RECHTBANK AMSTERDAM
proces-verbaal
Team Familie & Jeugd
Parketnummer: 13-128109-25
Proces-verbaal van de met gesloten deuren gehouden terechtzitting van de kinderrechter in bovengenoemde rechtbank op 3 oktober 2025.
Tegenwoordig zijn:
mr. E. Dinjens, kinderrechter en
N.N. Spaargaren, griffier.
Het Openbaar Ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. D.T. Sterk, officier van justitie.
De kinderrechter doet de zaken uitroepen.
De verdachte antwoordt op de vragen van de kinderrechter te zijn:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2008,
wonende op het adres [woonadres] ,
Als raadsvrouw van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. L. Snel, advocaat te Amsterdam.
De met het gezag belaste ouders van verdachte zijn ter zitting verschenen.
Ter zitting is verschenen mevrouw [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming.
De kinderrechter zegt tegen de verdachte dat hij niet tot antwoorden verplicht is en goed moet opletten.
Voor zover op deze terechtzitting verklaringen zijn afgelegd, zijn deze steeds zakelijk weergegeven.
De kinderrechter deelt de inhoud van de stukken van het dossier mee, waaronder de e-mailberichten van 22 april 2025 en 6 mei 2025 van een medewerker van het Klant Contact Centrum van het Openbaar Ministerie en een e-mailbericht van de raadsvrouw van verdachte van 22 mei 2025, welke aan dit proces-verbaal zijn gehecht als bijlage 1, 2 en 3.
De raadsvrouw van verdachte kondigt aan dat zij een preliminair verweer wenst te voeren en voert het woord aan de hand van de overlegde pleitaantekeningen, welke aan dit proces-verbaal zijn gehecht als bijlage 4.
De verdachte antwoordt op vragen van de kinderrechter:
Toen ik werd gebeld door mijn advocaat om te horen dat mijn zaak gestopt was, was ik blij en opgelucht. Toen ik een bericht kreeg van mijn advocaat dat mijn zaak toch door zou gaan, vond ik dit minder leuk. Wij, mijn gezin en ik, dachten dat het over zou zijn en dat we dit achter ons konden laten. Nu moesten we ons weer gaan voorbereiden op het strafproces.
De officier van justitie voert het woord:
Als een verdachte wordt verhoord dan wordt de zaak ingestuurd naar het Openbaar Ministerie. Vervolgens wordt gekeken of over wordt gegaan op vervolging of niet. Deze vervolgingsbeslissing ligt bij het Openbaar Ministerie en niet bij de politie. De mededeling die gedaan is door de medewerker van het Klant Contact Centrum, waaruit af te leiden is dat de politie over deze vervolgingsbeslissing gaat, is verkeerd. Niet alle medewerkers van het Openbaar Ministerie mogen vervolgingsbeslissingen nemen, dit is een taak van een parketsecretaris of een officier van justitie. De medewerkers van het Klant Contact Centrum zijn administratieve medewerkers. Er is vertrouwd op de medewerkers van het Klant Contact Centrum en dit is geen gerechtvaardigd vertrouwen.
De raadsvrouw voert het woord:
Ik krijg vaker beslissingen te horen van het Klant Contact Centrum. De officier van justitie stuurt dan het sepot na. Ik heb geen communicatie gehad met de politie, maar met het Openbaar Ministerie en van het Openbaar Ministerie heb ik te horen gekregen dat de zaak is afgedaan. Voor verdachten en advocaten is het Klant Contact Centrum de manier om te communiceren met het OM. Slechts in een enkel geval is het mogelijk om direct contact met een officier van justitie of parketsecretaris te hebben. Zeker in kleinere zaken zoals deze verloopt het contact via het Klant Contact Centrum.
De officier van justitie voert het woord als volgt:
Het is begrijpelijk dat vervolgingsbeslissingen via het Klant Contact Centrum worden medegedeeld, maar de sepotbeslissing wordt genomen door een parketsecretaris en een officier van justitie genomen. De mededeling van het Klant Contact Centrum is geen beslissing van een parketsecretaris of officier van justitie.
