ECLI:NL:RBAMS:2025:9487

ECLI:NL:RBAMS:2025:9487, Rechtbank Amsterdam, 20-03-2025, 13/177974-23

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 20-03-2025
Datum publicatie 16-12-2025
Zaaknummer 13/177974-23
Rechtsgebied Strafrecht; Strafprocesrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

tenlastelegging: poging tot doodslag door slachtoffer met een mes in zijn schouder te steken; bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van slachtoffers 1 en 2; opging zware mishandeling door hem met een mes te steken. Algehele vrijspraak. Slachtoffer 1 en 2 niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/177974-23

Datum uitspraak: 20 maart 2025

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1949 te [geboorteplaats] ([geboorteland]),

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres],

hierna: verdachte.

1. Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 maart 2025.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. N. Levinsohn, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.W.P. Beijen, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 15 juli 2023 te Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan:

feit 1:

primair poging tot doodslag van [persoon 1] door hem met een mes in zijn schouder te steken.

Het steken met een mes in de schouder is subsidiair ten laste gelegd als zware mishandeling en meer subsidiair als poging tot zware mishandeling.

feit 2:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van [persoon 1] en [persoon 2];

feit 3:

primair poging zware mishandeling van [persoon 2] door hem met een mes te steken. Subsidiair is dit ten laste gelegd als mishandeling.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3. Vrijspraak

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 15 juli 2023 is op de aangrenzende balkons van het huis van verdachte en zijn buren ruzie ontstaan tussen verdachte en [persoon 1]. Naar aanleiding van dit conflict heeft verdachte met een mes zijn woning verlaten en is hij naar beneden richting de gezamenlijke voordeur van het gebouw gegaan. Op een filmpje dat door [persoon 3], de zus en dochter van aangevers, is gemaakt is te zien dat verdachte buiten op straat een confrontatie heeft met [persoon 1] en zijn vader [persoon 2]. Hierop is te zien dat verdachte een mes in zijn handen heeft, dat zijn arm wordt vastgepakt, dat hij wordt geslagen met een stok op zijn hoofd, en dat hij daarna met het mes in zijn hand achter [persoon 1] aanrent. Ook is te zien dat verdachte op enig moment stopt met rennen en zijn rug naar [persoon 1] keert. [persoon 1] loopt dan terug in de richting van verdachte, terwijl [persoon 2] met (vermoedelijk) een wasrek in zijn hand op verdachte afloopt. Op het filmpje is bij geen van de betrokkenen letsel waar te nemen. Uit het dossier blijkt dat zowel verdachte als [persoon 1] letsel heeft opgelopen. Het letsel van [persoon 1] is veroorzaakt door het mes dat verdachte vast had. Het moment waarop dit is gebeurd, is niet op dit filmpje vastgelegd..

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van feit 1 en feit 3 de primair ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden. De officier van justitie stelt dat ten aanzien van feit 2 slechts de bedreiging ‘ik ga je in je hart steken’ kan worden bewezen, nu [persoon 2] en [persoon 3] hierover gelijkend verklaren. De overige twee bedreigingen die in feit 2 ten laste zijn gelegd acht de officier van justitie niet bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de drie ten laste gelegde feiten, omdat het vereiste opzet ontbreekt.

Indien de rechtbank wel tot een bewezenverklaring komt, stelt de raadsman dat bij verdachte sprake was van psychische overmacht waardoor hij ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging.

Oordeel van de rechtbank

Getuigen)verklaringen

Het dossier bevat meerdere verklaringen van zowel aangevers als verschillende getuigen. De verklaringen lopen echter uiteen waar het gaat over wat er is gebeurd tussen het moment dat het filmpje van [persoon 3] is geëindigd en het moment waarop verdachte met het mes de schouder van aangever [persoon 1] heeft geraakt. De aangevers en [persoon 3] verklaren dat verdachte, nadat [persoon 1] op de grond terecht was gekomen, bovenop hem is gesprongen en hem met het mes in zijn schouder heeft gestoken. Verdachte heeft daarentegen verklaard dat hij, al dan niet door toedoen van anderen, bovenop [persoon 1] is gevallen en dat het mes daardoor onbedoeld in de schouder van [persoon 1] terecht is gekomen.

