RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/403944-24
Datum uitspraak: 20 maart 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres]
,
hierna: verdachte.
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 maart 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vorderingen en standpunten van de officier van justitie, mr. N. Levinsohn, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. S. Ettalhaoui, naar voren hebben gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 19 december 2024 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd en/of vervaardigd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad 1641,6 kilogram (ongeveer 864 flessen) distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
3. De waardering van het bewijs
Het standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het ten laste gelegde feit, voor zover dit ziet op het opzettelijk aanwezig hebben gehad van de genoemde hoeveelheid distikstofmonoxide (lachgas), wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Verdachte had de garagebox aan iemand anders verhuurd en wist niet dat er 864 lachgascilinders in de garagebox aanwezig waren. Ook kan volgens de raadsman niet worden vastgesteld dat de aangetroffen cilinders gevuld waren met distikstofmonoxide (lachgas).
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen genoemd in de bijlage, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 19 december 2024, opzettelijk 1.641,6 kilogram distikstofmonoxide (lachgas) aanwezig heeft gehad. Het alternatieve scenario dat verdachte heeft geschetst, is niet aannemelijk gemaakt. Ten aanzien van de inhoud van de aangetroffen cilinders oordeelt de rechtbank als volgt.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat het gaat om cilinders van het merk Fastgas, een verkoper van lachgascilinders. Op de cilinders stond (onder meer) vermeld “UN1070 E942 NITROUS OXIDE FOOD GRADE”. Nitrous Oxide laat zich naar het Nederlands vertalen als: distikstofmonoxide. De verbalisanten hebben geconstateerd dat de 864 cilinders op het moment dat zij werden aangetroffen gevuld en volledig afgesloten waren. De rechtbank komt op grond hiervan tot de conclusie dat de aangetroffen cilinders gevuld waren met distikstofmonoxide (lachgas). De inhoud van de cilinders hoeft voor deze vaststelling niet op een andere wijze getest te worden. De rechtbank verwerpt daarom het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging.
4. De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
op 19 december 2024 te Amstelveen, opzettelijk aanwezig heeft gehad 1.641,6 kilogram (ongeveer 864 flessen) distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de
bij de Opiumwet behorende lijst II.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5. De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. De motivering van de straffen en maatregelen
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie vordert een gevangenisstraf van zes maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman verzoekt in het geval van een strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte is nog jong, is niet eerder strafrechtelijk veroordeeld, zorgt voor zijn zieke vader en zus en heeft al 40 dagen in voorarrest gezeten.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van een zeer grote hoeveelheid lachgas. Het bezit van lachgas is sinds een aantal jaar een toenemend probleem in Nederland. Het draagt bij aan de toenemende druk op de gezondheidszorg, werkt criminaliteit en overlast in de hand en heeft negatieve gevolgen voor het milieu. Om die reden is lachgas (distikstofmonoxide) sinds 1 januari 2023 opgenomen in lijst II van de Opiumwet en het bezit daarvan strafbaar gesteld.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 4 februari 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. Verdachte heeft aangegeven dat hij als mantelzorger de zorg voor zijn zieke vader op zich neemt en op het kind van zijn zieke zus past. Verdachte is nog erg jong en heeft al 40 dagen in voorarrest gezeten.
De op te leggen straf
De oriëntatiepunten voor straftoemeting bieden vooralsnog geen richting voor de op te leggen straf. De Richtlijn voor strafvordering Opiumwet, softdrugs van het Openbaar Ministerie gaat niet verder dan de categorie die ziet op een hoeveelheid van meer dan 40 kilogram. In deze zaak gaat het om meer dan 40 keer zoveel lachgas. De rechtbank is van oordeel dat, gezien deze grote hoeveelheid lachgas, niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen, zal een groot deel van die gevangenisstraf in voorwaardelijke zin worden opgelegd. Dit voorwaardelijke deel dient als forse stok achter de deur voor verdachte en drukt de ernst van zijn gedragingen uit. Daarbij weegt mee dat de samenleving er meer mee gediend is dat verdachte in de toekomst geen nieuwe strafbare feiten zal plegen, dan wanneer verdachte nu voor langere tijd komt vast te zitten met alle gevolgen van dien. De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen, waarvan 200 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar passend en geboden. De rechtbank vindt het van belang dat verdachte ook direct de gevolgen van zijn handelen ondervindt. Daarom legt de rechtbank daarnaast een taakstraf voor de duur van 180 uur op. Hiermee wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt de strafoplegging anderzijds dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
De rechtbank wijkt met deze straf af van de straf die de officier van justitie heeft geëist, omdat de rechtbank meer dan de officier van justitie rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
8. De in beslag genomen voorwerpen
Onder verdachte zijn de volgende goederen in beslag genomen:
Teruggave aan verdachte
De Renault Kangoo bestelauto en beide telefoons kunnen aan verdachte worden teruggegeven nu niet is komen vast te staan dat het gepleegde feit met behulp van deze goederen is begaan.
Onttrekking aan het verkeer
Nu het bewezen verklaarde feit is begaan met betrekking tot de 865 lachgascilinders en deze van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet, worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.
De 85.000 ballonnen zijn aangetroffen in het onderzoek naar het door verdachte begane misdrijf. De rechtbank gaat er daarom van uit dat deze net zoals de lachgascilinders aan verdachte toebehoren. Deze ballonnen kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke feiten, aangezien het lachgas kennelijk bedoeld was voor de handel en het lachgas met deze ballonnen geconsumeerd zou worden. De ballonnen zijn daarmee een essentieel onderdeel voor het consumeren van lachgas uit de cilinders van verdachte. Voorkomen moet worden dat verdachte wederom lachgas in combinatie met ballonnen voorhanden heeft. De 85.000 ballonnen zijn in combinatie met de aangetroffen lachgas van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan door deze verdachte in strijd is met de wet of het algemeen belang. De 85.000 ballonnen worden daarom op grond van artikel 36d Sr onttrokken aan het verkeer.
9. De toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 22c, 22d, 36b en 36d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.
10. De beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 11 lid 1 van de Opiumwet.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 240 (tweehonderdveertig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering (en in voorlopige hechtenis) is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 200 (tweehonderd) dagen van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 (honderdtachtig) uren.
Beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet (naar behoren) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 (negentig) dagen.
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
Gelast de teruggave aan verdachte van:
Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Smit, voorzitter
mr. I. Timmermans en mr. N. Versteeg, rechters
in tegenwoordigheid van mr. R.T. Lo Dico, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 maart 2025.
[...]