoner dient verdachte verantwoordelijk te worden gehouden voor hetgeen zich in de woning bevindt. Verdachte had dan ook de wetenschap en beschikkingsmacht over de ketamine. De officier van justitie acht feit 2 bewezen voor wat betreft het in voorraad hebben van de ketamine. Het medeplegen van dit feit acht de officier van justitie niet bewezen, nu niet is gebleken dat medeverdachte [medeverdachte] eveneens wetenschap had van de aanwezigheid van de ketamine.
Standpunt van de verdediging
Feit 1: aanwezig hebben cocaïne
Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman zich, met de officier van justitie, op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken nu niet is komen vast te staan dat het in de woning aangetroffen middel cocaïne betreft.
Feit 2: in voorraad hebben ketamine
Ten aanzien van feit 2 stelt de raadsman zich op het standpunt dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte enige wetenschap had van de aanwezigheid van de ketamine in de woning. Verdachte was niet de permanent bewoner van het huis. Daarnaast lag de ketamine niet in het zicht in de opslagruimte. Tot slot zijn er dactyloscopische sporen van een andere persoon op de zakjes aangetroffen. Verdachte dient daarom ook van feit 2 te worden vrijgesproken.
Feit 3: in voorraad hebben valse bankbiljetten
De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 3 dat aan verdachte ten laste is gelegd.
Oordeel van de rechtbank
Feit 1: aanwezig hebben cocaïne
Ten aanzien van feit 1 oordeelt de rechtbank als volgt. Zoals reeds door de officier van justitie en de verdediging is aangehaald, komt het BVH-nummer van het proces-verbaal van de goederen die indicatief zijn getest als cocaïne niet overeen met het BHV-nummer van het rapport van de goederen die bij het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) definitief zijn getest als cocaïne. Op basis van het dossier kan de rechtbank dan ook niet vaststellen dat hetgeen in de woning is aangetroffen daadwerkelijk cocaïne betreft. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van feit 1.
Feit 2: in voorraad hebben ketamine
Verdachte woonde in de woning waar de ketamine is aangetroffen. Dit enkele gegeven acht de rechtbank echter onvoldoende om de wetenschap van verdachte van de aanwezigheid van de ketamine vast te stellen. Weliswaar kwam verdachte wel eens in de opbergruimte, maar op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte wist dat deze goederen daar lagen. Verdachte heeft verklaard dat de ketamine daar moet zijn achtergelaten door een kennis die tijdelijk bij hem in de woning had verbleven en zijn spullen nog zou komen ophalen. Het dossier bevat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte de wetenschap had van de aanwezigheid van de ketamine in de woning. De rechtbank zal hem dan ook vrijspreken voor feit 2.
Feit 3: in voorraad hebben valse bankbiljetten
Ten aanzien van feit 3 stelt de rechtbank voorop dat er geen nader onderzoek is gedaan naar de aantroffen biljetten zodat niet is vastgesteld of het geld vals was en welke coupures zijn aangetroffen. Verder blijkt uit het dossier niet dat verdachte het oogmerk had om het (valse) geld als echt en onvervalst uit te geven. Het geld is namelijk in de keuken aangetroffen en bevond zich bijvoorbeeld niet in de portemonnee van verdachte. Verdachte heeft hierover verklaard dat het valse geld hoorde bij een pokerspel dat hij ooit had gekocht voor een vriendschappelijk potje poker. Nu de valsheid van de biljetten niet is vastgesteld en het oogmerk niet is vast te stellen, zal de rechtbank verdachte van feit 3 vrijspreken.
4. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart de ten laste gelegde feiten niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.M. van Hall, voorzitter,
mrs. E. Biçer en D. Segbedzi, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.T. Lo Dico, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 juni 2025.
[.]