Verklaringen familie [naam familie]

Aangevers en [persoon 3] zijn de volgende dag door de politie gehoord en hebben later ook bij de rechter-commissaris (hierna: RC) een verklaring afgelegd. In deze verklaringen valt op dat deze op punten niet overeenkomen met objectieve onderzoeksbevindingen uit het dossier. Zo verklaren de leden van de familie [naam familie] allemaal wisselend over de jarenlange burenruzie en komen hun verklaringen niet overeen met de verklaringen van directe buren. Daarnaast blijven zowel aangevers als [persoon 3] weg bij het geweld dat tegen verdachte is gebruikt, terwijl uit het dossier onmiskenbaar blijkt van geweldshandelingen tegen verdachte. Verder zeggen aangevers geen herinneringen te hebben aan het geweld dat zij zelf hebben toegepast, maar uit het filmpje dat door [persoon 3] zélf is gemaakt, blijkt dat verdachte door [persoon 1] is geslagen met een stok. Dit gebeurt dusdanig hard dat de stok breekt. Zowel aangevers als [persoon 3] hebben hierover bij de politie in strijd met de waarheid verklaard. Dit maakt dat de rechtbank behoedzaam met deze verklaringen omgaat, zeker nu aangevers en [persoon 3] familie van elkaar zijn en belang hebben bij het minimaliseren van hun eigen rol.

Onafhankelijke getuigen

Het dossier bevat naast de verklaringen van de familie [naam familie] twee onafhankelijke getuigenverklaringen, namelijk van [getuige 1] en [getuige 2].

De eerste verklaring van [getuige 1] die hij bij de politie heeft afgelegd, ondersteunt de verklaring van de familie [naam familie]. Toen getuige [getuige 1] echter opnieuw bij de RC is gehoord, heeft hij verklaard dat hij op de dag van het incident onder invloed was van veel alcohol en marihuana en dat hij zich weinig kan herinneren van die dag. De RC heeft [getuige 1] de verklaring voorgehouden die hij bij de politie zou hebben afgelegd. Hierover heeft [getuige 1] verklaard dat hij in de staat waarin hij die avond verkeerde nooit een dergelijke verklaring kan hebben afgelegd.

Ook [getuige 2] heeft bij de politie verklaard dat hij zag dat ‘de oude man’ [persoon 1] neerstak. Toen deze getuige bij de RC opnieuw is gehoord, heeft hij, anders dan bij de politie, verklaard dat hij niet daadwerkelijk heeft gezien hoe verdachte [persoon 1] met het mes heeft geraakt of hoe het mes in zijn lichaam terecht is gekomen. Hij verklaarde dat hij wel heeft gezien dat [persoon 1] bloedde toen hij van de grond opstond. Deze twee verklaringen van [getuige 2] zijn tegenstrijdig precies op het punt van hoe het letsel bij [persoon 1] zou zijn ontstaan .

De rechtbank komt op basis hiervan tot het oordeel dat de verklaringen van de onafhankelijke getuigen onbetrouwbaar zijn gebleken. Deze verklaringen kunnen daarom niet voor het bewijs worden gebruikt.

Vrijspraak feit 1:

De rechtbank kan op basis van het dossier niet buiten redelijke twijfel kan vaststellen welk scenario het dichtst bij de waarheid komt; dat van [persoon 1] of dat van verdachte. De overige (objectieve) onderzoeksbevindingen geven hierover ook geen uitsluitsel en laten ruimte voor beide scenario’s. Wel staat vast dat verdachte [persoon 1], terwijl die op de grond lag met verdachte bovenop zich, met het mes in zijn schouder heeft geraakt en dat [persoon 1] daardoor letsel heeft opgelopen. Bij het beoordelen van de mogelijke strafbaarheid van het handelen van verdachte gaat de rechtbank uit van het door verdachte geschetste scenario, namelijk dat hij met het mes in zijn hand bovenop [persoon 1] is gevallen, omdat dit scenario niet kan worden uitgesloten door de bewijsmiddelen.