De vader voert het woord:
Ik vind de manier hoe deze zaak is verlopen bijzonder. De verdenking is een heftige gebeurtenis. Ik moest [verdachte] ophalen bij het politiebureau en na een hele korte periode kregen wij te horen dat de zaak vroegtijdig gestopt was. Dit bracht een grote opluchting met zich mee, maar toen kwam de mededeling dat de zaak wel inhoudelijk zou worden behandeld. Dit voelde onwerkelijk. Ik vind het apart dat een procedure rommelig kan verlopen.
Aan verdachte wordt het recht gelaten om het laatst te spreken.
De kinderrechter sluit het onderzoek en wijst na beraad mondeling vonnis.
AANTEKENING VAN HET MONDELING VONNIS
1. De tenlastelegging
keel (dicht) te knijpen en/of
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 16 april 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen,
een pet en/of Apple AirPods, althans oordopjes, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voorgenoemde [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- de keel van voornoemde [slachtoffer] vast te pakken en/of vast te houden en/of (in) die
- tegen voornoemde [slachtoffer] te zeggen: "Ik sla je dood als je nog iets zegt over [verdachte] " en/of "Als je aangifte gaat doen of dit tegen iemand zegt dan ga ik je helemaal de tering in slaan" en/of "Laat los anders ga ik je total loss rammen", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking en/of
- één of meerdere malen tegen het glas van de tramhalte te slaan
2. De formele voorvragen
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De kinderrechter is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie overweegt de kinderrechter als volgt. Het door de verdediging gevoerde verweer met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wordt gegrond verklaard. De kinderrechter stelt vast dat door een medewerker van het Klant Contact Centrum van het Openbaar Ministerie per e-mail van 22 april 2025 aan de verdachte is medegedeeld: “ik zie dat de zaak in de politiefase is beëindigd wegens capaciteitsoverwegingen. De zaak is dan ook afgedaan en komt niet meer bij het Openbaar Ministerie”. Toen de zaak alsnog bij de advocaat in het advocatenportaal verscheen, en door de advocaat navraag werd gedaan, is door een medewerker van het Openbaar Ministerie (team Maatwerkzaken) per e-mail van 6 mei 2025 geschreven: ‘ik zie dat de politie collega mij verkeerd geïnformeerd heeft in deze zaak. Mijn excuses hiervoor, deze zaak gaat inderdaad door!”
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of door de eerstgenoemde mededeling van het Klant Contact Centrum het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de strafzaak niet meer door zou gaan, op welk vertrouwen verdachte mocht afgaan. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend.
Dat de medewerker van het Klant Contact Centrum volgens de officier van justitie een foute mededeling betreft, doet hier niet aan af. De verantwoordelijkheid voor uitlatingen van medewerkers van het Klant Contact Centrum ligt bij het Openbaar Ministerie. Een burger mag niet worden geconfronteerd met negatieve gevolgen van een onjuiste mededeling die door of namens het Openbaar Ministerie wordt gedaan. Het Klant Contact Centrum fungeert als communicatiekanaal voor burgers, en van het Openbaar Ministerie mag worden verwacht dat dit op zorgvuldige wijze wordt ingericht en functioneert.
Gelet op het door de medewerker gewekte gerechtvaardigd vertrouwen en het daarop gebaseerde handelen van de verdachte, is het in strijd met het vertrouwensbeginsel dat het
Openbaar Ministerie de vervolging heeft voortgezet. Het recht tot vervolging is hierdoor verloren gegaan. De kinderrechter komt dan ook tot de conclusie dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging.
3. De uitspraak
De kinderrechter verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte ter zake van het ten laste gelegde.
De kinderrechter zegt tegen verdachte dat hij binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen tegen dit vonnis en maakt hem opmerkzaam op het recht ter terechtzitting van dat rechtsmiddel afstand te doen.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de kinderrechter en de griffier is vastgesteld en ondertekend .