Poging doodslag (primair)

Omdat verdachte telkens heeft verklaard dat hij niet het doel had om [persoon 1] te doden en hem slechts door zijn val in de schouder heeft geraakt, en er ook geen ander bewijs is van (vol) opzet op de dood van [persoon 1], ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of kan worden vastgesteld dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [persoon 1] door te handelen zoals hij heeft gedaan.

Het staat vast dat er op het moment waarop verdachte zijn woning verliet met een mes in zijn handen al sprake was van een conflictsituatie met [persoon 1]. Verdachte heeft die situatie dan ook bewust opgezocht en heeft daarbij ook bewust een steekwapen meegenomen. Vervolgens is het tot een confrontatie gekomen en heeft hij dat mes gebruikt om mensen af te schrikken door het mes voor zich te houden. Bovendien is hij – met het mes in zijn handen – achter iemand aangerend. Uiteindelijk is het zo ver gekomen dat verdachte bovenop [persoon 1] terecht is gekomen en dat het mes de schouder van [persoon 1] heeft geraakt. Dergelijke handelingen, uitgevoerd in een chaotische situatie, brengen een aanmerkelijke kans met zich mee dat iemand met het mes wordt geraakt en letsel oploopt. Verdachte heeft deze aanmerkelijke kans ook bewust aanvaard door het mes mee te nemen naar een conflictsituatie, het in zijn hand te houden en de confrontatie op te zoeken. Dat betekent echter nog niet dat verdachte daarmee ook bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat iemand door dat mes komt te overlijden. Die kans kan in het scenario dat verdachte op [persoon 1] is gevallen waardoor het mes de schouder heeft geraakt volgens de rechtbank niet als aanmerkelijk worden aangemerkt. Nu verdachte met zijn handelen niet een aanmerkelijke kans op de dood teweeg heeft gebracht, oordeelt de rechtbank dat voorwaardelijk opzet op de dood van [persoon 1] niet kan worden aangenomen.

Zware mishandeling (subsidiair)

Voor een bewezenverklaring van zware mishandeling moet er sprake zijn van zwaar lichamelijk letsel. Verdachte heeft [persoon 1] met het mes in zijn schouder geraakt. Hierdoor heeft [persoon 1] letsel opgelopen in de vorm van een snee in zijn schouder van tien centimeter lang en twee centimeter diep. De wond is gehecht. Ter toelichting op de vordering benadeelde partij van [persoon 1] is aangevoerd dat de wond goed is genezen en dat de hechtingen drieënhalve week na het incident zijn verwijderd. [persoon 1] hoefde niet geopereerd te worden en kan zijn arm normaal gebruiken. De rechtbank stelt op basis hiervan vast dat het medisch ingrijpen gering en het herstel voorspoedig is geweest. Gelet op de ernst en aard van het letsel kan niet worden gesteld dat er sprake is geweest van zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht.

Poging zware mishandeling (meer subsidiair)

Het dossier bevat geen bewijs voor vol opzet op het (proberen) toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank neemt ook geen voorwaardelijk opzet aan. De rechtbank heeft hierboven geoordeeld dat verdachte met zijn handelen de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat hij [persoon 1] met het mes zou raken. De aanmerkelijke kans op het raken en verwonden van een persoon met het mes, brengt in het scenario dat verdachte op [persoon 1] is gevallen waardoor het mes de schouder heeft geraakt, echter niet zonder meer ook de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel met zich mee.

Conclusie

Feit 1 primair, 1 subsidiair en 1 meer subsidiair zijn niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De slotsom van dit alles is dat verdachte weliswaar letsel aan [persoon 1] heeft toegebracht met het mes, maar dat dit op basis van de huidige tenlastelegging niet tot een bewezenverklaring kan leiden. Het handelen van verdachte kan in de gegeven omstandigheden mogelijk worden aangemerkt als eenvoudige mishandeling. Dit is echter niet tenlastegelegd, zodat de rechtbank ook niet aan de beoordeling daarvan toekomt.

Vrijspraak feit 2: bedreiging

Zowel [persoon 1], [persoon 2] als [persoon 3] hebben verklaard dat verdachte de ten laste gelegde bedreigingen heeft uitgesproken. Verdachte ontkent dit.

Ter zitting heeft de rechtbank voorgehouden dat zij voorafgaand aan de zitting het filmpje van [persoon 3] heeft bekeken en beluisterd en de woorden ‘ik ga je dood maken’ niet heeft gehoord. Het filmpje is op zitting afgespeeld, zonder geluid. In raadkamer heeft de rechtbank opnieuw het filmpje bekeken en beluisterd en heeft zij geconstateerd dat inderdaad op ongeveer seconde tien van het filmpje te horen is dat iemand schreeuwt: ‘ik ga jou doodmaken’. Echter, op het filmpje staat verdachte met zijn rug naar de camera en zijn ook [persoon 1] en [persoon 2] te zien. De rechtbank kan zelf niet waarnemen wie deze woorden schreeuwt.

Volgens [persoon 1], [persoon 2] en [persoon 3] is het verdachte geweest die deze woorden heeft gezegd. In 3.4.1. heeft de rechtbank echter al overwogen dat behoedzaam met hun verklaringen moet worden omgegaan. Ook wordt op basis van hun verklaringen niet duidelijk of zij het verdachte op het moment zelf hebben horen zeggen, of dat zij het hem op het filmpje menen te horen zeggen. Dat betekent dat niet slechts op basis van deze verklaringen buiten redelijke twijfel valt vast te stellen dat het verdachte is geweest die deze bedreigingen heeft geuit. Weliswaar bevat het dossier hiermee wettig bewijs, maar de rechtbank heeft op basis van dit bewijs niet de overtuiging bekomen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan deze bedreigingen.

Conclusie

Feit 2 is niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Vrijspraak feit 3

Poging zware mishandeling (primair)

De leden van de familie [naam familie] hebben verklaard dat het letsel bij [persoon 2] is veroorzaakt door verdachte. Zoals al eerder overwogen, dient met deze verklaringen behoedzaam te worden omgegaan. Er zijn geen andere verklaringen die de lezing van de familie [naam familie] ondersteunen. Het letsel aan de buik van [persoon 2] is bovendien gering en niet evident afkomstig van het steken met een mes, hetgeen de rechtbank doet twijfelen aan de juistheid van de verklaringen. Op basis van dit dossier kan daarom niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat verdachte [persoon 2] met een mes heeft gestoken in de richting van zijn buik of bovenlichaam.

Mishandeling (subsidiair)

Ook voor mishandeling bevat het dossier onvoldoende bewijs. Het steken met een mes in de richting van de buik of het bovenlichaam van [persoon 2] is niet komen vast te staan en er bestaat evenmin bewijs dat (overige) letsel een gevolg is van enig (ander) handelen van verdachte. [persoon 2] bevond zich in een situatie waar meerdere mensen, waaronder hijzelf, met goederen zoals stokken en een wasrek aan het zwaaien en slaan waren. Er bestaat dus een reële mogelijkheid dat [persoon 2] hierdoor het letsel heeft opgelopen. Daarom valt niet buiten redelijke twijfel vast te stellen dat het letsel is ontstaan door toedoen van verdachte.

Conclusie

Feit 3 primair en 3 subsidiair zijn niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

4. Benadeelde partijen

De benadeelde partijen, [persoon 1] en [persoon 2] (vertegenwoordigd door mr. N.D. de Fluiter), worden in hun vorderingen niet-ontvankelijk verklaard, omdat verdachte wordt vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten.

5. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart de ten laste gelegde feiten niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de benadeelde partijen [persoon 1] en [persoon 2] niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen tot schadevergoeding.

Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Smit, voorzitter,

mrs. I. Timmermans en N. Versteeg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.T. Lo Dico, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 maart 2025.

[...]

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M. Smit

Griffier

  • mr. R.T. Lo Dico

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?